moeheid

Een gedicht van Hans Lodeizen 1924-1950
spinnenwebben van moeheid
spinnenwebben van
moeheid dragen over
grandioze zeeën zijn
ellendig hart. en toch
zal alles zo blijven
Gedichten 1948

moeheid
Een gedicht van Hans Lodeizen 1924-1950
spinnenwebben van
moeheid dragen over
grandioze zeeën zijn
ellendig hart. en toch
zal alles zo blijven
Gedichten 1948

oord
Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899
De bloemen, die slank daar rijzen,
zijn bleek gelijk de dood;
ene enkle staat in 't midden,
als bloed zo vurig rood.
Doch kuste haar niet de zonne:
nooit zag zij die stralengloed,
de bloeme is de aarde ontsproten
en die dronk mensenbloed...
Dietsche Warande, jrg 5 (1892)

op een
Een gedicht van Hendrik Tollens 1780-1856
Hij dacht zich door een korte dood
Te redden uit zijn bange nood:
Hoe heeft hij zich bedrogen!
Hier stak hij, achter struik en heg,
Zich voor het oog der mensen weg;
Daar boven staat hij moedernaakt:
En wat hem 't hier heeft bang gemaakt,
Is derwaarts met hem heengetogen:
Hoe heeft zich de arme dwaas bedrogen!
Gezamenlijke dichtwerken, delen 7-9 (1856)

handen
Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933
Eenvoudig als onze handen zijn
bij vaal verdriet en gulden feest
zo zijn wij, lieve, met elkaar
zelden geweest.
Tussen der woorden hovaardig spel,
onze handen, zij alleen,
die wisten van elkander wel
’t geheim van ons getween.
Die hebben ’t schoonste deel gekend
van ’t heimwee waar een mens in mint;
die wisten niet waar waken endt
of waar de droom begint.
En wijd van alle valse schijn,
zo zonder teken, zonder woord,
hebben ze, zuiver als ze zijn,
elkander toebehoord.
Mijn jongen, toen uw leste kus
vaarwel zong door mijn blonde haar,
deden ons beider handen nog
van ’t komen schoon gebaar.
En toen de leste trein vertrok,
wuifden zij elkander toe;
die zwijgend hebben liefgehad,
die minnen elkaar voorgoê.
Och, mochten, moe van dool en pijn,
wij eens aan avondraam,
eenvoudig als onze handen zijn
zwijgend tesaam.
(postuum 1936)

niet
Een gedicht van René de Clercq 1877-1932
Sluit niet tegen uw geweten,
om de macht een slecht verbond.
Die uit elke teil kan eten,
is een echte hond.
Die naast elke knie kan knielen,
heeft een slavenaard.
Slechts een volk van hoge zielen
is der vrijheid gaven waard.
De Noodhoorn (1932)

lied
Een gedicht van J.W.F Werumeus Buning
Eens heb ik rouw gedragen
Om die ik had bemind;
Toen waren al mijn dagen
Tot droevigheid gezind.
Daarna werd mij in dromen
Een helderheid bekend,
En mij werd afgenomen
Al zorgen en ellend.
Al na een duistere avond,
Ter helle middernacht.
Mocht ik een lied vernemen
Dat gaf mij nieuwe kracht.
Ik hoorde een engel blazen
Op zijn kleine trompet;
Ik zag een engel blazen
Op een kleine trompet.
Al in een groenen morgen
Ontwaakte ik, mijn bed
Was tussen bloem en palmen
In helder licht gezet.
En was het wel de morgen?
Ik sluimerde weer in,
Dit slapen zonder zorgen
Was mij een nieuw begin.
En toen ik dan ontwaakte
Vond ik een nieuw gebed
De klank was in mijn oren
Dier hemelse trompet.
Al wat ik u kan zingen,
Het is maar een klein lied.
Wie kleine engelen horen,
Kennen een ander niet.
Ik weet, God zal nog spreken
Met grotere trompet.
De engelen des hemels
Zijn daartoe neergezet.
Maar ik, die de grote trompet niet ken,
Zing met een zalig oor
Naar de kleine trompet wier vreugd ik ken,
En waaraan ik mijn leed verloor.
1926
Dagelijksch Brood (1940)

stad
Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929
Verloren tijd, hoe schoon vind ik u weer,
waar elk herinnren wordt een nieuw verlangen.
o Steden-laan, wat zijn uw meisjes schoon.
Eens was ik jong, en 'k ben niet jong gebleven...
Ik wandel bij de bomen die mijn jeugd
beveiligd hebben en haar jonge liefde.
Water is de adem van een meisjes mond
De stad is heet en droog als een begeerte.
Er is, tussen de dubble glans der laan,
er is een maan, er is een andre maan.
De een is de maan; de andere is gene maan.
Het paard wringt als een zilvren vis. En de ijlte is rood
maar roder zet de galm des voermans de ijlte uit.
Hitte.
Mijn vriend, gij hebt de geur der grote magazijnen.
Zo zijn er meisjes, schraal en met een witte neus.
Leeg schelpje aan nachtlijke ebbe: ik; maar de stad
in duizend dake' als duizend diamanten.
Ik scheer de muren; - als een rechthoek ligt
naast mij mijn schaduw als een vals gedicht.
Menigte, uw geur bijt mijne lippen stuk.
o Menigte, gij doet mijne woorden bloeden.
Waarom te wenen in dit stenen woud?
Gij zult regeren als gij weet te lachen.
Jaag naar huis, o hart: gij vindt er
volle schotelen aan leed.
Stad: eind-punt; vierkant; rust en zekerheid.
'k Zet me op een paal; ik wacht de roep der ijlte.
Substrata (1924)

vreugde
Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928
Onder de gloedende zoen van mijn levenscheppende vreugde ligt de stad;
vreugde in mij, niet om welke oorzaak ook, maar om zich zelf:
zo is elke grote liefde. Mijn vreugde is een absolute liefde.
Dat weet ik: ik ben een schepper die een warme golf over de stad laat varen.
Op schaliedaken ligt maanlicht dol in vreugde, goud-gelukkig.
Ik weet: moest de verzoeking mij op een hoogte brengen
van al de schaliedaken zou ik maanlicht stromen zien:
een ziedende zee van zilveren golven uit licht lopend goud.
Veni Creator van het leven: vreugde om de vreugde!
Voel ik nu niet rusten de lippen van mijn geliefde op mijn mond?
Alles stroomt naar mij toe, - gelijk het maanlicht schept een zee: haar eigen leven, -
nu ben ik een beeld der volle vreugde.
Mijn moeder heeft mij tans bekeken met haar warmste ogen;
nooit was de handdruk van mijn vriend hechter als deze al is mijn vriend ook ver,
en nooit zoende mij zó een geliefde als deze die ik niet ken.
Van de avondlike bomen valt licht vol schittering.
Een koets zou over mijn lichaam kunnen heenrijden,
dit zou mijn vreugde niet even kwetsen.
Mijn vreugde zou gaan en het klingelen der sukkel-belletjes
door het geschal van bazuinen vertalen.
16 februarie 1918
Ik en de stad

vlas
Een gedicht van E.Laurillard 1830-1908
'k Was buiten aan 't dolen. De zomernatuur
Ontplooide haar kracht allerwegen;
En tuinbed en boomgaard en akker en wei, -
't Sprak alles van God en Zijn zegen.
't Was alles zo feest'lijk, zo rijk en zo schoon;
Het rondzien was zuiver genieten,
En deed aan de trillende snaren der ziel
Een zacht Hallelujah ontvlieten.
Ik zag naar de winde, die klom op de heg,
Als dacht ze: „dat mag niet gebeuren,
Dat groei zonder bloem in het land wordt gezien
't Moet alles versierd zijn met kleuren."
Ik zag naar de kelkjes, vol geur en vol zoet,
Waar 't snorrende bijken op aasde;
En 'k staarde op de wei met dat mollige groen,
Waar 't vee tot de knieën in graasde.
Maar, liep zo mijn blik door heel 't landschap in 't rond,
Waar alles in groeide en in gloeide,
Het langst bleef mijn oog op een vlasveld gericht,
Dat lief'lijk al blauwende bloeide.
't Is prachtig, dat reine, dat tedere blauw,
Op 't groen van de stengels gewiegeld;
Verbond bovendien, dat de trouw van de Heer,
Bij 't hopen der mensheid, weerspiegelt.
En waar ooit mijn oog op dat kleurenverbond
Der bloeiende vlashalmen staarde,
naar was 't me, of 'k een stuksken van 't hemels azuur
Gespreid zag op 't groen onzer aarde.
UIT 'S LEVENS ERNST EN KLUCHTEN (1883)

wanneer
Een gedicht van Abraham van Collem 1885-1933
Wanneer het zomer werd sloeg aan mij uit
Het rode harst van dennen in de zonne,
Ik wasemde de dampen uit van kruid,
Waarvan de lente vezels had gesponnen.
Gestadig werd mijn hoofd verheugd met licht,
Ik ruiste zoals windbestoven blaren,
Ik stond gelijk een windzuil opgericht,
Gereed langs hemel, zee en aard te varen.
Ik heb gegeten van de hemelspijs,
Die opgedekt staat aan het ochtendverre,
Ik ging met gouden wolken op de reis,
En zat te kijken van de gele sterren.
Ik ben tot nacht geworden en tot dag,
De maan en sterren heb ik ingenomen,
En bij de schemer die ik wiegen zag,
Vreemde gestalten heb ik aangenomen.
Nu ben ik niets meer en ik los mij op
In deze verzen van doorleefde woorden,
Wellicht hoort gij daarin mijn hartenklop,
En wordt bekoord door wat eens mij bekoorde.
Liederen der Gemeenschap
