Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

sonnet

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

SONNET.

Op 't wilde golven van mijn boezem gaat
de deining van mijn donkere gedachten,
onstuimig zwellend in dees nacht van haat
en razernij, met ongekende krachten,

en stijgerend ten hemel op, al 't kwaad
hem tegenloeiend, dat ze aan mij volbrachten,
al wat mijn ziel met grimmige onmacht slaat
en naamloos leed, dat niemand zal verzachten.

En lijk de storm aan 't toppunt van zijn kracht,
zijn duizend stemmen breekt in ene, éne
oneindge kreet van woede en toch weer zacht

gaat strijken en aan 't strand in kreunend stenen
uitsterven, zink ik neer uit al die kracht,
in hopeloos gebed en machtloos wenen.

schrijver

Geschreven door Dora om 23:28 Reageer op dit bericht

lijden

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Maar daar is Lijden schoner dan de Dood

Maar daar is Lijden schoner dan de Dood, -
Want niet om niet wordt 't mensenhart vertreden,
De brand der zielen is het morgenrood
Waaruit licht-stil zal dagen Hemelvrede.

Des Vaders Strijd en Zijn Vertwijf'ling groot
Wordt in het hart der kind'ren uitgestreden,
Híj wordt verheerlijkt door de Zielen-nood
Der martelaren, die Zíjn Naam beleden.

Gedenk dan, Kind! eer Gij te sterven vraagt,
Dat doden God géén ere kunnen geven,

Maar slechts wie 't Lijden voor den Eeuw'ge draagt,
Die líever U moet zijn dan Dood of Leven,

Daar er een God is, die zelf Lijder heet
En heerlijk Heil zal maken uit Uw Leed.

De Nieuwe Gids, jrg 5 (1890)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:17 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Zomer

Ik zat waar zon op 't warme water scheen
En gele bloemen bloeiden aan de kant;
Het grazend vee ging door de weiden heen,
De zomerlucht hing walmend over 't land.

De wilgen waren zilverbleek en stil
Voor 't stralend blauw, van wolk en nevel vrij;
Een glazenmaker vloog, met lichtgetril
Op 't parelmoerig vleugelgaas, voorbij.

De schuwe vissen, in 't koeldonker diep,
Verschoten snel, of stonden lang op wacht,
Waar d'aarde zich, in beeld, nog schoner schiep,
Dromend de zomerdroom van eigen pracht.

En over 't hooiland, waar een wagen stond
Met vers-groen gras te geuren in de zon,
En verder waar het drachtig korenblond
Met brede golving boog ten horizon,

Tot waar een scheem'rend bos zich flauw verhief,
De wereld wegsmolt in der hemelen gloed,
Dreef mijn gedacht, hoe schoon de dag was, lief
Uw schone ziel verlangend tegemoet.

Illustratie: Een glazenmaker vloog, met lichtgetril Op 't parelmoerig vleugelgaas, voorbij.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:59 Reageer op dit bericht

beproeving

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Beproeving

Helaas! helaas! de wrede smart
Wil zelfs geen dichter sparen-
Dat moest mijn teder vaderhart
Op bitt're wijs ervaren.

Hij, die ons allen heeft gewrocht,
Zo wijs en goedertieren,
Hij heeft ons ditmaal zwaar bezocht;
Ons Jantje lijdt aan klieren.

Ik vreesde 't vroeg, ik zag het lang,
Ik zag zijn halsje zwellen-
En eindelijk kwam de dokter bang
De droeve waarheid spellen.

O, ouders! die dit onheil kent,
Wis zult ge met ons lijden!
Geen poeder of medicament
Komt ons met hoop verblijden.

En voor geen staal of levertraan
Wil nu de kwaal verdwijnen-
Wat hebben wij de Heer misdaan,
Dat Hij dus treft de Zijnen?

Doch neen, ik zwijg eerbiedig stil:
Al moog' mijn harte bloeden,
Ik weet toch, dat des Vaders wil
Steeds alles leidt ten goede.

En gaf hij mij het dichtvuur niet,
En moet ik hem niet danken,
Dat hij mijn smart zich uiten liet
In diep-gevoelde klanken?

Grassprietjes (onder ps. Cornelis Paradijs)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:42 Reageer op dit bericht

onttoverd

Een gedicht van Gerrit C. van 't Hoog 1869-1951

0NTT0VERD

0 vaak nog denk ik aan mijn sprookjeshelden;
hoe menig ridder met een wonder-woord,
dat hem een goede fee in 't bos vertelde,
van 't eenzaam slot heroop'nen kon de poort,
waar ijz'ren boeien schone maagden knelden,
of waar ze sliepen, diep en ongestoord,
totdat er één kwam, die ze weer herstelde
door 't spreken van bet juist' onttoov'ringswoord.

Mijn hart lag in zijn eenzaamheid vergeten
en sliep, totdat een schone fee verscheen,
die 't rechte toverwoordje scheen te weten!

Zacht sprak zij 't uit - de donk're ban verdween,
en, waar 'k in duisternis heb neergezeten,
daar straalt nu witte lichtglans om mij heen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:22 Reageer op dit bericht

studentenvolk

Een gedicht van Albrecht Rodenbacht 1856-1880

  

Het Vlaams studentenvolk.

Hoerah! ’t  Vlaams studentenvolk,
Laat ons zingen,
Wij, Vlaanderens hope, wij Vlaanderens kracht!
Vooruit! en sluit de Gildekringen,
Spijts ‘t wijze volk dat met ons lacht!
Hoerah! ’t Studentenvolk!

De Vlaming stond de Wale na te apen,
Vlaanderens verleden scheen een toverwolk;
Vlaanderen wierd de doodslaap te slapen
Maar dan ontwiek ’t studentenvolk.

Te midden van die jonge Vlaamse zonen
Stond dan een priester en hij sprak en zong
Zong ‘t lied van Vlaanderen in die oude tonen
Zong en zijn lied in d' herte drong.

En sedert dien de jongelingen gingen
t' Hoofd in de lucht ‘omdat ik Vlaming ben’.
Hoor hoe ze leven, hoor de reien zingen;
‘t Oud Vlaamse volk herleeft in hen.

Wij zijn de toekomst, laat ze dan maar greten,
Of spuigen vier, of kroppen hunne spijt;
Wij doen ons beste, willen kerels heten
En hebben dorst naar kamp en strijd.

Broeders, vooruit rondom de Vlaamse vane
Gilde bij gilde, en zingend hand in hand;
Luider dan ‘t kraaien van de Franse hane:
‘Voor God en kerke en ‘t Vlaamse land!’

Hoerah! ’t  Vlaams studentenvolk!
Laat ons zingen,
Wij, Vlaanderens hope, wij Vlaanderens kracht!
Vooruit! en sluit de Gildekringen
Spijts ‘t wijze volk dat met ons lacht!
Hoerah! ’t Studentenvolk!

----------------------------------------------------
wierd - begon
een priester - verwijst naar de grote dichter Guido Gezelle
greten - schimpen

Gedichten (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:25 Reageer op dit bericht

glimworm

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

DE GLIMWORM EN DE PAD

Een fabel

Vonk'lend door het loverduister,
Zelf onkundig van haar luister,
Licht-ster van de klavergrond,
Doolde een glimworm in het rond.
Uit het zwabbrig slijm gekropen,
Stort een pad, met vuil bedropen,
Op die fel gehate schijn
't Onweerstaanbaar moordvenijn.
‘Waarom doodt in arren moede,
Waarom doodt mij uwe woede,
Daar 'k u nooit beledigd had?’
‘Waarom licht gij?" bromt de pad.

Vertalingen en navolgingen in poezy (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:17 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Aan New-York  (7)

Op ons de blaam voor onze schuld!
Op u — de weegschaal is omhuld....
Een wereld, spieglende in uw glansen,
Verrees nog nauw, — alreê vervult
Ge uw roeping door haar 't hoofd te omkransen
Met vrijheids palmen: — dwinglandij
Noch oppermacht gedoogde gij,
Die zelfs de boeien hebt verbroken,
Waarin u winzucht hield gekneld,
En, wat altaren gij doet roken,
Niet langer offers brengt aan 't geld!?
't Was luttel: — overvloed lokk' weelde
En willig drage d' Oceaan
Op 't golvend schuim de blinkende aan,
Gij weert die kanker!? — U bedeelde
De kunst, de kennis die gij viert,
Een zin die slechts 't verheev'ne huldigt!? —
Heel d' aarde is u de les verschuldigd,
Dat menslijkheid ons 't hoogste siert!? —
Te groot voor waanziek zelfverheffen,
Eert ge ook in negers 't beeld van God!? —
Strijk, Trotse! 't rimplend voorhoofd effen,
Oneedle wraak waar' schimp voor spot,
Beschaam ons door ons te overtreffen!

1841

schrijver

Geschreven door Dora om 21:29 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Aan New-York  (6)

Het plegtig zwijgen der woestijn,
Slechts zonnebrand, slechts maneschijn,
Daar gij de volken zaagt verzamen?
Het zou u dragelijker zijn,
Dan of er vreemdelingen kwamen,
En hun Geschied'nis, streng maar koel,
Uw bouwval koos ten rechterstoel!
Niet dat de weegschaal in haar handen
Zou overslaan ter slinkerzij,
Dewijl ge 't volk der Zeven landen
Verguisdet door uw spotternij;
Rechtvaardig zou zij allen horen
En leende wis der bittre klacht
Des Indiaans, door u geslacht,
Ook tegen onze Vaad'ren de oren!
Eenvoude kindren der natuur,
Die argeloos de beker dronken
Aan Hudsons boord hun ingeschonken
Met strelend gif, met vloeiend vuur:
De plaag die 't blanke Europa slaakte,
Die 't rode Amerika ontving
Of een godesse haar genaakte,
Schoon ze uit de schrikb're marteling
Alleen tot dorst en dood ontwaakte!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van E.J. Potgieter  1808-1875

Aan New-York  (5)

Nieuw-Amsterdam! New-York voortaan!
Wij heersten ook op d'oceaan:
De staf is toch van ons geweken.
Uw zon zij nauwlijks opgegaan
En rijze nog — zij zal verbleken!
Al schudt gij ongelovig 't hoofd:
Wat glans die niet wordt uitgedoofd,
Wat licht dat niet werd overschenen?
Carthago viel en Tyrus zonk,
Venetië zag Lisbon wenen,
Toen 't zegelied aan d' Amstel klonk!
De Theems ontwaakte van 't weerschallen,
Hij rees — wij streden, — voor zijn stem
Zweeg de onze, — worstel nu met hem,
Neen, overwin: toch zult gij vallen!
Wat borgen ge in uw wetten koost,
Het wiss'lend lot zal 't anders duiden:
Uw mededingster rijst in 't Zuiden,
Of 't West zwicht voor 't herlevend Oost!
Een wijle nog — van jaren — eeuwen,
Dan hoort, waar 't Fort Oranje was,
Weer 't woud het hert naar water schreeuwen,
En niets, niets scheert uw stille plas,
Niets, dan te met de wiek der meeuwen.

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten