Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

libera

Een gedicht van Geerten Gossaert 1884-1958

LIBERA NOS, DOMINE!

De wind woei om het eenzaam huis
In 't laatste avonduur;
Toen lichtte een vreemde de klink der deur
En zat bij 't open vuur.


Ik dierf niet vragen wie hij was
En hij gaf teken noch taal;
En ik noodde hem niet, maar hij zat aan
Naast mij aan 't avondmaal.


Mijn lippen trilden en in mijn hart
Laaide hittige haat;
Maar hij glimlachte en hief tot mij
Zijn bitterschoon gelaat.


En 'k sprak en zei: Ik ken u niet!
Wat, aan mijn haard, zoekt gij?
Doch hij antwoordde niet, maar hief zijn hand
En brak het brood met mij.


En ik herkende ...; 's morgens vroeg
Is hij weer heengegaan...
Maar 't laatste van dit bitter lied
Zal God alléén verstaan.


-----------------------------------------
-----------------------------------------
Libera nos, Domine - Bevrijd ons, Heer

Experimenten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

vogels

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

VOGELS.

Zij gunnen mij gaarne 't geheim hunner tale,
De roodborst zijn snoeren van bloedkoralen,
De merel haar zang als betinkte bokalen,
En vinken hun klink-slag op eedle metalen.

De duif doet de zoetheid van 't troostende kirren
Zacht druipen om voorhoofd en lippen als mirre,
De nachtegaal roert door haar smachten tot tranen,
En hel schalt de wekroep der vlammende hanen.

Ik heb slechts die tonen in ritmen te schikken,
Dit blinkende kwarts tot briljanten te bikken;
Maar ach, hij is stémloos die mij moet vertolken,
De sperwer, de sterke, die vonk in de wolken.

Her scheppingen (Bekentenissen) (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

lenteliedje

Een gedicht van G.H.J.E. Boswel 1830-1874

LENTELIEDJE

Daar zweeft de lieve Lente weer
Bezielend door de dreven;
Zij daalt als uit de hemel neer
En roept weer de aard ten leven;
Zij tooit alom de dorre baan
Met bloemen en met kruiden,
En waait van uit het zuiden
Ons zoete geuren aan.

"Daar komt de lieve Lente weer!"
Zo juichen veld en akker;
Ze is gul en vriendelijk als weleer
En zingt de vooglen wakker.
De Lente is daar! de liefde kweelt!
De schepping lacht ons tegen1
De hemel drupt van zegen,
Die hart en zinnen streelt!

Daar zweeft de lieve Lente weer
Bezielend door de dreven;
Het zaad viel om te sterven neer,
Riep zij het niet in leven.
Zij strooit de bloesems op 't geboomt,
Zij kust de knoppen open...
En doet weer vaster hopen
Waar stil de ziel van droomt.

In één bandje, M. J. Visser, 's-Gravenhage(1863)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

de bie

Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

 

De bie en de roos.

Een bietje vloog een roosje toe:
‘Lief bloemtje, kijk eens: blij te moe
Snel ik naar u op lichte vlerk,
Opdat ik aan mijn honig werk.’

‘Wees welkom, bietje, sprak de bloem;
Uw vlijt verdient, dat elk haar roem'.
Put uit mijn schoot al wat ge kunt:
Het is van harte u vergund.’

En zie, voor 't einde van de dag
Viel 't roosje neer; maar, als 't daar lag,
Herdacht het stil de honigschat,
Eens in haar geurge schoot bevat,
Die mogelijk in ziekte en pijn
De mens tot laafnis zoude zijn.

Gedichtjes voor kinderen (1849)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 1 reactie Reageer op dit bericht

trek-os

Een gedicht van Jacob Winkler Prins 1849-1907

 

TREK-OS

Uit koele kalme schaduw van het bos,
Treedt langzaam-aan kopschuddend-schomlend, de os;

Treedt op het blinkend zandpad, dat gevlekt
Met tak- en bladeren-schauw, is overdekt

Van brandend zonlicht, zomer-zon-gegloor
De hele dag, van vroeg tot 's avonds, door.

Hij keert naar stal en ziet het open hek...
Een korte ruk aan 't leidzeel... Uit zijn bek

Valt vlokkig schuim, en eensklaps staat hij pal,
De voerman roept... Daar zijn de kindren al!

Ze klimmen naast hem, allen rood en ros,
Op 't kleine bankje, naast hem met geklos.

Dan weer een rukje aan 't leidzeel rond de bek
En langzaam-aan gaat 't weer vooruit, trek, trek.

Gedichten. Verzameld en van een inleiding voorzien door Joannes Reddingius. Amsterdam,z.j.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:55 Reageer op dit bericht

graf

Een gedicht van Gerrit ten Bruggecate 1803-1858

Bij het graf mijns vaders.

Dierbre vader! met een bloedend harte
Ging ik u geleiden naar het graf,
En de traan der kinderlijke smarte
Gleed mij telkens van de wangen af;
't Viel mij bang, toen ik de kist zag zinken,
Die uw stoflijk overschot bewaart,
En de doffe nagalm hoorde klinken
Van de daarop neergeworpen aard'.

Nimmer, dacht ik, ziet mijn oog hem weder,
Die mijn steun, mijn leven was en vreugd;
Hem, wiens liefde steeds zo trouw en teder
Voor mij waakte sinds mijne eerste jeugd;
Die zo gaarne 's levens moeite en zorgen
Torste, indien dit mij verlichten mocht,
En steeds rustloos, van de vroege morgen
Tot de avond, mijn genoegen zocht;

Die me als knaapje 't kwaad reeds leerde vlieden,
Mij als jongling op de Heiland wees,
En 't genot, dat deugd en godsvrucht bieden,
Uit ervaring dikwerf roerend prees;
Die, de knieën in het stof gebogen,
Daar hij de ogen biddend opwaarts sloeg,
Menigmaal de Vader in den hogen
Ook voor mij om zijne zegen vroeg.

Zo zo dacht ik, onvergeetbre vader!
Toen uw stof in 't donker graf verzwond;
En wanneer ik uwe rustplaats nader,
Voel ik steeds, wat band mij aan u bond:
Nauwer nog dan door het bloed verenigd,
Waart ge mij de trouwste vriend op aard'!
Wat dan is er, dat mijn droefheid lenigt,
Zo mijn oog op uwe groeve staart?

Maar aan Hem, die ge als Gods Zoon gehuldigd
En zo vurig steeds hebt lief gehad,
Is ons hart de dierbre leer verschuldigd,
Die in 't leed den besten troost bevat:
Onze blik mag eindloos verder zweven
Dan het graf, waarop hij is gericht;
Jezus toch, de Heer van dood en leven,
Bracht de blijde onsterflijkheid aan 't licht.

Moge ons hart dan om uw afzijn rouwen,
Zitten wij in weemoed neer en druk,
Uw geloof verwisselde in aanschouwen;
Uwe hoop in storeloos geluk;
Nu, van allen last der aarde ontheven,
En verlost van zonde, ziekte en pijn,
Looft gij Hem, die, door dit wisslend leven,
Steeds zo trouw uw Leidsman wilde zijn.

Nu hervindt gij ze in des hemels gaarde,
Al de dierbren hier door u betreurd;
Ook de brave vrouwe, die mij baarde,
Ons, helaas! zo vroeg van 't hart gescheurd
Nu, nu stemt gij met haar in de koren,
Die het lied ter eer van 's Vaders Zoon
Door het ruim der hemelen doen horen,
Neergeknield voor 's Allerhoogste troon.

Zouden dan, bedrukte weduwvrouwe!
Die voor mij de beste moeder zijt,
Immer aan die diepgevoelde rouwe
De ons geschonkene uren zijn gewijd?
Zouden wij de dierbren steeds betreuren,
Of ons gene hope bleef op aard'?
Neen! wij willen 't hoofd weer opwaarts beuren,
Schoon ons oog op zijne groeve staart.

Neen! wij willen (moge God dit geven!)
't Voetspoor drukken, hier door hem betreèn,
En naar deugd en reine godsvrucht streven,
Zo als dit de dierbre deed voorheen.
Eenmaal toch vliedt zorg en smart daarhenen,
En de baan des levens loopt ten end';
Dan zal God ons daar met hem herenen,
Waar men rouw noch bange scheiding kent.

Almelo, december 1840.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

kus

Een gedicht van Willem Bilderijk 1756-1831

DE WARE KUS

Voorzeker, ’t is een teedre lust,
Wanneer men ’t blozend roosjen kust
Op lieve maagdenwangen!
Voorzeker, ’t is een dierbaar pand,
Een lieve Maagdelijke hand
Met lip en mond te prangen!
En ’t kusjen is verrukkend zoet,
Wanneer ge ’t stookvuur van uw gloed
Op ’t tintlend oog moogt wreken;
Of als men op een schone borst
Een wederzijdse minnedorst
Met kussen aan mag steken!
Maar kus of borst, of hand, of oog,
Of wat men immer kussen moog,
De kus is zonder leven:
De mond, de lieve mond alleen,
Heeft kusjens in vol zaligheên,
En weet ze weer te geven.

Die zoete balsem der Natuur,
Die 't blaakrend wee van 't minnevuur
zo strelend kan verzoeten
Die puurt men op de lieve mond;
Daar kust zich ’t kwijnend hart gezond,
En mag zijn honger boeten.
De mond, de toegang tot het hart,
Is de echte tolk der boezemsmart,
De troon der mingenuchten‚
Daar kleeft, daar mengt een minnend paar
Hun beider zielen aan elkaar,
In wellustvolle zuchten.
Daar drinkt ene onverzaadbre min
Het levende genoegen in,
Met onuitputbre togen.
Daar wordt in elke ademtocht
Een nieuwe zaligheid gewrocht,
En brandende ingezogen.

Dan vliegen, onbeschrijflijk teer,
De vlugge geesten heen en weer
Tot d'oorsprong van het leven:
Verdubblen, door hun zacht gewoel,
De schokken van  het fijnst gevoel,
En doen de boezem beven.
Dan hijgen op der lippen boord,
In hete kussen halfgesmoord,
De vlotgeworden zielen:
Dan smelten, vlieten ze onder één,
In de onbeschrijfbre zalgheên.
Waarvan de kusjens krielen.
Dan, overzaadlijk moegekust
In de overstelping van de lust,
En van de weelde dronken,
Bezwijmen ze, in de machtloosheid,
Die de allerhoogste lust verbeidt,
Amechtig weggezonken!

O, Ongelijkbre Minnegod!
Zeg, is er tederer genot
In uw geheimste schatten? —
Gij grimlacht! - O hoe zalig dan,
Die slechts het minste deel daar van
Naar waarde kan bevatten!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht

toneel

Een gedicht van Joost van den Vondel 1587-1679

OP  HET  TONEEL

De wereld is een speeltoneel,
Elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel.

1638, Gysbreght van Aemstel(1637)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:17 Reageer op dit bericht

winde

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

DE  WILDE  WIND

Door ‘t haaghout raamt
     de wilde wind,
          verblind,
zijn reuzensprongen:
     en al dat ooit
     hem tegenstaat
          verlaat
hij, losgewrongen.

     Gebogen hier,
     gebroken daar,
          malkaar
de bomen schenden;
     die, scheurende uit
     de gronde, huis
          en thuis
de gruw inzenden.

Nu maalt hij hout
     en stof en steen
          dooreen,
en roert daaronder,
     met gramme, en al
     te hol, te dol
          gegrol,
zijn stemmendonder.

Hij steent gelijk
een stier, die raast
          en blaast;
die, al ten bloede,
     zijn hoornen in
     de bomen steekt,
          en breekt,
van louter woede.

     Hoe schommelt en
     hoe rommelt hij,
          voorbij
de bos, gebezen!...
     Wie durft er, als
     zo'n wilde wind
          begint
onwaakzaam wezen?

-------------------------------------------------------
bijzen (bees, gebezen)- schommelen, stormen, vliegen

Rijmsnoer I (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:04 Reageer op dit bericht

morgens vroeg

Een gedicht van Jan van Brabant 1253-1294

EENS  MEIENS MORGENS  VROEG

Eens meiens morgens vroeg
was ik opgestaan,
In een schoon boomgaardekijn
zoud' ik spelen gaan.
Daar vond ik drie jonkvrouwen staan.
d'Ene zong vore, d'ander zong na:
Harba lori fa,
Harba, harba lori fa,
Harba lori fa.

Toen ik verzag dat schone kruid
in de boomgaardekijn,
End' ik verhoorde dat zoete geluid
van de mageden fijn,
Toen verblijdde dat herte mijn
Dat ik moeste zingen na:
Harba lori fa,
Harba, harba lori fa,
Harba lori fa. 

Toen groette ik die allerschoonste
die daar onder stond,
Ik liet mijn armen al omme gaan
ter zelfder stond.
Ik woude ze kussen aan hare mond.
Ze sprak: 'laat staan, laat staan'!
Harba lori fa,
Harba, harba lori fa,
Harba lori fa.

Geschreven door Dora om 20:00 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten