Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Archief

hond

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

Wat mijn hond heeft

't Fijnste neusje heeft mijn hond,
't Liefste snuitje heeft mijn Truitje,
Steekt het als een ijdeltuitje
In de lucht bij wind of buitje;
't Liefste snuitje heeft mijn Truitje,
't Fijnste neusje heeft mijn hond.

Mooie ogen heeft mijn hond,
Warme ogen, trouwe ogen,
Ogen die er wezen mogen,
Nooit wat hebben voorgelogen,
Warme ogen, trouwe ogen,
Mooie ogen heeft mijn hond.

'n Gouden hartje heeft mijn hond,
Ieder mag hem dolgraag lij'en,
Tussenbeide kan hij vleien,
Hij kan lachen, hij kan schreien,
Ieder mag hem dolgraag lij'en,
'n Gouden hartje heeft mijn hond.

Kindergedichten (1914)

Geschreven door Dora om 22:07 1 reactie Reageer op dit bericht

geboortestad

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

Geboortestad

Is dit mijn stad? De welvaart is voorbij,
De schepen liggen rottend in de haven
En door het touwwerk vliegen zwarte raven:
Het is gedaan met vloot en visserij.
Waar is het volk van dit verlopen tij?
Men zag het vroeger langs de kaden draven,
Het is vergeten nu of reeds begraven,
Prooi van zijn laatst, onheelbaar averij.
Voorgoed gedaan? Vergeefs gekalefaterd?
Daar ligt een schip, waarop ‘Vertrouwen’ staat,
Ik zie een jongen, turend over 't water.
Vertrouw, mijn stad: nòg stroomt de Maas voorbij
En dit is sterker dan uw averij:
De trek naar zee, een jongensdroom voor later.

Geuzenliedboek 1940-1945

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

vliegmachine

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

De vliegmachine

De aarde spant zich om hem uit te stoten,
de roekeloze, die haar greep ontsprong
en zich naar hare rondste toppen wrong,
waar 't wonder hem der luchten wordt ontsloten –

Want vorsing loert in zijn gedoken sprong
en heersen ligt in zijne wil besloten;
hij proeft de kansen om zich af te stoten
aan harde lucht, waardoor zijn schroefslag zong.

Reeds houden vleugels voeling met de trans
en, ongeschonden heerser in de ruimte
drijft hij, een glimlach van onkwetsbaarheid –

Bewegend evenwicht in eindeloosheid,
metalen rustkern in gespleten ruimte,
gebeiteld mensmerk aan gespannen trans!

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

schemering

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Schemering in 't woud

                  Hier moet ik peinzend gaan en stil, -
         het afgeleefde loof kwijnt aan de twijgen,
         ik voel de lome schemer stijgen -
         en stijgen, stil.

         Wat glanst het bleke Westen koud!
         een matte lach uit droeve wolkenbrauwen
         doet flauw de teed're nevel blauwen
         in 't gélend woud. -

         Ik zie de bleke stervenswenk.
         Ik voel het doffe duister in mij dringen
         en verre stemmen hoor ik zingen
         al wat ik denk. -

         Waar zijt ge, Dood? - zo gij rondom
         op wieken van de schemering komt rijzen,
         nu doet uw nadering niet ijzen, -
         ik wacht u - kom!

Geschreven door Dora om 17:13 Reageer op dit bericht

kindje

Een gedicht van  Helene Swarth 1859-1941

Als 't kindje komen zal

Loom laat zij vallen 't hemdje vlinderlicht -
En dromig ziet ze, aan morgenblauwe trans,
Met wapperlokken zweven rond een krans
Van engelkopjes, blond en blank, belicht
Door lente-zon, in slepende cadans.
Op wie zal 't kindje lijken? - En 't gezicht
Houdt, blij en vroom, ze op 't wolkenspel gericht,
Waar hemelkindren dansen hemeldans.

Het duizlend kopje in 't kussen, dat haar man,
Met teedre streelhand, schoof onder 't hoofd,
Blijft stil zij turen, tot de rei vervloot.
Verwonderd, wijl zij nog niet raden kan
't Gelaat der vreugd, door liefde haar beloofd:
Haar eigen kind, nog sluimrend in haar schoot.

De Gids (1925)

Geschreven door Dora om 19:35 Reageer op dit bericht

koffiehuis

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928

KOFFIEHUIS

   Razend. Gedwarrel van stemmen, tot éen geraas vergroeid.
   Hoge klarinetklanken. Saxofoon-geluiden en wat rest
   daar tussen: geweldig koperen orkest.

   De buffetjuffrouw dromend. Heimwee of verlangen?
   Alles is hier een open raadsel. De oplossing echter vindt geen.
   Zacht autoritair de waard. Symbool van toekomst en verleen.

   En 't eeuwig spel van spelers schijn en wezen,
   vast het gelaat, niet te doorlezen;
   behoedzaam defensief, maar de sterkte van hen die niet vrezen.

   Solidariteit der spel-geruchten,
   van de tragies-ernstige domino's, fatum-zwart
   tot der biljartballen rood-wit luchtig vluchten.

   Geblaseerde rasta's; daarnaast huiselike dikbuiken,-
   alles weerom schijn, - dames die eeuwig goedig toeluiken:
   allen Babelbouwers van dezelfde gebazel-innigheid.

   Gebannen is de innigheid uit de straat,
   achtervolgde faun, binnen de koffiehuizen gedreven.
   De zwakke muren zijn de sterke dam tussen dood en leven.

   Bij 't even openen der deur, klinkt wat daarbuiten is, de trem,
   of 't geroep van een venter, als een onheimelike stem:
   heel even. Dan herneemt 't orkest zijn razende galop.


14 - 21 januarie 1917

Ik en de stad

Geschreven door Dora om 22:14 Reageer op dit bericht

café

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

   Café

     Waar, vlam-rood, rozen in de rooie zalen
     Bloeien in kronen en 't goud rommedomt,
     In spiegel-wanden duizendvoud weerómt,
     Komen we, nachtvolk, op het licht aandwalen.
     Dan in geroes van vele talen,
     In spraak-gewar dat Babylonisch gromt,
     We hurken om tafels, naar elkaar gekromd,
     Als om een vuur, doende ónze buit-verhalen.
     Daar zitten we onder zuilen als in dag,
     Stoer lijf bij lijf, elkaar, wijl de uren vliegen,
     Vertrouwelijk van 't leven te beliegen.
     De vrouw-gerokte kellners brengen ons drinken.
     Hóór, door de rooie rook joelt onze lach ...
     De zaal 'n burcht is ... de klare glazen klinken.

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

winterhout

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

Winterhout

Alom, aan de ronde zomen
van het rustig vergezicht,
aan de lage damp ontkomen,
aan de oever van het licht,
achter 't levendig gewemel
van de daken, op het goud
van de uitgespannen hemel
opgericht, is 't winterhout.

Hoog over de lege tuinen
staat het, zuiver afgerond,
met zijn vederige kruinen
op tegen de avondstond,
met zijn neergebogen takken,
met zijn twijgen, teer en sterk
en volledig, op de zwakke
weerglans in 't namiddagzwerk.

Met de roerloze verschijning
van zijn hoge statigheid,
met de zekere belijning
van zijn wasdom, uitgebreid
op de stilte, over een hoeve
rijzend of om een gehucht,
is 't aanwezig in de droeve
leegheid van de winterlucht.

Maar inwendig, in de gave
taaie vezel van zijn stam,
is 't of iets, dat lang begraven
lag, opnieuw tot uiting kwam,
of iets, dat zich had begeven,
uit zijn diepste wezen tot
de verlokking van het leven,
tot het licht naar buiten bot.

Eer zich elders iets vertonen,
eer men iets vermoeden zal
wordt het in zijn wijde kronen
donkerder en dichter al,
wordt het voller in den bleke
omtrek van zijn duisternis,
als het allereerste teken
van wat vast in aantocht is.

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

slaan

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Kunt Gij nog wreder slaan!

Kunt Gij nog wreder slaan! - mijn God! mijn God!
Zie, ik ben sterk en breken zal ik niet,
Maar was er één die Gij zó lijden liet,
Wijl hij U lief had, boven zielsgenot?

En nóg zal ik niet vloeken 't mensbestaan,
En 't Leven niet, en Uwe naam niet smaden,
Zelfs met dít mateloze Leed beladen,
Neem ik het Leven uit Uw handen aan.

Maar schrijf dan ook, ter keerzij mijner schuld,
Dat ééns een menskind, zó diep in ellende,
Zó ver verloren in een nacht van rouw,

De maat zijns droeve Levens heeft vervuld,
En schoon hij 't bitterst dezer wereld kende,
Toch durfde leven en niet sterven wou!

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten