Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

sarlotteken

Een gedicht van René de Clercq  1877-1932

Sarlotteken.

O, als ik u zacht in mijn armen neem,
lief zotteken,
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!

Uw oog is zo bruin en zo zoet als zeem,
van 't potteken.
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!

Van liefde de valheid, van valsheid geen zweem,
hertbotteken!
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!

Ach, kussen we elkander, gij lacht en ik schreem,
lief zotteken.
En weet-je voor ons niet een hutje van leem,
Sarlotteken?
Jochei, jochei,
een hutteken in de hei!

Gedichten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

antwoord

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947 

Haar antwoord

Wanneer zal de ure zijn, dat gij als bruid
Met mij zult staan in wit-satijnen kleren?
"Wanneer de stromen naar hun bronnen keren,
De raaf het lied der nachtegalen fluit."

Had gij mij dan niet lief in vroeger tijd,
Was dan Uw hart niet naar mijn hart genegen?
"Mijn hart was vól van U, maar heeft verkregen
Tot loon alleen leed, leed in eeuwigheid."

Kan dan het eens verbleekte morgenuur,
Daar alles toch herleeft in de natuur,
Niet met een nieuwe dag de kimmen kleuren?
Wat eens gebeurd is kan nooit weer gebeuren,
Men kan maar ééns een blad aan stukken scheuren
En wat het vuur verkrijgt, verslindt het vuur."

Gedichten (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:46 Reageer op dit bericht

profeteren

Een gedicht van F.H. Greb 1813-1868

  

Profeteren en gezichten zien.

De Dichter toch is zoon van God,
De heemlen zijn zijne opperzalen.
't Verleden moet hem cijns betalen,
Hem, Ziener in 't verborgen lot.

- - - - - - - - - -

Heil ons! het schoon verleden keert,
De heuglijke eeuw van Gods Profeten;
Gezalfde zal ons hart u heten,
Die ons de Toekomst kennen leert.

.................

Laat u, om Godswil, de kroon niet ontroven,
Die, als profeet, u omhoog is bewaard!

De Gids (1843)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:45 Reageer op dit bericht

huil niet

Een gedicht van J.M.W Scheltema 1921-1947

Huil niet, Majorca

Huil niet, Majorca,
Want je vader zal komen en zal je slaan
En zijn hand zal rood op je lichaam staan.
Hoor je de honden,
De honden, Majorca,
Heel in de verte blaffen gaan?
Hoor je de dronkenmanspraat in de wind?

Je dronken vader komt er aan.
De weg is te smal en het meer is diep:
Hoorde je, hoe hij mijn naam daar riep?
‘Maria!’
Zet het raam wijd open, dan kun je goed horen,
‘Maria... Maria!’
Heeft dovemansoren,
We doen net alsof we niets verstaan,
‘Maria! Kom hier!’
Nee, Majorca, niet gaan.
Hoor je de plons in het zwarte meer?
Zijn vuist slaat vergeefs in het water neer
En de golven klotsen in zijn mond;
Drink! Als je drinken zo lekker vond.
Luister, zijn stem is al zwakker gaan klinken:
‘Maria...’ Ja, jongen, ik laat je verdrinken,
Sst! Nog eenmaal zijn stem in de wind:
‘Maria... vergeef me... en zorg voor...’

Langzaam verstrijken de rimpels in 't water
En langzaam verschijnen ze op mijn gezicht;
Drie jaar geleden is vader verdronken,
Slaap zacht, Majorca, want morgen is 't licht.

Chansons, gedichten en studentenliederen (1948)

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

wolf

Een gedicht van Jan van Nijlen 1884-1965

 

DE JONGE WOLF

Kom, laat mij los, laat mij maar lopen,
ik vind de weg wel door het bos.
Mijn hart is sterk, mijn oog is open
Kom, laat mij lopen, laat mij los.

Vrees je dat ik de weg niet vind,
mijn vrijheid al te duur zal kopen?
Jij vader was ook eenmaal kind,
en toch ben jij ook weggelopen.

Kom, laat mij lopen, laat mij los.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

tranen

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1938
 

O het tranen-vergieten is geen zonde

O het tranen-vergieten is geen zonde,
Gepleegd aan 's werelds mooi somber voortglijden
Zacht door de eindeloze gang der tijden...
O wie nog tranen, tranen vergieten konde...

Hij zou de wrede, wrede wonde op wonde,
Die dorsten mensjes in het hart te snijden
Hem, die wilde allen in zich zelf verblijden,
Helen door tranen. Tranen Zijn Geen Zonde.

Want wat zijn tranen, tranen als een teerheid,
Hoog-heerlijk in zich zelf gebrokene emotie
Als 't mannen-lijf niet langer kan hoog-trots zijn?

O Laat ons allen vallen in devotie,
Als Iets, wat grandiooslijk week ter-nêer leit,
Een mens nooit kàn maar wou toch wel een Rots zijn.

Verzen (1894)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

vorst

Een gedicht van Jacob Cats 1577-1660

ZO VORST, ZO VOLK

Zie doch eens: in deze poel
Was te voren geen gewoel,
Geen geruchte, geen geschil;
Alle dingen waren stil,
Al de vogels zonder nijd,
Al de vogels zonder strijd;
Maar een schreeuwer, metter vlucht,
Hier gevallen uit de lucht,
Maakte, door zijn hees geschal,
Twist en oproer overal;
Maakte dat het ganse rot
Kwam gesprongen uit het kot,
Kwam zo fel hier in gestort
Dat het water troebel wordt.
Het is nut te zijn geloofd
Dat een vies, een zeldzaam hoofd,
Dat alleen een enig man
Ganse rijken storen kan.
Dan het is ook wel gezien
Heden en in oude tiên,
Dat een enig hoofd geveld
't Ganse land in ruste stelt.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

trouw

Een gedicht van J.P. Heije 1809=1876

Trouw.

I.

Een lindeboom stond diep in 't dal
Van boven breed, van onder smal;

Daar vrijdden zaâm, in eer en deugd,
Twee Liefjes in hun zoete jeugd.

'Vaarwel!’ zoo sprak hij droef tot haar:
'Ik moet nu scheiden zeven jaar.’

- En waar' het veertien jaar, mijn vrind!
Mijn harte nooit een ander mint! -

II.

Wel op din dag, na zeven jaar,
Vlocht zij zich bloempjes in het haar:

- Nu komt mijn Liefste trouw en goed,
Ik ga verheugd hem in 't gemoet. -

En toen zij kwam in 't groene woud
Sprong daar een ruiter uit het hout:

'Zo eenzaam u in 't bos gewaagd?
En zeg, wat schreit ge, zoete maagd?’

- Ik schrei, dat ik mijn beste vrind
Na zeven jaar niet wedervind! -

'Ik reed pas gistren door een stad,
Waar, wie U trouw zwoer, Bruiloft had!’

III.

'Wat wenst gij hem voor smart en leed
Nu hij zijn trouw brak en zijn eed?’

- Ik wens hem zoveel heil en vreê,
Als korrels zijn in 't zand der zee.

- Ik wens hem zoveel lust en kracht
Als sterren blinken in de nacht! -

IV.

Daar trok hij van zijn vingerling
Een brede, louter gouden ring:

Die wierp hij 't meisje in haar schoot; -
Een tranenstroom dat ringske omvloot...

'Droog af uw oogjes, liefste vrouw!
Ik ben het zelf - en even trouw!’

schrijver

Geschreven door Dora om 19:52 Reageer op dit bericht

lippen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941 

O lippen...

O lippen, rood als rozen en frambozen,
Die, kussen ademend, om kussen vragen!
O krachtige armen, die mij, moede, kozen
Om veilig door 't vijandig Zijn te dragen!

O donkere ogen, zachte grondeloze
ogen, zó rein als nooit mijn ogen zagen,
Ogen, waarin geen sprank is uit den Boze,
Maar waar Gods englen d'eigen blik in wagen!

O jong glad voorhoofd, geestdriftvol en edel,
Omkranst van blijde zijden kroezellokken,
Zwart aureool om lichten dichterschedel!

O stem, die me in uw armen wist te lokken,
Zo roerend zoet als 't nachtlied van een vedel,
Zo heimweevol als klank van avondklokken!

de Gids (1893)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:08 Reageer op dit bericht

familie

Een gedicht van Alex Gutteling 1884-1910

Rembrandt: De Heilige Familie, ets

Was niet hun beider teerste droom, het kind te aanschouwen
Dat uit haar reine schoot zuiverste Liefde schiep?
Betastte hij niet zacht, en voelde hij niet diep
Verscholen leven daar, het lijf der lieve vrouwe?

Hoe kon zijn zaligheid zo plotseling verflauwen?
Wat angst welde in zijn hart, dat eensklaps hij ontliep
Het warm vertrek, waar aan haar boezem 't wichtje sliep
Zacht in haar arm en van haar kleed de wollige vouwen?

Zag in haar ogen hij 't geheim, voelde hij 't beven
In haar omstrengling: voor 't uit háár gegroeide leven
Liefde zo teer, zo vreemd, als nooit een man verstaat?

Hij gluurt door 't raam, wijl winterzonnestralen weven
Een aureool om haar en 't kind, - oogsluitend laat
Hij leunen tegen 't kil kozijn zijn droef gelaat.

De Beweging (1919)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten