Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

weduwe

Een gedicht van Johannes Immerzeel 1776-1841

De weduwe te Naïn.

Zwaar drukte 't lot op 't hart der Joodse vrouwe.
Nog pas verbrak de dood 't verbond der trouwe,
Of, gram te moe, verdubbelt hij haar rouwe
Om nieuw gemis:

Een zoon, de lust, de troost van hare dagen,
Met hem de vrucht, die de echtboom haar mocht dragen,
Haar Enige ligt haar van 't hart geslagen:
Wat droefenis!

Zij krimpt van wee, de handen dichtgewrongen;
Haar bloed verstijft, in 't hart tezaam gedrongen,
En de adem stikt in haar benepen longen;
Geen traan vloeit af.

Vergeefs, vergeefs haar troosttaal toegesproken,
Nu de ogen van haar' lievling zijn geloken!
De laatste draad haars levens hangt verbroken;
Zij hijgt naar 't graf.

Ach! wat komt ook, bij 's noodlots ongenade,
Der arme vrouw, nu moeder meer noch gade,
Wat komt haar bij zo zwaar een slag te stade?
Geen troost voor haar!

Nog eenmaal kust zij 't lijk, maar kan niet wenen.
Men slaat het windsels om, en voert het henen.
De droeve volgt, op waggelende benen,
Haars lievlings baar.

Zij strompelt mee ter stadspoorte uit, en teder
Staart nu haar blik op 't dierbaar lijk, dan weder
Bedroefd naar God; haar tranen stromen neder,
Bij luid geklag.

Zij snikt, zij kermt haar weedom naar den hogen.
De schare schreit met haar, zo diep bewogen!
Doch wie, wie helpt? Geen menselijk vermogen,
Dat helpen mag.

Geen stem vertroost, opdat haar smart bedare.....
Maar hoe! wie naakt zo driftig daar de schare,
En dringt de lijksleep door tot bij de bare?
Een vreemdeling!

Wat deernis is in 't vriendlijk oog te ontdekken!
Wat ernst, wat majesteit spreekt in zijn trekken,
Die in het hart ontzag en eerbied wekken
Bij heel de kring!

Ontzetting is op elks gelaat te lezen.
Hij roert de baar, en spreekt, met minlijk wezen:
'Leef, jongling!’ en de jongling is verrezen;
Hij leeft en spreekt!

Men staart verbaasd, als aan de grond geklonken.
Der weduwe is haar steun terug geschonken;
Zij ligt, bezwijmd, aan 's vreemdlings knie gezonken,
Ter dood verbleekt.

Zij stamelt hem haar dank, nog half bezweken.
Die onmacht, veel welsprekender dan spreken,
Is van 't verrast gevoel 't voldingendst teken,
Zo rein als schoon.

‘Een groot Profeet is onder ons verschenen.
God-zelf bezoekt ons, om hier hulp te lenen.’
Zo spreken, wie bij 't wonder zich verenen.
Hij was Gods Zoon!

Vaderlandsche Letteroefeningen (1827)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:43 Reageer op dit bericht

misverstand

Een gedicht van Jacob van Oosterwijk Bruiyn

HET MISVERSTAND

Een man, door wanhoop aangedreven,
Zijn leven zat,
Wierp zich in 't stromend nat.
Zijn makker sprong hem na en redde hem het leven,
Maar vruchteloos: de man, bij 't knellen van 't verdriet,
Wist niet, wat aan te vangen,
En ging zich aan een boom verhangen.
Zijn makker zag het aan en nu weerhield hij 't niet.
Men riep hem voor 't Gerecht. -„Moest ik zijn opzet keren?"
Zo sprak hij; „'t scheen mij, vrome Heren!
Dat hij zo handlen moest na 't lot, dat hij ontging;
Hij was zo nat van lijf en kleren
'k Dacht, dat hij zich te drogen hing."

De boertige zangster (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:03 Reageer op dit bericht

begeerte

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-831

Begeerte.

Kom hier, mijn goêlijk knaapje!
‘Wat wilt, wat vordert gij?’
Hoe wordt gij toch geheten?
‘Begeerte noemt men mij.’

Wanneer werd gij geboren?
‘In Lentes rijkste pracht.’
En wie, wie was uw Moeder?
‘Zij heet Verbeeldingskracht.’

Wie was uw Voedsteresse?
‘De dartelende Jeugd.’
Waarmee zijt ge opgetogen?
‘Met zuchtjens vol geneugt'.’

Waar werd gij mee gewassen?
‘Met bigglend tranenvocht.’
In welke wieg geschommeld?
‘Van hoop, met vrees doorwrocht.’

En hoe in slaap gezongen?
‘Door 't zelfbedrog der smart.’
En waar zijt gij gezeteld?
‘Bij tederheid van hart.’

Wat zijn uw bezigheden?
‘Te staren op het schoon.’
Wat wekt uw felste wrevel?
‘Te flauw een minbetoon.’

Wat is uw hoogst genoegen?
‘Mijn eigen onderhoud.’
Uw aangenaamste voedsel?
‘Verliefde hartenkout.’

Verzwakken u de jaren,
Of hebt ge een vaste duur?
‘ô Neen, ik leef en sterve
Wel tienmaal in een uur.’

Vaarwel dan, gij Begeerte!
Ja, vaar voor eeuwig wel!
Geen rustbegerig harte
Wenst u tot Metgezel.


1797.

Naar 't oud Engelse stuk van de Graaf van Oxford.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 13:34 Reageer op dit bericht

kerkhove

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

Op de kerkhove.

Speel, kinderen, huppel lustig ende blij
Over der doden sode,
U lachet dat jonge jaargetij,
Mi sietet ter nauwer node.

Speel, kinderen, laat u niet storen die vreugd,
Huppel ende dans maar wakker,
U groeit ende bloeit die lieve jeugd
Tot op de godesakker.

Sijt gi later eens moedegespeeld,
Hebt gi genoeg der lusten,
Dan komt een engel, die u kust ende streelt,
Ende u nopet te rusten.

Ende ligt gi dan koeltjens toegedekt
Neven de wandelstave,
Dan rijst gi laat, laat opgewekt
Uut uwe stille grave.

Verspreide en nagelaten gedichten (1869)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:26 Reageer op dit bericht

luwtje

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

Een luwtje

Nu voelt men warme geuren om zich walmen,
En warmte door de koele bomen wuiven, -
De snelle vliet schijnt moede voort te schuiven,
En in het matte schuiven nog te talmen;

Op de' akker buigen zich de blonde halmen
Ontzenuwd, en beschutten met haar kuiven
't Viooltje, dat geen vlinder komt bestuiven,
En dat de hette tussen 't graan voelt dwalmen;

De mens, in 't mals en mollig mos gezonken,
Trekt uit de zwarte schaduw niets dan zwoelte,
Hij hijgt naar koeler adem, droomt van koelte....

Daar doet een bries de abele-loovren trillen.
De lauwe vliet en 't riet van weelde rillen....
Natuur heeft leven uit de lucht gedronken!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

doorreis

Een gedicht van Jan Engelman 1900-1972

Doorreis

God heeft ons spelende beschreven,
als kindren hulploos gaan wij heen.
Geen heul is ons in 't lest gebleven,
zijn diepe vaderlach alleen.

O bloed, bestijg de broze zomen
van dit gevonnist, schuldig lijf:
gij hebt een koninkrijk ontnomen
en gij alleen rekt ons verblijf.

Maar hoor, wanneer de blauwe velden
der nacht begroeid van sterren staan,
wat aarde, zee en wind niet telden
en laat geen fluist'ring u ontgaan.

Tuin van Eros (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:10 Reageer op dit bericht

restanten

Een gedicht van Louis Davids 1883-1939

Restanten

Ik mag weleens graag in een warenhuis dwalen,
Zo'n uitverkoop is interessant.
De prachtigste dingen gaan weg voor een koopje,
Want plots zijn ze niet meer courant.
De aardigste hoedjes, charmante japonnen,
Waar vrouwen hun nachtrust voor geven.
De mode verandert en waardeloos zijn ze,
Sic transit de glorie van het leven.

Het is uitverkoop in het warenhuis,
Restanten, restanten.
Het mooiste smijt men op een hoop,
Wie het neemt, die heeft het spotgoedkoop.
Waar blijven nou de klanten?
Restanten.

Eens was er een deugdzame vrouw in de mode,
Die hield van haar man, en haar huis.
Die wist nog een móeder te zijn voor haar kinderen,
En gaf hun een veilig tehuis.
Maar nu prefereert men de cocktail-garçonnes,
Die vloeken als kerels en roken.
En minachtend neerzien op vrouwen, wier handen
Nog rood zijn van werken en koken.

De wereld is een warenhuis,
Restanten, restanten.
De laatste serieuze vrouw,
De laatste moeder goed en trouw,
Vindt amper een paar klanten.
Restanten.

Eens was er een tijd dat de kunst ons een weg was,
Naar alles wat mooi was, en goed.
De tijd dat Orelio ons kon ontroeren,
En Bouwmeesters kunstenaarsbloed.
Nu vindt men de Sweethearts met tandborstelknevels,
De kwijnende juffrouwtjes beter.
De hypermoderne confectieartiesten,
De kunst van een dollar de meter.

De wereld is een warenhuis,
Restanten, restanten.
Griet Garbo krijgt een half miljoen.
De ware kunst slaapt in het plantsoen,
Tussen de bajesklanten.
Restanten.

Wij voelen ons superieure verschijnsels,
Volmaakt bijna, in onze waan.
Maar al wat wij doen, hebben oeroude volkeren
Voor eeuwen al beter gedaan.
Straks komt de planeet met een andere in botsing,
En vliegt er uit één, tot atomen.
En wij zijn verdwenen, maar in het universum,
Zal daar wel geen drama van komen.

Het is uitverkoop in het warenhuis,
Restanten, restanten.
Wij horen bij de laatste hoop,
's Levens laatste uitverkoop,
Wat zijn wij? Wij pedanten?
Restanten.

schrijver

Geschreven door Dora om 20:59 Reageer op dit bericht

vergaan

Vergaan
 
Ze zijn vergaan
Het is met ze gedaan
Vroom en Dreesman
Ze zijn niet meer
Het doet toch wel zeer
Zo’n oud en groot winkelbedrijf
Het stond ooit bij veel mensen
Geschreven op het lijf
Ook hier is nu een einde gekomen
Het afscheid heeft de pijn
willen tonen
Veel mensen hadden een
emotioneel gevoel
Uiteindelijk was en is dat
nimmer het doel
Om een bedrijf zo naar de
ondergang te zien gaan
Maar helaas het is met ze gedaan
Het is net als met mensen
De mensen willen wel altijd
blijven leven
Maar het leven is maar even
Ook het bedrijfsleven!
Al waren ze al ver over de honderd
Nu zijn ze afgezonderd!
 
 
Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

raketten

Een gedicht van Cornelis Honigh 1846-1896

 

Raketten.

Op volant, omhoog, omhoog!
Vlug naar boven
Heengestoven,
Op volant, omhoog, omhoog,
Vlug naar boven en uit mijn oog.

Weg, volant, weer in de lucht,
Op en neder
Telkens weder
Vangt 't palet hem in de vlucht,
Kijk, daar raakte ik de bal geducht.

Opgevangen door 't pale,
Mogen ballen
Nimmer vallen,
Handig moet dat steeds belet,
Zo kan men zien, wie goed raket.

Wiens volant 't nu winnen zal?
Wie van deze
't Hoogst zal wezen?
Kijk, 't verschilt haast niemendal,
Dat is het kunstigst nog van al.

'k Zal mij bij dit aardig spel
Nooit vervelen.
'k Wil 't zo spelen,
Dat ik, aan één stuk nog wel,
Ver tot over de honderd tel.

Op volant, omhoog, omhoog!
Vlug naar boven
Heengestoven.
Op volant, omhoog, omhoog,
Vlug naar boven en uit mijn oog.

Nieuwe kijkjes in 't rond (1882)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:39 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Barthold Hendrik Lulofs 1787-1849

 

De vroege graven.

(Naar Klopstock's rijmlooze Ode, die frühen Gräber.)

Peinslust-kweekster! schone en kalme speelnoot van de stille Nacht!
Zilvren Maan, mijn welkomstgroete zij u hartlijk toegebracht!
Hoe, ge ontvliedt mij? O,vertoef toch! Blijf een poosje nog bij mij!-
Zie, ze blijft! Een donker wolkje gleed maar aan haar rand voorbij.

Ach, de zomernacht, van 't maanlicht mat doorschemerd, is zo schoon!
's Mei's ontwaken spreidt alleen nog meer bekoorlijkheên ten toon,
Wen de dauw, als licht zo helder, uit zijn blonde lokken vloeit,
En hij, zacht en jeugdig blozend, naar de top des heuvels spoeit.

O gij Ed'len, om wier sterven nog mijn oog zo dikwerf weent,
Ernstig mosdekt reeds de rustplaats van uw sluimerend gebeent'!
O hoe zalig was ik, Dierbren! toen 'k met u, met u de Dag
Blozend komen, en van maanlicht nog de Nacht doorschemerd zag!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:01 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten