Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

schepnet

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

Het schepnet.

'k Zal met ijver
Uit deez' vijver,
- Lieve Jet!
Naar verlangen
Visjes vangen
In dit net.

'k Zal naar snoeken
Wel niet zoeken,
Mij te sterk.
Spichtige alen
Op te halen
Is mijn werk.

'k Vang ook blijën,
En, bij tijën,
Zelfs een baars.
Vorens mede
Hier ter stede,
Zijn niet schaars.

Zie hen woelen
En krioelen
In de plas.
Maar hun dartlen
En hun spartlen
Stoor ik ras.

Blijf maar kijken!
't Zal u blijken,
Wat ik doe.
Klaar is 't netje;
Kom nu, Jetje!
En zie toe.

Nachtegaaltje (1851)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

arm

Een gedicht van Antoinette Kleijn-Ockerse 1762-1828

Mijn arm is jong; nog blank mijn Zwaard

Mijn arm is jong; nog blank mijn Zwaard;
Nooit zag mijn oog dit veld; -
'k Besteeg geen briesend oorlogspaard;
Mijn vuist doorsloeg geen Held.

Toch is mijn boezem fier en sterk,
Mijn hart als Batoos hart!
Vlug is mijn blik als 't morgenzwerk,
Ze vlammend als mijn hart -

Bathilde gorde mij ten slag!
Haar hand schonk mij dit paard,
'k Sla, haar ter eer, mijn eerste slag,
Dit zweer ik, bij mijn zwaard.

Mijn hart smacht, met verhitte dorst,
Naar het roemrijk oorlogsveld!
'k Omhelze nooit Bathildes borst
Dan als een Hollands Held! -

Neen nooit! vaarwel Bathilde! ik zweer
Dit zij mijn Huwlijkspand,
'k Omhelze u, als verwinnaar, weer;
Of sterf voor u en 't Land! –

Krygsliederen van Mr. J.F. Kleyn en Vrouwe A. Kleyn gebooren Ockerse

 

 

Geschreven door Dora om 21:35 Reageer op dit bericht

dodenherdenking

Stilstaan
 
We stonden stil
Bij een algemene wil
Om de gevallen doden
te herdenken
Het mocht en mag nimmer
meer gebeuren
Dat is wat je ziet
Als ze je zijn aan het verscheuren
De mens kent niet meer de ernst
De kinderen krijgen geen geschiedenis meer
En over gaat al het oude zeer
Maar als je een levenlang bent geconfronteerd
Met oorlogen in het klein en in het groot
Dan werp je veel huichelarij in de sloot
Want soms is het een gezellig samenzijn
Ook al zie je ernstige gezichten
Vele mensen zijn dagelijks de
samenleving aan het ontwrichten
Men is meer bezig met de driften
Van eigen denken
Dan een ander te gedenken!
Ja, wat zal dit alles schenken!
Waar oud en jong bij elkaar waren te gedenken
Ieder heeft zijn eigen verhaal
De één op kleine en de ander op grote schaal
Maar het is nimmer uit dat onmenselijk verhaal
Juist met speciale dagen
Voel je het weer…
De naweeën van die vreselijke dagen…
Bloemen plaatjes
 
Geschreven door Dora om 22:08 Reageer op dit bericht

ontroering

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

 Tintelende ontroering

Tintelende ontroering
zich zelf genoeg,
en met de volontloken wangen
en met de forse wrong der haren
met het hoofd aangeleund
stond zij zwaar, zwart;
rijke rozenbottels
oranje en rood,
schat bij schat,
o de (weet je nog) barstten,
bloemenknoppen des harten,
het ongekreukte bloemenblad
lag in onze hand

Schetsen en fragmenten (Verzamelde verzen 1935)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

blijlied

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

BLIJLIED

Is mijn Vlaandren oud of jong?
Jong of oud?
Toen mijn hart dit blijlied zong
Hing de lucht vol goud.

Al de bomen sloegen groen,
Groen en blank,
En mijn hart, om mee te doen,
Gaf zijn beste klank.

Al de vogels schalden wild,
Wild en rein,
En mijn harte, zondoortrild,
Was een klaar fontein.

Is mijn Vlaandren jong of oud?
Allebei.
Zo wie daar aan twijflen zoud'
Twijfelt aan de Mei;

Twijfelt aan de dag die ruist,
Zwaar van licht,
Twijfelt aan de moed die bruist,
Twijfelt aan de plicht.

Vlaandren leeft, Vlaandren groeit,
Schoon door pijn;
En mijn hart, dat breekt en bloeit,
Moet in Vlaandren zijn.

De Noordhoorn (1940)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:29 Reageer op dit bericht

le pont

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

Le pont de Caulaincourt.

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven het vergaan verleden
stuwt en stijgt het hijgend heden,
boven het gefluisterd Amen,
vlamt de pakkende reclame,
boven 't somber R.I.P.
waarschuwt luid: ‘Si vous toussez....’

't Leven spreidt zijn vleugels wijd
boven dood en eeuwigheid,
spant in vergetrokken togen
zijn versteende brede bogen
tot een veld van koorts'ge strijd;
tussen plecht'ge marmerzerken
zuilen zwaar de zwarte werken,
die het volle leven dragen,
over doden heengeslagen.

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven het Memento Mori
juicht de dag in volle glorie,
tussen zware wagenvrachten
jagen mensen, joelen, jachten,
snorren taxis, toet'ren, tett'ren,
zoemen stemmen, schreeuwen, schett'ren,
logge camions dond'ren, bonken,
monden lachen, ogen lonken,
wielen went'len, knarsen, kreunen,
autobussen dav'ren, dreunen;
in één jacht, één drift gedreven
bruist en kookt het lillend leven;
in de branding opgenomen
van één stroom en tegenstromen
van een durend af en aan
blijft de drom van mensen gaan.

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven weidse sepulturen
slaat de zweepslag van de uren,
boven vroom geknielde liên,
walmt de wierook - de benzien!

O, de dood is zoet in 't g'loven
aan 't bestaan van een: hierboven,
want een ‘boven’ is gegeven,
want hierboven is het leven
vol mysterie, heil en hoop
in 'de grootste' bioscoop,
die, als eind'lijk nacht gaat dekken,
nog de doden tracht te wekken
met zijn kleurdoorvonkte banen
van elektrische reclame,
vol van zon en duizend sterren:
‘Changement de Propriétaire!’

Paardenpoten trapp'len, draven
boven graven, boven graven,
boven heil'ge eeuwigheid
lalt en bralt de nieuwe tijd,
strijdt en stuwt het kermend heden,
met zijn vloek en zijn gebeden,
met, als laatste elegie:
‘L'au-delà?’ - ‘Oui, mais Ribby....!’

Parijsche Verzen ((1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

apentroost

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Apentroost.

Een aap had met veel zorg en zwier
Als pronker zich gekleed;
‘Nu schijn ik,’ sprak hij, ‘toch geen aap
Voor iemand die 't niet weet.’

Hij pakt met moed het spiegelglas
Met beide poten op:
Maar hoe hij kijkt - hij ziet nog steeds
De oude apenkop.

Hij draait de spiegel links en rechts,
‘'k Ben netjes!’ sprak de knaap,
‘Mijn frak valt mooi, mijn broek zit strak,
Maar 'k ben en blijf - een aap.’

Hij 's dol, hoe hij zich keert of wendt,
Toch ziet hij d' apensnoet,
Hij rukt de spiegel van de muur
En trapt die met de voet.

Maar hij bezint zich dra en roept:
‘'t Kon erger, naar ik meen,
'k Zie mijn gelijken overal,
'k Ben nergens ooit alleen.’


Een Duitser nageaapt.

Gedichten (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

slapeloos

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

Slapeloos

Hij komt met geruisloze vleugelslag aan,
De donkerlokkige knaap,
Hij staart met zijn peinzende ogen mij aan,
De dromen-brengende Slaap.

Hij vouwt om mijn peluw zijn wieken wijd
Met loom gebogene lijn
En over mijn voorhoofd zijn adem verglijdt
In schaduw van maneschijn.

Dan aan mijn legerstee zet hij zich neer,
Het hoofd in de handen geleund,
En nokkende preevlend zuchten teer,
Hebben zijn lippen gekreund:

‘Gedreven van wereld-tot-wereldkust
Door de ogen der dagende Dag,
Ik voer met mij mede verdoving en rust
In eindeloos zelfbeklag.

Ach, waarom liet ik mijn broeder alleen,
Mijn tweelingbroeder de Dood,
Sluimeren wilde ik gaan tot hem heen,
Sluimeren zoet in zijn schoot.’

Zo weent hij en hult met wanhopig gebaar,
Met angstig vertrokkene mond,
Het vochte gelaat zich in 't ravenzwart haar,
Dat om zijn handen zich rondt.

Tot plotseling hij rijst, als door furiën gejaagd
Zie ik hem omziende staan,
Wijl diep in het Oosten de morgen daagt,
De ochtend in 't kleed van saffraan.

Als iemand die schrik overmande, hij staat,
Rillend van vleugelen licht,
Doch eer hij verruist en verder weer gaat,
Drukt hij de oogleên mij dicht.



1884

Gedichten (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:37 Reageer op dit bericht

optimisten

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

Voor de optimisten

Gij weet het grote nieuws, en, hoe door ’t nieuwe licht
Van Theologen, Filosofen, Economen
En andre Omen,
Nu eerlang hier op aard de Hemel wordt gesticht? –
Geduld maar, hongrig hart en hongerige magen!
’t Duurt nog een grote veertien dagen.

Leekedichtjes

schrijver

Geschreven door Dora om 13:33 Reageer op dit bericht

wingerd

Een gedicht van Willem de Merode 1997-1939

De wilde wingerd

Een krank en schamel hout,
Het minste van het woud,
Door iedre wind geslingerd,
Reikte ik mijn ranken uit,
Weerstaan, maar nooit gestuit,
Een dorre wilde wingerd.

Geen mens die naar mij zag.
Al waar ik kroop of lag,
Mijn groen ging alles dekken.
Tot in dit woest revier
De goede hovenier
Mij wijs kwam stekken!

Hij plantte me in zijn tuin,
Leidde, dan recht, dan schuin,
Mijn loot de muren over.
Nu siert zijn hoge huis
Rondom met zwaar geruis
Een vloed van bloedend lover.

Al ben 'k verminkt en krom,
Hij wist hoe onder 't mom
Van dorheid 't hart versmachtte.
Nu hij mij kwekend nam,
Verlicht ik met mijn vlam
De dagen en de nachten.

Het heilig licht (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:29 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten