Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

overpeinzing

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Overpeinzing na het lezen van Einstein's theorie

I

De drie laatste begrippen in 't heelal,
Die nog vast stonde' in dat donker kristal,
Tijd, ruimte, massa, zijn dat dus niet meer.
Ze zijn beweeglijk en - als alles - teer.

Welk een gedachte! Welk een nieuw geluk!
Welk een bevrijding van een hoge druk!
Welke slagen toegebracht aan een God,
De laatste slag, vernietigende God!

Er is dus in 't heelal niets absoluut.
Een tirannie van één bestaat er niet.
Van enkelen is ook geen heerschappij -
Allen zijn gelijk, slechts 't geheel is vrij.
Maar dit is eindeloos in tijd.....

Welk een steun voor het machtig socialisme,
En voor het gouden eeuwig communisme!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

katknuppelen

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1976

Katknuppelen.
Wel dat's aardig, wel dat's raar...
Roer je knuppels, eêle bazen!
Hoor dat mauwen en dat blazen:
't Is een schone pret, niet waar?
Als de boôm vliegt uit het vat,
Is zij zeker dol, de kat!

Flinke boertjes, jonge maats!
Als ik tóveren kon leren,
Zou ik 't bordje gauw verkeren;
'k Stak jou voor de kat in plaats! -
Vraag je, wat ik wéten wou...
Hoe je 't dàn wel vinden zou?

Fij! het is een boos plezier. -
't Beest is ons tot nut geschapen,
Niet tot spel voor ruwe knapen...
Kom, verlos het arme dier!
Wie een beest zó kwellen kan,
Die wordt een ondeugend man!

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 05:40 Reageer op dit bericht

baardman

Baardman
 
Baardman en baardman
Wat doen die mannen dan?
Dat is een vogelaar en een leerling
Ze hebben samen een ding
Om er opuit te gaan
Ze gaan met een motorhome ergens staan
Waar je vreemde en mooie vogels kan zien
En een bijzondere natuur
Ja, het kijken er naar
Dat geeft een fijn natuuruur
Vogels in allerlei soorten
De één weet er veel van
De ander schrijft erover
Ja, dan zie je de meeste mensen
zijn er niet van ondersteboven
Want menig mens geniet van andere dingen
Maar zulk een natuuropname
is toch iets om van te zingen
Het is heel gewoon maar juist
daardoor bijzonder
Het is één al natuurwonder
 
Geschreven door Dora om 22:54 Reageer op dit bericht

dagen

Dagen
 
De dagen zijn aan het korten
De oogst is hier en daar aan het verrotten
Niet alles is goed gegroeid
De regen heeft veel gewassen
schade aangebracht
Maar de fruitteelt schijnt bijzonder te zijn
Dat is dan voor de fruitteler heel fijn!
Een appeltje voor de dorst
Een peertje voor de vitamine
Een aardbei voor het ijs
Want veel fruit maakt
een zachte prijs!
Peer plaatjes
Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

nacht

Nacht
 
De nacht van de poëzie
Ik weet niet wat ik zie
Ik zie een hele nacht
Waar poëzie wordt gebracht
Poëzie heeft iets te zeggen
Maar kan ik me overal bij neer leggen
Wat zijn er vele schrijvers
Die vol zitten met ijver
Ze plaatsen zich aan een vijver
Het water stroomt voorbij
En een mens is met z’n poëzie blij
Je hebt het uit jezelf kunnen halen
Al die poëtische verhalen
Waar komt het nu echt vandaan
Om met veel gedachten
door het leven te gaan!
Zo geeft de poëzie een
mens een bestaan
Om door met het
leven te gaan!
Geschreven door Dora om 17:55 Reageer op dit bericht

verlangen

Een gedicht van Gerrit C. van 't Hoog 1869-1951

  

VERLANGEN

Er brandt een huis in 't donker van de nacht,
ik zie de vlammen aan de horizon,
en rond het laaiend vuur - losband'ge kracht,
die, niet bewaakt, haar vrijheid weder won,-

zie 'k vele mensen, klein en zwart, bevracht
met luttel water, of dit doven kon
van 't vuur de brede, majestueuze kracht,
waarmee het rossig blank ten hemel klom!

Zo ligt mijn ziel te branden van verlangen,
de vlammen hoog en wild ten hemel stijgend,
als grote, vuur'ge, opwaarts gaande slangen;

en popjens van verstand en rede, hijgend
zich reppen, om wat blussingsvocht te langen....
maar 't vuur verheft zich, machtig groot en zwijgend.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:14 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van  V. de Meyere 1873-1938

LIED.

Zie, mijn liefste, zoet en zacht,
hoe de nacht
't bleke licht van al zijn sterren
levend, bevend, vallen laat
op 't gelaat,
van zó hoog en van zó verre!

Schijnt dees nacht ook eens zo lang
voor wie bang
eigen droefnis uit moet wenen,
wie met liefde 't hart volgiet,
ach, hij ziet
de uren vlieden om zich henen;

en hij houdt de zaligheid,
die de tijd
uit zijn handen zoekt te ontstelen,
dichter aan zijn borst geprangd,
en verlangt
zelfs aan de uren te bevelen!

Zie, mijn lief, 't is of de maan
stil blijft staan,
nu haar licht ons aangezichten,
alsof 't werd een licht-festijn,
meisken rein,
met haar stralen komt verlichten.

Zoveel lichtheid in mijn ziel
flikrend viel
van die lichtheid om ons beiden,
en nog licht en laait de glans
heel en gans,
onverminderd alle zijden!

Lief, ach spreek nu ieder woord,
als 't behoort,
met een lach vol zaligheden!
Ik uw helle woordenval
vangen zal
in mijn ziel, mijn aangebeden!

En daar levend blijven zal
eeuwig al
't blindend goud van uw gedachten,
als een schoonheid, die me viel
in de ziel,
als mijn ziel naar schoonheid smachtte.

Goede nacht en wijk nog niet!
't Liefdelied
is zo ras niet leeggelopen!
Hoor, met nieuwe wonne spuit
zijn geluid,
als met gouden klanken, open.

Ei, reeds komt de dageraad!
Liefste, laat
zachtjes-aan, in 't lichte dagen,
't hoofdje zinken naast mijn hoofd.
Ach, geloof:
groter weelde zal nog dagen!

0, de kussen, die ik vond
op uw mond
en die in mij blijven leven,
zijn beloften voor de nacht,
die ons wacht
met nog schoner, laaier leven!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:37 Reageer op dit bericht

licht

Een gedicht van Karel Scharten 187801950

L1CHT-SPEL1NG.

Het noodweer week, en onderdoor de donkere,
zo dikke wolken-dam, dat de avond scheen
gezonken in de vroege middag, blonk er 'n
reep wit-blakende zonne-hemel heen!

De zacht-gelende lamp lijkt vreemd verlaten
van 't schemeren, waar zij de kern van was;
't wit licht slaat binnen! Zie, hoe bleek zij staat en
sterft in goudig gesmeul en grijzige as.. .

Maar jij, bij dit altaar, jij wordt een wonder,
mijn herelijke vrouw! Is niet je wang
in 't kwijnend gloeien zacht rood-goud, wijl blonder
d'aêr blauwig blankt in 't witte licht-gezang?

Je ogen schijnen, bij die wondere speling
van glanzen, in gelij ke klaarheid uit;
't ziek lamplicht smelt, en in al wijd're streling
zie, hoe de zon je lieve hoofd omsluit!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

Een gedicht van W.L. Penning 1840-1922

Z0MERNACHT.

Waar terzijde
golfjes glijden,
blinken in de starrengloor,
onder over-
hangend lover
zit de guile wijngod vóór.

Guller blonk er
in 't halfdonker
dezer gaarde een teder oog...
Liefde! u schenke
't warm herdenken
't eerste lied na d' eerste toog!

Eenzaam lijden,
saam verblijden,
geurt, gelouterd, lieflijk voort;
wensen wekkend
en ontdekkend
door het fris gezongen woord.

Diep gevoelen,
rein bedoelen,
stijgt, in liedren zonder klacht,
op het fluisterend
medeluisterend
koeltje in luwe zomernacht.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht

de stad

Een gedicht van H.C. Rümke 1893-1967

DE STAD

1.

Uit donkre gang van het station
uit dompe mensenmassa kwam ik in het licht;
daar sloeg de felle zon in mijn gezicht
ik stond er stil en knipte met de ogen…
Daar was het plein, de brede straat met hoge
gebouwen, daar was beweging:
fel door elkander was het woelen
trams en auto’s in koele
schuiving glijden aan
tussen de mensen, die, zich reppend, gaan.

Het was de vreugde om de sterke dag
die ik over de stad en de mensen zag
De blijdschap lag over allen: zij wisten het niet.
De blijdschap was in mij… kend’ ik het verdriet
van de velen die daar gingen?
Zij gingen in het licht; ik zag hen gaan;
dat was genoeg…. In blijdschap bleef ik staan.

2.

De stad verdwaast in ‘t violette licht,
gemsten uit de hooggehangen bollen
is vol tumult van claxons, trams en hollen
van mensen naar ‘t trottoir, schrik op ‘t gezicht
voor schreeuw van auto, die op hen gericht,
heeft scherp haar ogen… Zie hoe vreemd gezwollen
In het ontsteld gelaat der stad... In dolle
driftkamp van leven werd het Zijn ontwricht.

Krankzinnig is de stad, toch groots en prachtig,
het zwaar bewegen in de volle straten,
waar mensen gaan van duister’ angsten drachtig.

Zij voelen om zich wringen, wreed, oerkrachtig,
het onmeedogend leven, dat verwaten,
en donker dreigend, stuwt hen oppermachtig.

De afgelegde weg (1934)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten