Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

aan

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Aan New-York  (4)

4

Ei! stof niet dat gij nooit voor de aard
Verloochend hebt, wie ge eertijds waart,
Noch roep uw zuster van haar heuv'len;
Laat Albany bij warme haard
Van koetjes en van kalfjes keuv'len,
En stell' zij, met verheugde geest
Een toast in op 't Sint-Niclaas feest:
„Voor Hollands Volk! — voor Hollands Koning!"
Wij weig'ren de aangeboden schaal,
Wij walgen van die eerbetoning,
Van 't ledebraken onzer taal!
Of ge eer uwe afkomst had vergeten,
Dan slechts die hulde in zulk een uur!
Onz' voorzaat strekt karikatuur
Van wie bij u vernuften heten!
Misdeeld van lijf, van geest beroofd,
Zo schetst gij hen in iedre bondel:
Hen, 't volk de harpe waard van Vondel,
Hen, 't volk de veder waard van Hooft!
Ik zoek vergeefs naar één gerechte,
Van Irving af tot Willis toe,
Die aan hun deugd zijn zegel hechte,
Die Stuivesand geen onrecht doe,
Die Evertsen een eerkrans vlechte!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:28 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Aan New-York  (3)

3.

Hoe tuigt het, — daar ge u zelve zoekt!
Onz' naam is maar terloops geboekt,
Voor lof, met laster aangeschreven,
Als had ook ons het volk gevloekt,
Dat gij wreedaardig hebt verdreven!
Gevloekt? Wat zijn de trekken mild
Van 't oud verhaal! ' Hoe lokt ons 't wild
In luwt' van maagdelijke bossen; —
Een ongerepte wereld geeft
Aan elk haar tarwe, aan elk haar trossen,
Aan ieder wat zij weeldrigst heeft; -
Dáár dagen ze op, de Rode Wilden,
Maar brengen kostb're pelterij, —
Onmenselijke! wie dan gij
Stiet ze uit tot zij hun spietsen drilden
Op kind en grijze? — van de reê
Verdrongen, 't West uit wraakzucht blaakten? —
En aarzeling hun graf genaakten,
Hun reuzig graf, de Stille Zee! —
Verbeid hun Grote Geest geduldig
Uw oordeel dáár, wat eisen wij,
Dat uwe erinn'ring Holland huldig?
Een wijl verengelst, werd ge vrij:
Wat zijt ge Europa langer schuldig?

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Aan New-York (2)

2.

Uw schoonste vloed draagt Hudsons naam,
Hij schakelt honderd bergen zaam,
Hij ruist door duizenden valleien:
Welluidendste trompet der faam,
Zoetvloeiend zangrigste aller reien!
En toch, hoe ge onze Vaad'ren hoont
Daar ge u slechts hem erkentlijk toont;
Daar ge u de erinn'ring schijnt te schamen,
Hoe over 't ongetrouwe diep
Onze Amsterdammers met hem kwamen,
Dat Neêrland u in 't aanzijn riep?
De natie die voor gene zwichtte
Toen ze u de rang van dochter schonk;
Toen ze in Europa's ogen blonk
Als vrijgevochtene, als verlichte,
En, - parel van die dubb'le kroon! -
Als vrome, die geen balling weerde,
Hoe ook zijn geest zijn God vereerde;
Neen, allen schuilplaats heeft geboôn,
Tot zelfs die stugge Pelgrimsvaad'ren,
Wier lof uw dichtrenschaar vermeldt,
Wier deugd ge in uw historieblaad'ren
Voor 't nakroost onbereikbaar stelt, -
Wier bloed moest tuigen in uwe aad'ren!

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875

Aan New-York. (1)

1

O ongelijkbre Stedenmaagd!
Wier trots een grootser hulde vraagt
Dan de offers door twee watergoden,
- Het paar dat u zo willig draagt, -
Om strijd en knielende aangeboden;
Hoogmoedige! wier blik niet rust
Op 't lommer van de dubble kust,
Of 't vlak der zaamgevloeide stromen,
Wijl ge uit het blauwende verschiet
De grijze Oceaan hoort komen,
Zijn drietand uwaarts nijgen ziet;
O Handelsbruid der Vrije Staten!
Herinnert ge u, als de avondstond
Uw lieflijk landschap enger rondt,
Uw baai verkleend schijnt en verlaten,
Daar vale scheem'ring 't mastbos huift
Waaruit u 's daags van steng en staggen
Een wemelende rij van vlaggen
De groet der verste volken wuift; -
Gedenkt ge in zulk een uur 't verleden,
Het klene jacht, de klener jol,
Het eerst uwe engten ingegleden;
Schiet dan van dank uw boezem vol
Voor wie u stichtten, Stad der steden?

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

de zee

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

De zee

Moog' hij 't zalig Veld bezingen,
Die de Mei ontwaken zag;
't  Groen der heuvlen zag ontspringen,
Bij haar eerste zegenlach.
In  bepeinzing opgetogen,
Staarden wij van de effen ree:
't   Ongemeten boeide onze ogen -
En ons lied zijt GIJ, 0 ZEE!

Hoe lieflijk is uw rust,
Als de avondstilte uw baren sust;
Het kerend tij uw spiegel nauw doet kroken;
De heldre lamp der maan,
Aan 't blauw gewelf ontstoken,
De visser toeglanst op zijn baan!

Uw ruim verbreedt zich niet,
Waar 't ons geen gouden oogsten biedt,
Van 't weemlig vlak tot in de diepste kolken.
Gij draagt des werelds schat!
Door u is 't heer der volken
Al samen burger te ener stad!

De schare komt, van Zuid en Noorden,
Uw paden langs. Van Nijl en Rijn;
Van Zilvervloeds en Indus boorden;
Bij vredes milde zonneschijn.

Herbouw, breid uit, met feestgezangen,
De muren door hun vlijt bezocht!
Ach, vrede, vrede leidt hun gangen,
En blijde welvaart sluit die tocht!

De schare komt, van Zuid en Noorden,
Ter haven in; van Nijl en Rijn;
Van Zilvervloeds en Indus boorden;
Bij vredes milde zonneschijn!

Laat hun dank de Redder prijzen,
Die de orkanen bond!

Wiens sterke hand de kiel deed rijzen,
Boven bank en slibbergrond.

Laat hun dank de Redder prijzen!
Menig zag het land verrijzen,
Waar zijn lijk slechts berging vond.

Hoor, het murmelt luider in de touwen,
En al woester zwalpt het toornig meer.
De oever, straks zo lieflijk aan te schouwen,
Kaatst de golfslag onheilspellend weer.

Terug, vermeetlen! In de branding loert
De Dood, van 't steil der klippen. Boven haar
Ontvlamt de donderwolk. Terug!
Eilaas,
Reeds huilt de stormwind; de oceaan verheft
Zijn waatren, met gebulder; duisternis
Omhult het diep; het raatlend zwerk verdooft
Des scheeplings angstgejammer; toomloos vliegt
De kiel ten hemel; schiet ten afgrond neer;
Botst krakend tegen 't rif; en is niet meer!

Der Tijden Jeugd zag dus zich 't oproer paren
Van wolken en van baren:
Vergeefs stond duin naast duin geplant;
De Zee, haar grenzen uitgevaren,
Verzwolg ze, en scheurde 't effen land;
En 't rotsig Hoog werd langs haar baan ten strand.

Getuige er van dat woelig Breed,
Dat Neêrland scheidt van Albion:
Het perk, waarin DE RUYTER streed;
De moed van TROMP laurieren won;
En ZOUTMANS glorie blijken deed,
Dat rust ons niet verbastren kon.

Bedwing een kracht die met vernieling dreigt,
o Zee! Blijf staag beschermend ons geneigd.
In uw kring wijke, al teistert Twist het LAND,
De scepter nooit uit Eendrachts rechterhand.
Onschendbaar zweev', zo ver uw palen staan,
De Mastbanier van Neêrland af en aan;
En 't heilig erfgoed van haar eer
Behoev' geen wreker meer.

-------------------------------------------
Zilvervloed - De Rio de la Plata, in Amerika

Zangstukken

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

redepronkers

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

REDEPRONKERS

Minder verfoeilijk
is de schurk in lage doen
dan wie schurkachtigheid verbergen
achter hoge rang en schone schijn.
Met redepronk te schitteren
valt hun niet zo moeilijk
als eerlijk mens te zijn.

De Noodhoorn (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

kijken

Zomaar een gedicht over vriendelijkheid en racisme

Kijken
 
Hoe kijkt u naar mensen?
Blank, zwart of getint
Je weet niet wie of welk mens je zint
Het innerlijk zit verborgen
Geen mens laat zomaar zijn binnenste zien!
Maar ik kwam een blanke jongeman tegen
Hij liet zijn hond uit
En hij lachte naar mij breeduit
En het rare was
Dat het me wat deed!
Het gaf een gevoel van innerlijke verbondenheid
Nou zeg, dat kan toch zomaar niet!
Nee, dat weet ik ook wel
Maar wie zo vriendelijk kan lachen
Die kom je nog maar weinig tegen
De meeste mensen leven in hun eigen wereld
En deze man was niet introvert
En als je daar op hebt gelet
Dan zijn er bij elke kleur of ras
Mensen met zo'n goed bedoelde lach!
Dus al die praat over racisme
Dat moet eens snel verdwijnen
Want wie zijn de chagrijnen
Dat zijn de mensen zonder God
Die leven met geen innerlijk genot
Die zijn vaak door het verderf al verrot!
 
 
Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

Een gedicht van W.J. Van Zeggelen 1811-1879

 

Mode.

Een fee, die opwelt uit de vloed
Van wulpse zotternijen;
Een dwinglandes, die aan haar voet
De wereld neer doet vlijen.
Een zonderling vernuftig dier,
Dat nooit zich zelve rust geeft,
Vorstin en tevens kamenier,
Die in caprices lust heeft.
Een plaaggeest en een vleieres,
Met rozen op de wangen;
Een dartel ding - een oude bes,
Al naar de bordjes hangen.
Een pijnigster van lijf en leên,
Een bron van vele kwalen,
Een engel vol lieftalligheên,
Een zon met tal van stralen.
Een wicht, dat met de Franse slag
Van 't oude nieuw kan maken;
Een geldwolvin, die 't wee en ach
Door duizenden doet slaken.
Een rapsodie van grol en gril,
Die smaak en wansmaak duldde,
Die slaven ketent aan haar wil
En nijvre handen vulde.
Een kind, dat slechts op 't morgen denkt
En 't gisteren belachte;
Een gast, die moeder zorgen schenkt
En vaders zucht verachtte.

Maar - 't helpt wat of een oude pruik
Zich zet om 't ding te veetren.
Want och, ook ik loop in de fuik, -
Kan ik de boel verbeetren!?

1853.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:19 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Geerten Gossaert 1884-1958 

Hymne aan de stilte

I

Weer, stijgend door de koele nacht
De bergen op ter eenzaamheid,
Omgordt mij de geheime macht
Die mij tot Uw gemeenschap wijdt;
Der mensen woningen ontvlucht
En hunner woorden vreemd gerucht,
Ver van hun liefde en hunne haat
Tot Ú mijn hoog vertrek en toeverlaat.

II

Van ijdel minnen en de waan
Der roembegeergen zijt Ge vrij;
Noch leert Ge in de wegen gaan
Waart 't Hart der Harten de waardij
Niet kent van 't Zelf, bedeesd en vreemd
Maar om 't bezit van andren teemt,
Waar handen grijpen naar 't gemis
Des harten, van zich zelve ongewis.

III

De lach der lippen zal vergaan
Verdoven eens der ogen gloed;
En hoe zou 't woord van trouw bestaan
Tenzij-dan dat het Ú gemoet
O Stilte, die in Leed en Strijd
Uit 't aardse onze harten wijdt
En voert ons zwijgend naar het land
Waar 't onverganklijke het wijken bant.

IV

Zo kom -: mijn enige begeert
Is schoon te zijn en rein van hart;
O red mij, want mijn ziel verteert
Van Uwe weedom en de smart
Om dwaling als een-elk belaagt
Die door der mensen volte draagt
Wat hunne harten niet bekoort:
Het zuiver goud, dat u alleen behoort.

V

Vergeef mij, zo ik, diep verblind,
Eens Uw eburne schoonheid schond;
Sinds zwierf ik rusteloos gezind
De wereld door, tot ik hervond
Mijzelf in U, aanbad en zei:
O Smetteloze leid Gij mij
En sterk mij, wonend waar ik woon,
Uw knecht, Uw vriend, Uw veelgeliefde zoon!

De Beweging, jrg 2 (1906)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

aanvang

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

TEN AANVANG.

De lucht was vol van zilverglansen,
      Vol rode tulpen 't groenend gras;
      De aloude dom liet vrolijk dansen
      Zijn klokken, daar 't de Meimaand was.

      En waar ik ieder blad zag groenen,
      Ontbloeid der bloemen blij gezicht,
      En later achter de plantsoenen
      Met elke dag het avondlicht;

      De stad met feestlijke geluiden,
      De vogels in de' ontloken boom,
      Doortoog, als in het wit der bruiden,
      Mijn ziel haar schoonste levensdroom.

      En drinkend met de zaal'ge zinnen
      Des levens reinste en hoogste vreugd,
      Trad ik het schone leven binnen:
      Het werelds paradijs der jeugd.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:36 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten