Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

schaduw

Een gedicht van Alica Nahon 1896-1933

SCHADUW

Ik heb de liefde liefgehad;
daarom wellicht heeft zij me niet bemind.
Zo doet de mooie minnaar
met een zeer verliefde kind.

Ik heb de zon te lief gehad
en beu van beedlen
aan de deuren van de dagen
ben ik geworden als een varenblad
dat liever in de lommer leeft
dan zon te dragen.

En daarom bouwt mijn kommer aan een huis
waar lamp- en zonnelicht
getemperd zijn voor de ogen
en waar de soobre lijn van een gelaat
en waar de vrede van een vriendschap staat
lijk schaduw van een boom
over mijn hoofd
gebogen.

Alice stierf in armoede aan TBC  37 jaar. Op haar graf staat: God ziet mij geerne.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

knaap

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

TOEN IK EEN KNAAP WAS

Toen ik een knaap was in ’t zorgloze leven,
   Gordde ik mij-zelve en liep naar mijn lust;
Vrij in mijn wandlen en zoeken en streven,
Vrij in mijn reizen, mijn dromen, mijn rust.

Straks ook voor mij is een ure gekomen,
   Ure van roeping, van ernst, van genâ,
Dat in mijn boezem die stem werd vernomen
   Hebt gij mij lief? – en mijn ziele sprak : Ja.

Sinds mij dat uur uit mijn dromen kwam wekken,
   Leidt mij een ander, ook waar ik niet wil,
Leert mij de handen steeds williger strekken,
   Volgen en dragen, ach, vrolijk of stil.

Toch, nu die Meerdre gebiedt in mijn leven,
   Vinde ik, trots banden en zielstrijd en smart,
Wat ik eens vruchteloos zocht in mijn streven:
   Vrijheid en vrede voor ’t rusteloos hart.

1854

schrijver

  

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

Nacht-liedje

Was niet je mond dan kussen mild
En bloeide niet je lijf in pracht,
Wanneer wij minden in de stilt’
Van de besternde nacht?

Jouw hart lag aan mijn hart, jouw oog
Staarde in mijn oog zo lang en diep,
Tot je gelaat glimlachend boog
En zwijgend in m’n armen sliep.

Dan zong mijn bloed zo sterk en blij,
Mijn arm omving je glanzend lijf;
Zo voegden wij ons leven beî
Tot één bedrijf.

Wij ‘schermden roerloos in de nacht,
Elkander: één geklonken beeld
Van schoonheid en bezonken kracht,
En soobr’re weeld’.

De hoge nacht schreed zwijgend voort,
Het licht verglom van ster en maan,
Totdat ons oog aan oosterpoort
De dag was opgegaan.

Nagelaten verzen (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

menselijk leven

Een gedicht van Rhijnvis Feith 1753-1824

Het Menselijk Leven

‘Helaas! helaas! hoe vlieden onze dagen,
Hoe spoedt zich ieder uur met onze luister heen!
Hoe flauwe vreugd, hoe bittre plagen,
Hoe min vermaak, hoe veel geween!

O dierbaar perk van drie tot zeven jaren,
Als ieder voorwerp 't oog bekoort, het harte streelt:
Och, of ze zonder einde waren,
Als alles lacht, als alles speelt!

Beminlijk kind, speel, nuttig u deez' dagen,
Want 's werelds grootheid schaft aan ons 't genoegen niet,
Dat u door uwe houten wagen
En door uw kaartenhuis geschied.

Haast zal men u door strenge meesters leren,
Wat taal Demosthenes verkondde in Pallas stad
En Cicero voor 's werelds heren,
Toen Rome nog de kroon op had.

O moeilijk werk, benauwde en pijnlijke uren
Ze is maar een schets, deez' roe, waarmee men u kastijdt,
Der slagen, die ge eens zult verduren
Van 't stuurse lot in later' tijd......

In zulk een strijd ziet gij de dagen klimmen,
Gelijk het fris gebloemt zich opheft in een' tuin,
En wordt een man. Maar, ach! wat schimmen
Omsingelen op nieuws uw kruin!

Nu vlucht de slaap reeds in de vroege morgen,
Ja, somtijds heeft de nacht geheel voor u geen rust.
Vermoeden, vrees, wantrouwen, zorgen
Verdoven kennis, ijver, lust.

Nu ziet ge eerst klaar de broosheid aller dingen,
Hoe min het wuft geluk naar breidel hoort en toom,
En hoe de staat der stervelingen
Gelijk is aan een vlugge droom.

Terwijl de vreugde u bloemen schijnt te geven,
Ach, zieldoorgrievend nieuws! ontrukt u 't lot een' vrind,
Een vrouw, beminder dan het leven,
Of 't waardste pand, het liefste kind.

Vlucht dan, reis vrij naar afgelegen staten;
Zeil door de middellijn naar 't verre Zuiderland;
Hun denkbeeld zal u nooit verlaten,
Het staat, het wacht u reeds op strand.

De droefheid is gelijk aan wrede dieren,
Verwoeder dan een leeuw, in netten stijf verward,
Doorknagende, als een worm, de nieren,
Verscheurende als een gier het hart.....

Somwijlen rukt, voor 't eind van uwe dagen,
Fortuin uw staat ter neer, gelijk men in het woud
Een hoge eik, omverr' geslagen,
Na 't woeden van de wind aanschouwt.

Dan wordt een dwaas op uwe stoel verheven,
't Geweld verwoest uw erf; de laster verft uw kleed;
Geen vriend durft zich naar 't huis begeven,
Daar 't bleek gebrek de vloer betreedt.

Wat is de mens, hoe machtig, hoe vermetel?
Genaakt het uur, al staat een heir rondom het hof,
De Koning valt van zijne zetel
En wordt een handvol as en stof....’

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

bergmeer

Een gedicht van  Jacob Winkler Prins 1849-1907

Bergmeer

Wie op de spiegel drijft weet niet, wat hij moet denken
Of onder boven is, nu boven onder schijnt,
Want heel de gladde wand, die in het meer verdwijnt,
Staat met zijn dennenlast in ’t zonnelicht te wenken.

En waar de wateren de groene kegels drenken,
Volgt ’t oog, diep in het nat, de duidelijke lijn
Van uitgestoken tak in water-zonneschijn,
Wiens onbewogen rust geen stormen kunnen krenken.

Geen kabling komt er in. De stralen, die zich deelden,
Weerkaatsen ’t bodembos tot in de volle dag.
Men ziet hoe rond de stam de groene mossen geelden.

Tot kussen van fluweel, alsof een lijkkleed lag
Op de verdronken boom. Zo zijn er spiegelbeelden,
Die boven schijnen, door wat men diep onder zag.

Gedichten (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

aggy

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Aggy.

De morgen droomt in de lichte tuin:
Een lichtfestijn
Midde' in bloemgeschijn,
En in die droom lichtkindje klein,
Grootogig, op voetjes fijn.

Geurenneurende zachte jasmijn,
En vrolijke roosjes, mondjes half open,
En gouden regen,
Neergezegen
Om haar te vertellen die aan komt lopen,
Hoe mooi een morgen kan zijn.

En paarse seringen die 't groen doen lachen,
En in het gras zóvele gele
Boterbloempjes op gouden stelen,
- Heel de tuin door!
En vlinders daartussen,
En grappige mussen,
't Kopje op de grond of zij grond willen kussen.
Zij - in àl kijken en wondren er vóór.

Heel hoog òp nu haar hoofdje klein;
Beweeg der voetjes..... Een àlverblij'n
Waarheen die gaan langs het licht gelover;
Gans haar slank gestaltetje over
Tover
Van lenteschijn.

De Gids (1897)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

knollenland

Een gedicht van J.J.A Gouverneuer 1809-1898

In een groen, groen, groen, groen knollen-knollenland

In een groen, groen, groen, groen knollen-knollenland
    Daar zaten twee haasjes heel parmant
    En de één die blies de fluite-fluite-fluit
    En de ander sloeg de trommel

    Toen kwam opeens een jager-jager-man
    En die heeft er één geschoten
    En dat heeft naar men wel denken denken kan
    De ander zeer verdroten

De zingende kinderwereld voor school en huisgezin (1866)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:58 Reageer op dit bericht

liedeken

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Liedeken

Ik minde u zo teder, ik minde u
Zo teder met heel mijn ziel,
Wanneer door deze armen omwingerd
Uw hoofd mij ten boezem viel...

Ik aêmde op uw lippen mijn leven,
Ik smolt in een kus aan uw mond;
Ik smachtte om een hemel te geven...
Ai, ’k gaf maar mijzelve in die stond!

Er flikkerde een vlamme in uw blikken,
Waar de flonkrendste starre voor taan’...
Ik minde u zo teder, ik minde u...
Hoe ziet ge zo koud nu mij aan?

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

dichter

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

Aan een Dichter

Dichter, van uw zachte woorden
waar gij omgaat begeleid,
aan de nooit betreden boorden
zwervend uwer eenzaamheid,

uit de weelderige wegen
van het leven tot de rots
van uw vast geluk gestegen
langs de paden van uw trots,

als de morgenzon gerezen
boven damp en duisternis,
Dichter, uit de streek der vrezen
in het rijk, waar vrijheid is,

breng ons bij de forse pijnen,
waar uw grote weemoed ruist,
bij de bochtige ravijnen,
waar uw diep verlangen bruist,

breng ons in de wijde hemel,
die uw snelle licht doorschiet,
waar men 't wereldse gewemel
ver-omneveld overziet,

en geleid ons, waar bewogen
ons uw sterke wijsheid noodt,
onverschrokken, voor de hoge
stille velden van de dood.

De Beweging (1909)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

beeld

Een gedicht van van Edgar du Perron 1899-1940

  

Ander beeld

‘Uw hart, mijn lief, en voelt het geen bewegen?’
zo vroeg eens Hooft, men weet, die vroegre Hooft,
die aan de min deed, aan de min-god heeft geloofd,
een dichter met een baard, wiens taal was ingeregen.

De vreemde vraag! en vreemd moet het verlegen
glimlachje zijn geweest de schone ontroofd.
De vraag is in mijn stem het boek ontstegen:
de schone lachte en schudde koel het hoofd.

Ik heb haar hand genomen toen; zij keek
of ik mijn nagels had geknipt; waar bleek
van niet, riep zij een roodverlakte doos te wapen.

Blinkende punten, wat gekriebel en een knap
bij iedre tel... Zij was zo wijs en knap!
Hoog boven ons was haar hart ingeslapen.

Parlando (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten