Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

steen

Een gedicht van J.A dèr Mouw 1863-1919

Hij ligt er nog, de steen

Hij ligt er nog, de steen: een jaar geleden
Heb 'k zelf hem daar gelegd; en ik herken
Heel goed de plek, vlak naast die scheve den,
Waar 't zandpad, wit, loopt naar de hei beneden.

'k Dacht vaag: Wat 'k doe, lijkt op wat Farao's deden;
Eenzelfde ontzetting vroeg in mij en hen:
Alles vergaat: ben ik niet, die ik ben,
En was en blijven zal in eeuwigheden?

Ik was gaan liggen, 't hoofd dicht bij de steen;
En die, in 't langzaam dieper donker, scheen
Een monument, Egyptisch oud en groot.

Een kleine ster erboven. 'k Dacht: zijn licht
Vertrok toen 't graf van Ramses werd gesticht.
En 'k voelde duidlijk: 'k was zijn tijdgenoot.

Brahman I (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:35 Reageer op dit bericht

lenteweelde

Een gedicht van Adrianus Bogaers 1795-1870

 

LENTEWEELDE.

Geen pelzen meer van node,
Geen vlammen in d haard!
De lieve lenteboden
Doorzwieren beemd en gaard:
Ze zoeken onder 't zingen,
Waar 't jeugdig nestje stond,
De kleine bannelingen
Terug op d' oudergrond.

Het grauw is weggedreven,
Daar 't licht zich in verloor:
Beglansde wolkjes zweven
D' azuren hemel door;
En ieder pareldropje,
Haar milde borst ontvloeid,
Het wordt een bloemenknopje,
Zo ras het de aard besproeit.

In 't effen blauw der plassen,
Nu 't van geen kou meer rilt,
Verheffen rietgewassen
Het ronde bladerschild.
Het jonge lis en lover,
Geschaard op d' oeverglooi,
Buigt, spieglend, zich voorover
En denkt: wat zijn we mooi!

't Ziet alles fris en fleurig
En bloost van kracht en moed:
De lucht is lauw en geurig
En 't ademhalen zoet.
De wei, vol grazend leven,
Gelijkt een groen fluweel,
Van 't koolzaadveld er neven
Bezoomd met goud en geel.

Wat kanten de ogen schouwen,
Het bloeit er rijk dooreen:
Een wedstrijd wordt gehouen
Van pracht en lieflijkheên:
Seringen, sorben, meien, —
't Is of ze in bruiloftsier
Om 't fraaist hun sluiers spreien
Met maagdelijke zwier.

De kloeke roskastanje
Heft hoog in 't hemelruim
Uit donkre bladerfranje,
Zijn blanke bloesempluim:
De goudenregens pronken
Zo hel in 't lager loof,
Alsof een stroom van vonken
Uit tak en twijgen stoof.

Geen hof, geen wilde hagen
Of ze ijvren met hun schoon:
Al wat er bloem mag dragen,
Het draagt een bloemenkroon;
Heeft de esp alleen zijn blaren,
Hij rept ze zo verheugd,
Of 't kinderhandjes waren,
Die klapten van de vreugd.

Verrukkend Jaargetijde!
De aanvallige Natuur
Vertoont zich jong en blijde,
Als in het scheppingsuur.
Langs woud en waterpleinen
Weerschalt het jubellied
En teedre refereinen,
Wier keerwoord is: geniet!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

soldatenstand

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

 

Soldatenstand.

Een leven vol wissling,
Een lokaas der jeugd,
Een manlijke roeping,
Een strik voor de deugd,
Een pijnbank van kommer,
Een vloed van genucht,
Een bandloze vrijheid,
Een tergende tucht;
Een schole voor kennis,
Een bane ter eer,
De hoop in de boezem,
De kracht in 't geweer;
Nu lommer en weelde,
Dan honger en slijk;
Des morgens een losbol,
Des avonds een lijk.
De bontste vermenging
Van goed en van kwaad;
Hier glorie, daar schande -
De naam van soldaat.

Gerijd in geleedren,
In 't bivak dooreen;
Nu harten vol goedheid,
Dan harten van steen.
Het kruis aan de kloekheid,
De kogel 't verzet,
Het krijgsboek tot bijbel,
't Parool een gebed;
Niet vragen, maar handlen
Naar hoger bestel;
De kroeg tot een hemel,
't Cachot tot een hel.
Verdrukte en verdrukker
Van vriend soms en broer;
Een worm voor de ofcieren,
Een wolf voor de boer.
In vrede verwijderd,
In oorlog verwant;
Een veldheer tot vader,
Tot beul een sergeant.
Hier haat en vervloeking,
Dáár trouw tot de dood;
Nú laag en verworpen,
Dán edel en groot.
Deez' - zwetser in 't rustuur,
Die - held in 't gevecht;
Ginds speurhond eens dwinglands,
Hier strijder voor 't recht.

Een blinkend versiersel,
Maar grof op de tast,
Een droom, die zich oplost
In lijden en last.
Hier liefjes bedrogen,
Dáár liefjes begroet,
't Fortuin in de verte,
't Berouw in 't gemoed.
Een tijd, die zich afdeelt
In rust en appèl,
De roffel der tamboers
Ter klok of bevel -
Ten jubel der zege -
Tot mare der straf -
Een krijgszang bij d'aanval -
Een treurtoon bij 't graf.
Soldaat, een bedwelming,
Te laat soms betreurd,
Een hefboom, die de armoê
Op 't voetstuk vaak beurt.
Verneedring en grootheid
Soms grillig verplaatst;
Veel distlen en doornen,
Maar lauwers er naast.

1845.

De Dichtwerken (1886)

schrijver

Geschreven door Dora om 15:50 Reageer op dit bericht

deugzaam

Een gedicht van Jacobus Revius 1586-1658

Van een deugzaam man.

Hier lig ik in mijns moeders schoot
Een vriend der vromen totter dood.
Mijn naam, mijn stam, mijn ouderdom.
Ik bidde (op zo goed weerom)
Dat men mij daarmee niet en kwel.
Het zwijgen past de doden wel.

-----------------------------------
mijns moeders schoot - moeder aarde
op zo goed weerom -  op belofte van wederkerigheid

Over-Ysselsche sangen en dichten

schrijver

Geschreven door Dora om 22:14 Reageer op dit bericht

ik

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Ik weet niet wat ik heb gedaan

Ik weet niet wat ik heb gedaan,
ik weet niet wat ik heb geleden,
om uit de huizen van 't verleden
weer naar een liefde-feest te gaan.

- Deze avond draagt op plane vlerken
het wegen van een milder tijd;
En 'k voel mijn blijheid in me sterken
bij 't staren in úw tederheid.

Ik weet me zo beraden rusten,
o schone, in ons verénigd-zijn,
en vredig, als een vege schijn
op 't aanschijn van verre avond-kusten.

- En God, die mij misschien begrijpt,
die om mijn weze' uw stem liet suizen,
is als een vrucht die in me rijpt...
- De vlier-struik geurt naast al de huizen...

Verzameld werk. Deel 1. Lyrische poëzie (1948)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:06 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

 

De Koffie

In 't Oosterland zijt gij geboren,
In 't zonnig, 't weeldrig Oosterland,
O koffie, kostelijke pand,
O koffie uitverkoren.

Opgelet!
Wij hebben hem zelf op het vuur gezet,
En eerst de bonen uitgekozen:

En langzaam en langzaam de trommel gedraaid,
De nijdige, blakende vlamme gepaaid
Bij pozen.
Daar rolt hij nu glanzend en bruin uit zijn kluis,
En rokend
En smokend
Vervult hij met bals'mende geuren het huis.

Tokkelend,
Pakkend,
Brokkelend,
Knakkend
Draait de molen, spuwt en spat;
't Boontje keert zich,
't Boontje weert zich,
Onder 't rad;
't Boontje voelt zich,
't Boontje woelt zich
Moe en mat;

Maar het wordt er, klein of grof,
Dra tot gruis en stof.

Luister!
'k Hoor daar buiten zingen.
Zacht geheimvol is de stem;
Zij heeft kracht noch klem,
En nochtans ik voel ze dringen
Door mijn oor in 't herte mijn,
Als de zang van 't vogelijn
In de lente....

Maar neen! wat ik hoor,
't Is de moor, 't is de moor
Die zijn liedje daar neurt;
En ruisend
En bruisend
Daar dobbelt het water en roept: ‘'t is mijn beurt!’

O ja! nu opgepast!
De ketel vast,
En 't kokend water wel gegoten;
En dan uit 't kopje blank en net,
Gereed daar op de dis gezet,
De kostelijke drank genoten.

O nat! met bruin en goud gekleurd;
O nat! dat zo bedwelmend geurt,
En onze geest naar 't toverrijk kunt mennen;
Och!
Weet ge, weet ge nog
Wanneer ik u heb leren kennen?

't Was in mijn jeugd.
Vol lust en vreugd
Ontwaakte in mij een nieuwe leven.
En nu, o zoete warme drank,
Mijn dromen zijn voorbij, zo lang,
Maar gij, gij zijt mij trouw gebleven.

Hoe dikwijls hebt gij door uw macht,
Het grievend leed van 't hart verzacht!
En in uw kronkelende walmen,
De schoonste en strelendste aller galmen
Uit 't dichterrijk mij meegebracht.

Ik heb zo lang alleen geworsteld en gestreden,
En arm en onbekend zoo meen'ge hoon geleden
In twijfel, wanhoop, ziel- en lichaamssmart;
En als de moedloosheid mij 't hoofd en 't hart kwam drukken,
Kwaamt ge ook mij 't folterend gedacht ontrukken,
Verkwiktet mij de geest, verlichttet mij het hart.

En dan in 's werkmans schaam'le woon,
Hoe zuinig steeds, en toch hoe schoon
Staat ge op den blanke dis te prijken!
Verbergt hem zijne naaktennood,
En weekt hem 't duur gewonnen brood,
En geeft het beet're smaak dan 't feestmaal van de rijken.

Daar snelt het talrijk kroost, en komt van oost en west;
En ieder kiest zijn plaats; in 't kopje smaakt het best,
Waarin men ied're dag mag smullen.
De moeder komt de kopjes vullen,
En snijdt van 't brood voor ieder zijn bescheid.
De stukken zijn wel dik, de boter dun gebreid,
Maar 't is voor allen zo, en niemand zou het wagen
Over 't sober maal te klagen,
O neen! want ieder maaltijd is een feest.
En gretige kijkers, en blinkende tanden,
En bloeiende lippen, en poezele handen,
Het grijpt en het bijt, 't lonkt en 't smakt om het meest.

En tot de laatste beet laat men geen kruimel vallen.
Dan staat men op, en 't jongste kind van allen,
Heft vroom de handekens te gader
En leest een dankbaar ‘Onze Vader'.

O zoete plant, gezaaid, geboren
In 't zonnig, weeldrig Oosterland,
O wees gezegend, dierbaar pand,
O koffie uitverkoren!

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

melkmeisje

Een gedicht van Adriaan Loosjes 1735-1813

Het melkmeisje.

Wijs: 'k Ben een Amsterdams matroosje

Ja de dag is weer aan 't dagen,
'k Hoor 't aan kraaien van de haan,
't Wordt mijn tijd om op te staan,
En wat zou me in 't bed vertragen,
'k Ben gezond gelijk een vis.

Kom mijn emmers krijg ik maar,
Want ik wacht reeds Teunisvaêr,
En het zou er anders stinken. -
Zie mijn mellekemmers blinken,
'k Ben er groots op, en dat staat
Aan geen mellekmeisje kwaad.

'k Zie alree van ver de koeien,
Kijk dat noem ik ongemien,
Als zij maar mijn emmers zien,
Dan beginnen ze al te loeien.
En dat hoor ik, ô zo graag.

'k Zag een Juffrouw lest uit steê,
Dat mens was eerst bang voor vee.
'k Weet niet, hoe of dat kan wezen,
Wie zou toch dees beestjes vrezen,
't Is het makste vee van 't land.
Zie hoe likken zij mijn hand.

Volks lieden-boek (1785)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

wind

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Voor- en tegenwind.

Gaat het tégen-wind, mê-Vrind,
Laat een Schipper U dan leren
Te lavéren:
Doe, alsof je er niet naar vroeg
Om aan gindse kust te komen,
Maar zeil voort met wind en stromen...
En - ben je eenmaal ver genoeg,
Wend dan over de' andre boeg!

Gaat het vóór-de-wind, mê-Vrind!
Leer van stuurlui dan, bij 't zeilen
Steeds te peilen:
't Water schijnt soms diep genoeg
En er staat allicht geen baken....
Maar 't is kunst, weer vlot te raken
Als òf wind òf stroom te vroeg
't Scheepje op het droge joeg.

Vóór- of tégenwind, mê-Vrind,
Leer U werken - leer U wachten
Dag en nachten!
Haastig, komt altoos te vroeg,
Neuswijs, zal het minste weten,
Dom, heeft altijd wat vergeten,
Langzaam, komt nooit tijds genoeg....
Kies dus steeds de rechte boeg!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:46 Reageer op dit bericht

stem

Een gedicht van Jan F.E.  Celliers 1865-1940

 

Die stem van die verte.

So's temend geprewel van stille gebede
kom stemme van ver, waar die awend-rood kwijn,
waar die rande in sterwende glanse verdwijn
en 'n nagalm nog sleep van d' skeidend verlede,
- so's klagte vergete, maar klagend tevrede.

En berustend ook voel ik mij siel als gedra'e
naar d'Eeuwigheid heen, op die loom-lange sla'e
van 'n vo'el o'er die veld op sij huiswaartse vlug,
- gedra op die windje se swijmende sug.

Vergange se da'e kom verbij voor mij oo'e,
gesigte verdwene en stemme gesus,
so's weerklankies nog van vergetelheids kust.
- En die weerlig vlam ver in 'n wolk wat daar rus,
so's snikkies nog mokkend, na trane gedro'e.

Uit die dorpie benee'e ruis op tussenbei'e
geluide en laggies van wereldsbeweeg;
en so sal 't nog wees als mij plekkie reeds leeg,
mij skamele kleinte van d'aarde geskei'e
versink in die kolke van d' groot-eeuwig swij'e.

En mij groet stuur 'k dan mee als die a'endstraal se vure
so blink in die ruite en droom op die mure;
mij huisie se gewel sal 't opvang van verre,
- 'n laggie sal 't wees, maar 'n traan sal 't bêre!

Die vlakte en andere gedigte (1908)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:30 Reageer op dit bericht

wenen

Een gedicht van Herman de Gorter  1864-1924

't Is alles wenen, de storm, het huis

't Is alles wenen, de storm, het huis,
de grijze hemel om alles henen -
voor me een vrouw, hoor hoor gesuis -
ademen stil door al dat wenen.
O mijn hart klopt zo verschrikkelijk.

O mijn hart klopt zo verschrikkelijk -
zacht is haar huid, adem als bloemen zacht,
het lichte haar - verlangende ogenklacht.

Verzen (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:13 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten