Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

Een gedicht van Barthold Hendrik Lulofs 1787-1849

 

De vroege graven.

(Naar Klopstock's rijmlooze Ode, die frühen Gräber.)

Peinslust-kweekster! schone en kalme speelnoot van de stille Nacht!
Zilvren Maan, mijn welkomstgroete zij u hartlijk toegebracht!
Hoe, ge ontvliedt mij? O,vertoef toch! Blijf een poosje nog bij mij!-
Zie, ze blijft! Een donker wolkje gleed maar aan haar rand voorbij.

Ach, de zomernacht, van 't maanlicht mat doorschemerd, is zo schoon!
's Mei's ontwaken spreidt alleen nog meer bekoorlijkheên ten toon,
Wen de dauw, als licht zo helder, uit zijn blonde lokken vloeit,
En hij, zacht en jeugdig blozend, naar de top des heuvels spoeit.

O gij Ed'len, om wier sterven nog mijn oog zo dikwerf weent,
Ernstig mosdekt reeds de rustplaats van uw sluimerend gebeent'!
O hoe zalig was ik, Dierbren! toen 'k met u, met u de Dag
Blozend komen, en van maanlicht nog de Nacht doorschemerd zag!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:01 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

zanger

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

 

De zanger

De vedel aan de zijde,
Het lied in ziel en mond
Zo zwierf de zanger rond,
Al in de oude tijde.
En riep hem stem- en schalenklang
Te midden leutig feestgedrang,
Daar deed hij ’t snaartuig ronken
Vol toverend' harmonie,
En zong de zielen dronken
Vol klank en poëzie.

Nog zwerft alhier de zanger
En doolt stilzwijgend rond,
Doch, houdt hij zijne mond,
Zijn ziel is liederenzwanger.
Zweeg vreemd gezang en dorper lied,
Verstiet men zijne tale niet,
Nog zou de zwerver komen
En rijzen in de zaal,
Vol beelden en vol dromen
En klang en bonte taal.

Weer zong hij u de sagen
Van uit de oude tijd,
Der helden grootse strijd
En grootser nederlagen;
De lichte sprook met vroede zin,
Het lied der abele dichtermin,
Het lied ons ingeschapen
Dat niemand zingen dorst:
Het lied der Dietse knapen
dat smacht in veler borst.

Gedichten (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:57 Reageer op dit bericht

ziet

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

  

Zie toe.

't Zijn nog steeds dezelfde klachten,
Voorgeslacht en tijdgenoot
Werken nog met de oude krachten:
Sterken maken zwakken dood.
Voor je naasten moet je leven,
Is het hart maar goed geplaatst;
Ja, zo staat er wel geschreven,
Maar je zelve ben je 't naast.
Eigen haard en eigenliefde
Vragen zorg en overleg;
Wat die levenseisen griefde,
Moet, als steen des aanstoots, weg.

De oude wet werd opgeheven,
De oude vorm te niet gedaan -
De oude zonden zijn gebleven:
't Eigen Ik staat boven aan.
Wee, waar d' argloosheid haar schreden
Niet bestuurde of nauw bedwong:
Menig loop werd afgesneden
Door een afgerichte sprong.
Volken, vorsten, steden, staten
Hebben al te vaak geleerd:
Dat de list heel mooi kan praten
En de hebzucht graag regeert.

't Recht moog trouw en eerbied vragen,
Maar houdt waakzaamheid geen wacht,
Och, het ligt zo ras verslagen
Door de sluwheid of de kracht.
't Oog moet over d' erfgrond wijden,
't Oude wachtwoord heeft nog vat,
Heeft nog vat op onze tijden:
't Poesje rooft zo licht je schat!

Wie behoedzaam is wordt krachtig
Voor gevaar of ongeval,
Ieder zij de raad gedachtig,
Groot en klein - maar klein vooral;
't Is maar zaak om 't aan te stippen,
Wat de wereld al weervoer;
's Is maar: boer pas op je kippen,
Want de kat ligt op de loer.


1869.

Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

bergen

Een gedicht van Jacqueline van der Waal 1868-1922
 

Bergen

Nu zien de grote bergen op mij neder.
Ze zijn verwonderd, dat ik al zo lang
Alleen geklommen ben, en half nieuwsgierig,
Half spelend volgt hun oog mijn trage gang.

Nu zien de bergen goedig op mij neder,
Terwijl ik altijd verder, rusteloos
Naar boven klauter naar hun kale toppen.
Niet ongeduldig zijn ze en niet boos

Om mijn vermetelheid; ze kijken rustig
Zoals mijn oog soms spelend nederziet
Op 't trage rupsje kruipend op mijn vinger,
En doelloos zijn bewegingen bespiedt.

De goede bergen zijn nu heel voorzichtig,
Ze houden zich stil, opdat vooral
Geen steentje los zou laten waar ik klauter,
Geen steen mij treffen zoude in zijn val.

Ze houden zich heel rustig, maar ten laatste
Wanneer dat stille kijken hen verveelt,
Beginnen zij een spel, dat ik zo dikwijls,
Het arme rupsje plagend, heb gespeeld.

Dat zag ik verder kruipen, onverdroten,
En argeloos, terwijl ik keer op keer
De eerste hand achter de tweede plaatste;
En 't plagend spel herhaalde ik telkens weer.

Zo zie ik nu de bergen met mij spelen,
En na de top, die mij de hoogste scheen,
Zag ik nog steeds een hoogre top verrijzen,
En wat ik eerst een top dacht, was er geen.

Toch klom ik voort en laat ze met mij spelen,
Die grote bergen met hun logge kracht;
Ze menen 't niet zo kwaad en vol vertrouwen
Begeef ik mij weer telkens in hun macht.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:54 Reageer op dit bericht

beeld

Een gedicht van Johan Danser 1893-1920

 

Het Lichte Beeld

Als wij, na nachten loom van liefde, ontwaken
En onze droom verkwijnt in 't morgenlicht
Zal, lief, mijn hand uw naaktheid strelend raken,
Uw zachte leden en uw aangezicht.

En al de dagen naar wier stil genaken
Zo lang ons droef verbeiden was gericht
Zullen wij samen zoete vreugden smaken
En fluistrend gaan of mijmren, de ogen dicht.

En als de grijze schemeringen zijgen
Zullen wij door haar tederheid ontroerd
Ons baden in een wijde zee van zwijgen,

Totdat de nacht ons naar de sponde voert
Waar mijn verlangen tot uw lach zal nijgen,
Ons beider ziel door één geluk omsnoerd.

De Beweging (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:02 Reageer op dit bericht

schat

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Mijn schat is weg

Duitse melodie, langzaam en treurig.

Mijn schat is weg, naar de vreemde heen -
Ik weet niet, ik weet niet waarom ik ween.
Misschien is hij dood, en stijf en stom -
Dies breng ik mijne dagen zo treurig om.

En als me mijn schat wou leiden ter kerk,
Veel nijdige tongen er deden haar werk.
Men zeide van dit, men zeide van dat -
Het maakt er nog heden mijne ogen nat.

De dorens en distels die steken zo zeer,
Maar nijdige tongen die steken nog meer...
Geen vuur op aarde brandt er zo heet
Als heimlijke liefde, waar niemand van weet...

Waar dachten mijn vader en moeder toch aan -
Zij hebben de bede mijns harten niet verstaan.
Zij hebben mij gegeven ene brave man,
Ene brave man, dien ik niet minnen kan.

Ach zoete schat, ik bid u, kom,
Wanneer ik zal liggen stijf en stom,
Kom mee ter begraafnis, ach zoete schat,
Omdat ik u immer zo lief heb gehad!

Zingzang (1866)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:45 Reageer op dit bericht

mijn lief

Een gedicht van P.C. Hooft 1541-1647

Mijn lief, mijn lief, mijn lief,’ zo sprak mijn lief mij toe

‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief,’ zo sprak mijn lief mij toe,
Terwijl mijn lippen op haar lieve lipjes weidden.
De woordjes alle drie, wel klaar en wel bescheiden
Vloeiden mijn oren in, en roerden ('k weet niet hoe)

Al mijn gedachten om, staag malend nimmer moe;
Die 't oor mistrouwden en de woordjes wederleiden.
Dies ik mijn vrouwe bad mij klaarder te verbreiden
Haar onverwachte reên; en zij herhaalde het doe.

O rijkdom van mijn hart dat overliep van vreugden!
Bedoven viel mijn ziel in haar vol hart van deugden.
Maar toen de morgenster nam voor de dag haar wijk,

Is, met de klare zon, de waarheid droef verrezen.
Hemelse goôn, hoe komt de schijn zo na aan 't wezen,
Het leven droom, en droom het leven zo gelijk?

schrijver

Geschreven door Dora om 14:00 Reageer op dit bericht

noordzee

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

NOORDZEE

Wie kust er zo driftig der duinen zand?
Wie klotst er zo blij, zo juichend aan 't strand?
Wie geeft er ons zout in het bloed,
En moed in het krachtig gemoed?
Hoezee! dat is de Noordzee!
Hoezee, dat is de Noordzee,
De zee van Nederland!

Wie omsluit in ene heilige band,
België, Nederland, old merry England?
Wie stuurt hun volk de wereld door,
Met weelde en vrijheid op hun spoor?
Hoezee, dat is de Noordzee!
Hoezee, dat is de Noordzee,
De zee van Nederland! 

Wordt ze ooit door de vijanden aangerand,
Dan walst rood van bloed haar zilvren golvenbrand...
We weren de vijanden af
Of zinken met hen in het graf...
Hoezee! de wilde Noordzee!
Hoezee! de wilde Noordzee,
De zee van Nederland!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht

nijmegen

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

NIJMEGEN.

0 stad van licht, met zilver-gouden gloor,
Op 't spieg'lend water, dat, vlak uitgespreid
In nachtvreê, tot ontvangenis bereid,
Uw pijlend glansgetril in zich verloor!

En opwaart slingert zich de straat, waardoor
Geel-rode stippen gloeien; majesteit
Omgeeft het Valkhof, dromend van de tijd
Toen keizer Karel daar zijn rust verkoor.

Laag hangt de maan, een oogstmaan, rossig-goud,              
Allangzaam nederdalend op de stad,
Terwijl zij ernstig in het water schouwt.

Hoog rijst de hemelwelving, blauwig-teer,
Die wolk'loos toont haar ganse sterrenschat,     
En 't water kaatst hen alle lief'lijk weer.

Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Isaac da Costa 1798-1860

AAN MIJN VADER

(OPDRACHT VAN DE BUNDEL ,POEZY’)

Gunt gij 't, hoog vereerde Vader!
dat een zoon U hulde bied'
met de eerstling van een ader,
die nog ruwe zangen schiet?
Dat bij drie en twintig jaren,
in uw weldaan doorgebracht,
met de galmen van zijn snaren
(ach! hoe min!) te erkennen tracht?

Voor het sterflijk oog verborgen,
richt de Koning van 't Heelal
met in al voorziende zorgen
heel de loop van 't Lotgeval!
Door Zijn ondoorzienbre wegen
worden wij hier rondgeleid!
De aardse beeldtnis van die zegen
is eens Vaders tederheid!

Wat die teerheid kan omvatten,
o mijn Vader! toondet Gij!
'k Loonde met geen aardse schatten,
met geen wereldheerschappij,
al uw zwoegen, al uw pogen
in de vorming van mijn jeugd,
immer zwevend voor mijn ogen,
met het voorbeeld van uw deugd.

't Bloed vooral, dat in mijn aderen
met een deel uws aanzijns vloeit;
kostbaar erfdeel onzer Vaderen,
die, met Oosters vuur doorgloeid,
daar, waar Taag en Ibex vlieten,
eenmaal schitterden op de aard,
en wier grootheên ons verlieten;
doch - hun eer bleef nog bewaard!

God beschouwt het uit den hogen,
wat Gij voor mij waart en zijt!
Ik, ik bloos van ’t onvermoge
der erkentnis, U gewijd.
Ik bied vruchten aan, voor danken,
in der Muzen hof geplukt:
klanken, ja! maar in die klanken
heeft mijn ziel zich afgedrukt!

0 mijn Vader! 'k leg dan heden
met een diep geroerd gemoed,
(stell' mijn zucht uw recht te vreden!)
hart en dichtlier aan uw voet!
Wil die van elkaar niet scheiden,
neem ze beiden gunstig aan,
schenk uw zegening aan beiden,
en mijn wensen zijn voldaan!

Kompleete dichtwerken, deel 1  [1881]

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

man

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

De vliegende man

Norselijk-krommende schroeve
die telkens, in duizelig buitlen,
biedt viervoudig de wind
neigend een nijdige nek:
'k zinge u; en 'k zinge u, o vlerken
die spant als den schoft van een trek-os,
maar die teder en licht
zijt als de vlerk der kapel;
motor, 'k zinge u en ronk
in me-zelf als het dommelig ronken,
('lijk aan de deur van een bie-
korf gonst hommelen-ronk,)
schuddend uw binnenst, en schuddend
de schuite en schuddend het want-werk,
schuddend als de aêm van de hengst
waar hij de meester verwacht;
— 'k zinge u; en naar me in het brein
de begeerte van 't zingen bemeestert,
duizel 'k als dronken, omdat
boud ik te zingen u durf.

Interludiën I (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

morgen

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

FEBRUARI-MORGEN IN 'T WOUD.

Wat macht'ge dromer en al-muzikant
En beelder heeft zijn tent weer opgeslagen
En weer betrokken na de winter-dagen?
Of sliep hij toen ook op het barre zand

En in 't nat loof, door koude onaangerand
Of vocht, hij, die het alles kon verdragen:
De koele hoogt', de felle wanhoops-vlagen
Der Onbetembre, haar zo nauw verwant?

En heeft hij haar bedwongen en verwonnen
Door macht'ge min en steigerende gloed,
Dat ons nu wachten harmonien-stromen,

Waarover lichte melodieën komen?
Of blijft het nog een worsteling, verwoed,
Wat nu ons dunkt een hoge vreê, begonnen?

12 Febr. 1910

Verzen (1920)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

geboorte

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Geboorte

Reeds was in haar het afscheidnemen
Begonnen tussen haar hart en het kind,
Misschien zou ze in 't licht als een vreemde
Aanschouwen, die ze in 't donker had bemind.

Zij dacht aan het wonder, dat ze open
Zou wezen en wijd voor leven en dood.
Zij bewoog zich niet meer; maar haar hopen
Op het kind en God was één en was groot.

Later; haar handen nat van tranen
Verhieven zich met zoveel majesteit
Als engelen, naar het kind gaande
Dat aan hun witte vleugelen had geschreid.

Doodenboek (1932-1933)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

Een overdenking op zondagmiddag na veel spreken van allerlei mensen
met hun eigen wensen
Rechten
 
Er wordt veel gesproken
Ja, over mensenrechten
Maar mijn idee is
Als er iets mis is
Dan hebben we nog weinig rechten
Dus ook geen mensenrechten
Vele mensen filosoferen
Maar als je God niet kan eren
Wat moet je dan nog met mensenrechten
Hij verwierf mensenrechten
Door geestelijk zwaar te lijden
En de strijd te beslechten
Maar helaas waren er voor
Hem geen mensenrechten
Omdat mensen het slechte
voor een ander bedenken
We zijn overgegaan naar humaan
Humaniteit maakt juist dat de mens lijdt
Want daarin zit iets verborgen
En dat is een slappe hap
Geen strenge pap
Want ware rechten
Zijn de gestrengheid van God
Die gaf ons een heel ander
gebod of geboden
Maar die worden niet aangenomen
vanwege de afgoden!
Vluchtelingencrisis ten voeten uit!
Maakt alles glad en iedereen glijdt uit
Men heeft vaak te ver doorgeleerd
En soms nog jong al aan het woord
Dan zie je dat de jonkheid
heel snel is ontspoord!
 
Geschreven door Dora om 14:18 Reageer op dit bericht

straten

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

 

DUISTERE STRATEN

Regen zie ik, mist en regen,
grauwe mist en kille regen
En de natte mensen lopen
rustloos op de natte wegen.

D'eeuw'ge veerman in zijn pontje
vaart nog altijd op en neder
Lange schuiten deinen langzaam
en landziekig heen en weder.

'k Hoor een treurig orgel jamm'ren
schorre joden klagend schreeuwen.
Krijsend boven 't grijze water
vliegen kleine, witte meeuwen.

Ach! die grauwe sombre huizen,
ach! die glimmend zwarte bomen,
Kille mist omhult mijn ziele ....
dof mijn denken, grauw mijn dromen ....

En ik zie een andre nevel
droever nog en meer te vrezen
die is kil en ondoordringbaar
en die ligt op liefste's wezen.

Angstig staar ik in haar schemer
zoekend in de koude, dichte,
diepte — bang de handen strekkend
schreiend om mijn zon — de Lichte!

Tot dan plotsling scheurt de sluier
warmte schijnt uit donkere ogen
en mij nadert, droef vertrouwlijk,
't hoofdje, half ter zij gebogen.

Zachte blikken zoeken mijne
en de lieve lippen vragen
Liefste! liefste dan! — mijn zonne
komt weer dagen! komt weer dagen!

1884

Jeugd-verzen (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:00 Reageer op dit bericht

vogels

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

  

DE VOGELS.

De winter scheert de lustwaranden            
En schudt de naakte lindentop:
De vogels slaan aan andere stranden
Het schommelende nestje op;
Maar, waar ze ook elders nederstrijken,
Vergeten doen ze ons nimmermeer -
De winter doet de vogels wijken,
De lente brengt de vogels weer.

Nu laten ons met stil verlangen
De ontvloden ballingen alleen!
Hoe vrolijk klonken eens hun zangen
Door hutten en paleizen heen!
Ginds, waar de vreemde bloemen prijken,
Klinkt nu hun feestlied heinde en veer:           
De winter doet de vogels wijken,
De lente brengt de vogels weer.

Wij, aan dit logge stof gekluisterd,
Benijden haast hun vrije vlucht.
De glans van 't zonlicht is verduisterd,
De nevels rijden door de lucht:
0, wie de vogel mocht gelijken,
En ijlen naar een warmer sfeer! ...
De winter doet de vogels wijken,
De lente brengt de vogels weer.

Zij denken aan hun verre vrinden;
En wijkt in 't end de laatste orkaan,
Dan zoeken zij hunne oude linden,
Die weer in volle bloesems staan.
Zij zijn voor armen en voor rijken
Geluksprofeten van de Heer...
De winter doet de vogels wijken,
De lente brengt de vogels weer.

De Dichtwerken (1872)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

oceaan

Een gedicht van Jan Veth 18654-1925

Op de oceaan.

De zee jacht òp een heir van vlugge kuiven,
Waar zilte zoomen van smaragd in schijnen;
Zij rimplen, rijzen, wentlen en verdwijnen,
In wisslend spel van schittren en verstuiven -

En in de branding van dat stage schuiven,
Laat golf na golf haar donkre diepte deinen, -
Tot indigo en brons in grijs verdwijnen,
Om zilvren kuiven weer omhoog te kruiven...

Ai mij, is zó de maatgang van dit leven,
Moet elk licht dùs in nieuwe vloed bedolven,
Smelt iedre kleuring weer na luttel tijd?...

Zijn liefde en schoonheid enkel schuim van golven,
Verstuivend in de drift van rustloos streven,
En woont alleen in wissling eeuwigheid! -

Nov. '09 De Gids. jrg 74 (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

stil

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

Stil van wind.

Daar lei een scheepje gemeerd in het Diep.
De wind was ter ruste, het watertje sliep
En 't scheepje moest liggen tot later;
Het spiegelde intussen voor tijdverdrijf
Zijn mast en zijn want en zijn ranke lijf
In 't klare kristal van het water.

Geputst had de schipper, gegutst had het nat
En gangboord en stuurboord en alles was glad
En fris van het stromende water.
Toen floot hij een deuntje en draaide gezwind
Een zon uit zijn zwabber en keek naar de wind,
Maar 't wimpeltje druilde: - tot later!

Kindergedichten (1914) 

schrijver

Geschreven door Dora om 21:10 Reageer op dit bericht

tijd

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Waar tijd en eeuwigheid elkaar beroeren

LXIV

Waar tijd en eeuwigheid elkaar beroeren,
Worden de sterren in de nacht geboren,
Vuurbloemen die de rijzendranke roeren
Van donkre aardtochten naar Gods ooglicht boren.

En waar de heemlen van voor Hem vervloeren
Tot glazen glansbaan eindelozer koren,
Lijnen der stelslen weemlende contouren
Door 't klaar kristal donkervermoede voren:

Door weêrzijds-open venstren als door ogen
Schijnen de heemlen in elkaar en de aarde:
Liefde met liefde wisslen wondre waarden,
Aarddonker tegen Godslicht opgewogen...
In evenwicht van gulden ruil geheven
Wandelt de wereld vleugelloos te zweven.

Sonnetten (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:05 Reageer op dit bericht

gebondenen

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Gebondenen

Vreugd is een vogel die woont
Hoog boven wolken, in 't blauw,
Waar ze op het nest zit getroond,
Voedend haar broedsel met dauw.

Wij, door het leed, in heur tuin,
Worden te sluimren gesust,
Schemer en bladeren bruin
Weven de wade onzer rust.

Soms komt de zon door het grauw,
Wind langs het lover gevleugd,
Dan snakt ons hart in het blauw
Mede te zweven met vreugd.

Maar door dit klagend gedicht
Bindt ons de val der fontein:
‘Zwaar’ is de meester van ‘licht’,
Tranen zijn zoeter dan wijn.

De Beweging, jrg 12,  1916

schrijver

Geschreven door Dora om 14:14 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten