Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

schat

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

Mijn schat is weg

Duitse melodie, langzaam en treurig.

Mijn schat is weg, naar de vreemde heen -
Ik weet niet, ik weet niet waarom ik ween.
Misschien is hij dood, en stijf en stom -
Dies breng ik mijne dagen zo treurig om.

En als me mijn schat wou leiden ter kerk,
Veel nijdige tongen er deden haar werk.
Men zeide van dit, men zeide van dat -
Het maakt er nog heden mijne ogen nat.

De dorens en distels die steken zo zeer,
Maar nijdige tongen die steken nog meer...
Geen vuur op aarde brandt er zo heet
Als heimlijke liefde, waar niemand van weet...

Waar dachten mijn vader en moeder toch aan -
Zij hebben de bede mijns harten niet verstaan.
Zij hebben mij gegeven ene brave man,
Ene brave man, dien ik niet minnen kan.

Ach zoete schat, ik bid u, kom,
Wanneer ik zal liggen stijf en stom,
Kom mee ter begraafnis, ach zoete schat,
Omdat ik u immer zo lief heb gehad!

Zingzang (1866)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:45 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

mijn lief

Een gedicht van P.C. Hooft 1541-1647

Mijn lief, mijn lief, mijn lief,’ zo sprak mijn lief mij toe

‘Mijn lief, mijn lief, mijn lief,’ zo sprak mijn lief mij toe,
Terwijl mijn lippen op haar lieve lipjes weidden.
De woordjes alle drie, wel klaar en wel bescheiden
Vloeiden mijn oren in, en roerden ('k weet niet hoe)

Al mijn gedachten om, staag malend nimmer moe;
Die 't oor mistrouwden en de woordjes wederleiden.
Dies ik mijn vrouwe bad mij klaarder te verbreiden
Haar onverwachte reên; en zij herhaalde het doe.

O rijkdom van mijn hart dat overliep van vreugden!
Bedoven viel mijn ziel in haar vol hart van deugden.
Maar toen de morgenster nam voor de dag haar wijk,

Is, met de klare zon, de waarheid droef verrezen.
Hemelse goôn, hoe komt de schijn zo na aan 't wezen,
Het leven droom, en droom het leven zo gelijk?

schrijver

Geschreven door Dora om 14:00 Reageer op dit bericht

noordzee

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

NOORDZEE

Wie kust er zo driftig der duinen zand?
Wie klotst er zo blij, zo juichend aan 't strand?
Wie geeft er ons zout in het bloed,
En moed in het krachtig gemoed?
Hoezee! dat is de Noordzee!
Hoezee, dat is de Noordzee,
De zee van Nederland!

Wie omsluit in ene heilige band,
België, Nederland, old merry England?
Wie stuurt hun volk de wereld door,
Met weelde en vrijheid op hun spoor?
Hoezee, dat is de Noordzee!
Hoezee, dat is de Noordzee,
De zee van Nederland! 

Wordt ze ooit door de vijanden aangerand,
Dan walst rood van bloed haar zilvren golvenbrand...
We weren de vijanden af
Of zinken met hen in het graf...
Hoezee! de wilde Noordzee!
Hoezee! de wilde Noordzee,
De zee van Nederland!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht

nijmegen

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

NIJMEGEN.

0 stad van licht, met zilver-gouden gloor,
Op 't spieg'lend water, dat, vlak uitgespreid
In nachtvreê, tot ontvangenis bereid,
Uw pijlend glansgetril in zich verloor!

En opwaart slingert zich de straat, waardoor
Geel-rode stippen gloeien; majesteit
Omgeeft het Valkhof, dromend van de tijd
Toen keizer Karel daar zijn rust verkoor.

Laag hangt de maan, een oogstmaan, rossig-goud,              
Allangzaam nederdalend op de stad,
Terwijl zij ernstig in het water schouwt.

Hoog rijst de hemelwelving, blauwig-teer,
Die wolk'loos toont haar ganse sterrenschat,     
En 't water kaatst hen alle lief'lijk weer.

Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Isaac da Costa 1798-1860

AAN MIJN VADER

(OPDRACHT VAN DE BUNDEL ,POEZY’)

Gunt gij 't, hoog vereerde Vader!
dat een zoon U hulde bied'
met de eerstling van een ader,
die nog ruwe zangen schiet?
Dat bij drie en twintig jaren,
in uw weldaan doorgebracht,
met de galmen van zijn snaren
(ach! hoe min!) te erkennen tracht?

Voor het sterflijk oog verborgen,
richt de Koning van 't Heelal
met in al voorziende zorgen
heel de loop van 't Lotgeval!
Door Zijn ondoorzienbre wegen
worden wij hier rondgeleid!
De aardse beeldtnis van die zegen
is eens Vaders tederheid!

Wat die teerheid kan omvatten,
o mijn Vader! toondet Gij!
'k Loonde met geen aardse schatten,
met geen wereldheerschappij,
al uw zwoegen, al uw pogen
in de vorming van mijn jeugd,
immer zwevend voor mijn ogen,
met het voorbeeld van uw deugd.

't Bloed vooral, dat in mijn aderen
met een deel uws aanzijns vloeit;
kostbaar erfdeel onzer Vaderen,
die, met Oosters vuur doorgloeid,
daar, waar Taag en Ibex vlieten,
eenmaal schitterden op de aard,
en wier grootheên ons verlieten;
doch - hun eer bleef nog bewaard!

God beschouwt het uit den hogen,
wat Gij voor mij waart en zijt!
Ik, ik bloos van ’t onvermoge
der erkentnis, U gewijd.
Ik bied vruchten aan, voor danken,
in der Muzen hof geplukt:
klanken, ja! maar in die klanken
heeft mijn ziel zich afgedrukt!

0 mijn Vader! 'k leg dan heden
met een diep geroerd gemoed,
(stell' mijn zucht uw recht te vreden!)
hart en dichtlier aan uw voet!
Wil die van elkaar niet scheiden,
neem ze beiden gunstig aan,
schenk uw zegening aan beiden,
en mijn wensen zijn voldaan!

Kompleete dichtwerken, deel 1  [1881]

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

man

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

De vliegende man

Norselijk-krommende schroeve
die telkens, in duizelig buitlen,
biedt viervoudig de wind
neigend een nijdige nek:
'k zinge u; en 'k zinge u, o vlerken
die spant als den schoft van een trek-os,
maar die teder en licht
zijt als de vlerk der kapel;
motor, 'k zinge u en ronk
in me-zelf als het dommelig ronken,
('lijk aan de deur van een bie-
korf gonst hommelen-ronk,)
schuddend uw binnenst, en schuddend
de schuite en schuddend het want-werk,
schuddend als de aêm van de hengst
waar hij de meester verwacht;
— 'k zinge u; en naar me in het brein
de begeerte van 't zingen bemeestert,
duizel 'k als dronken, omdat
boud ik te zingen u durf.

Interludiën I (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

morgen

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

FEBRUARI-MORGEN IN 'T WOUD.

Wat macht'ge dromer en al-muzikant
En beelder heeft zijn tent weer opgeslagen
En weer betrokken na de winter-dagen?
Of sliep hij toen ook op het barre zand

En in 't nat loof, door koude onaangerand
Of vocht, hij, die het alles kon verdragen:
De koele hoogt', de felle wanhoops-vlagen
Der Onbetembre, haar zo nauw verwant?

En heeft hij haar bedwongen en verwonnen
Door macht'ge min en steigerende gloed,
Dat ons nu wachten harmonien-stromen,

Waarover lichte melodieën komen?
Of blijft het nog een worsteling, verwoed,
Wat nu ons dunkt een hoge vreê, begonnen?

12 Febr. 1910

Verzen (1920)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

geboorte

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Geboorte

Reeds was in haar het afscheidnemen
Begonnen tussen haar hart en het kind,
Misschien zou ze in 't licht als een vreemde
Aanschouwen, die ze in 't donker had bemind.

Zij dacht aan het wonder, dat ze open
Zou wezen en wijd voor leven en dood.
Zij bewoog zich niet meer; maar haar hopen
Op het kind en God was één en was groot.

Later; haar handen nat van tranen
Verhieven zich met zoveel majesteit
Als engelen, naar het kind gaande
Dat aan hun witte vleugelen had geschreid.

Doodenboek (1932-1933)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:32 Reageer op dit bericht

Een overdenking op zondagmiddag na veel spreken van allerlei mensen
met hun eigen wensen
Rechten
 
Er wordt veel gesproken
Ja, over mensenrechten
Maar mijn idee is
Als er iets mis is
Dan hebben we nog weinig rechten
Dus ook geen mensenrechten
Vele mensen filosoferen
Maar als je God niet kan eren
Wat moet je dan nog met mensenrechten
Hij verwierf mensenrechten
Door geestelijk zwaar te lijden
En de strijd te beslechten
Maar helaas waren er voor
Hem geen mensenrechten
Omdat mensen het slechte
voor een ander bedenken
We zijn overgegaan naar humaan
Humaniteit maakt juist dat de mens lijdt
Want daarin zit iets verborgen
En dat is een slappe hap
Geen strenge pap
Want ware rechten
Zijn de gestrengheid van God
Die gaf ons een heel ander
gebod of geboden
Maar die worden niet aangenomen
vanwege de afgoden!
Vluchtelingencrisis ten voeten uit!
Maakt alles glad en iedereen glijdt uit
Men heeft vaak te ver doorgeleerd
En soms nog jong al aan het woord
Dan zie je dat de jonkheid
heel snel is ontspoord!
 
Geschreven door Dora om 14:18 Reageer op dit bericht

straten

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

 

DUISTERE STRATEN

Regen zie ik, mist en regen,
grauwe mist en kille regen
En de natte mensen lopen
rustloos op de natte wegen.

D'eeuw'ge veerman in zijn pontje
vaart nog altijd op en neder
Lange schuiten deinen langzaam
en landziekig heen en weder.

'k Hoor een treurig orgel jamm'ren
schorre joden klagend schreeuwen.
Krijsend boven 't grijze water
vliegen kleine, witte meeuwen.

Ach! die grauwe sombre huizen,
ach! die glimmend zwarte bomen,
Kille mist omhult mijn ziele ....
dof mijn denken, grauw mijn dromen ....

En ik zie een andre nevel
droever nog en meer te vrezen
die is kil en ondoordringbaar
en die ligt op liefste's wezen.

Angstig staar ik in haar schemer
zoekend in de koude, dichte,
diepte — bang de handen strekkend
schreiend om mijn zon — de Lichte!

Tot dan plotsling scheurt de sluier
warmte schijnt uit donkere ogen
en mij nadert, droef vertrouwlijk,
't hoofdje, half ter zij gebogen.

Zachte blikken zoeken mijne
en de lieve lippen vragen
Liefste! liefste dan! — mijn zonne
komt weer dagen! komt weer dagen!

1884

Jeugd-verzen (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:00 Reageer op dit bericht

vogels

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

  

DE VOGELS.

De winter scheert de lustwaranden            
En schudt de naakte lindentop:
De vogels slaan aan andere stranden
Het schommelende nestje op;
Maar, waar ze ook elders nederstrijken,
Vergeten doen ze ons nimmermeer -
De winter doet de vogels wijken,
De lente brengt de vogels weer.

Nu laten ons met stil verlangen
De ontvloden ballingen alleen!
Hoe vrolijk klonken eens hun zangen
Door hutten en paleizen heen!
Ginds, waar de vreemde bloemen prijken,
Klinkt nu hun feestlied heinde en veer:           
De winter doet de vogels wijken,
De lente brengt de vogels weer.

Wij, aan dit logge stof gekluisterd,
Benijden haast hun vrije vlucht.
De glans van 't zonlicht is verduisterd,
De nevels rijden door de lucht:
0, wie de vogel mocht gelijken,
En ijlen naar een warmer sfeer! ...
De winter doet de vogels wijken,
De lente brengt de vogels weer.

Zij denken aan hun verre vrinden;
En wijkt in 't end de laatste orkaan,
Dan zoeken zij hunne oude linden,
Die weer in volle bloesems staan.
Zij zijn voor armen en voor rijken
Geluksprofeten van de Heer...
De winter doet de vogels wijken,
De lente brengt de vogels weer.

De Dichtwerken (1872)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

oceaan

Een gedicht van Jan Veth 18654-1925

Op de oceaan.

De zee jacht òp een heir van vlugge kuiven,
Waar zilte zoomen van smaragd in schijnen;
Zij rimplen, rijzen, wentlen en verdwijnen,
In wisslend spel van schittren en verstuiven -

En in de branding van dat stage schuiven,
Laat golf na golf haar donkre diepte deinen, -
Tot indigo en brons in grijs verdwijnen,
Om zilvren kuiven weer omhoog te kruiven...

Ai mij, is zó de maatgang van dit leven,
Moet elk licht dùs in nieuwe vloed bedolven,
Smelt iedre kleuring weer na luttel tijd?...

Zijn liefde en schoonheid enkel schuim van golven,
Verstuivend in de drift van rustloos streven,
En woont alleen in wissling eeuwigheid! -

Nov. '09 De Gids. jrg 74 (1910)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

stil

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

Stil van wind.

Daar lei een scheepje gemeerd in het Diep.
De wind was ter ruste, het watertje sliep
En 't scheepje moest liggen tot later;
Het spiegelde intussen voor tijdverdrijf
Zijn mast en zijn want en zijn ranke lijf
In 't klare kristal van het water.

Geputst had de schipper, gegutst had het nat
En gangboord en stuurboord en alles was glad
En fris van het stromende water.
Toen floot hij een deuntje en draaide gezwind
Een zon uit zijn zwabber en keek naar de wind,
Maar 't wimpeltje druilde: - tot later!

Kindergedichten (1914) 

schrijver

Geschreven door Dora om 21:10 Reageer op dit bericht

tijd

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

Waar tijd en eeuwigheid elkaar beroeren

LXIV

Waar tijd en eeuwigheid elkaar beroeren,
Worden de sterren in de nacht geboren,
Vuurbloemen die de rijzendranke roeren
Van donkre aardtochten naar Gods ooglicht boren.

En waar de heemlen van voor Hem vervloeren
Tot glazen glansbaan eindelozer koren,
Lijnen der stelslen weemlende contouren
Door 't klaar kristal donkervermoede voren:

Door weêrzijds-open venstren als door ogen
Schijnen de heemlen in elkaar en de aarde:
Liefde met liefde wisslen wondre waarden,
Aarddonker tegen Godslicht opgewogen...
In evenwicht van gulden ruil geheven
Wandelt de wereld vleugelloos te zweven.

Sonnetten (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:05 Reageer op dit bericht

gebondenen

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Gebondenen

Vreugd is een vogel die woont
Hoog boven wolken, in 't blauw,
Waar ze op het nest zit getroond,
Voedend haar broedsel met dauw.

Wij, door het leed, in heur tuin,
Worden te sluimren gesust,
Schemer en bladeren bruin
Weven de wade onzer rust.

Soms komt de zon door het grauw,
Wind langs het lover gevleugd,
Dan snakt ons hart in het blauw
Mede te zweven met vreugd.

Maar door dit klagend gedicht
Bindt ons de val der fontein:
‘Zwaar’ is de meester van ‘licht’,
Tranen zijn zoeter dan wijn.

De Beweging, jrg 12,  1916

schrijver

Geschreven door Dora om 14:14 Reageer op dit bericht

torens

Een gedicht van Prosper van Langendonck 1862-1920

De torens

Ze rijzen, rijzen, hier en daar verspreid,
de hoge torens in de vlakke velden, -
als baken van gevoel, die wisheid melden
langsheen die duiz'lingwekkende eeuwigheid ...

Hen ziet de zwerver, tot de zon verscheidt,
opdagen, of ze beurtlings hem verzelden.
Wen nacht en stilte en vreemd geruis hem kwelden,
klinkt nog hun stem, die troostend hem geleidt.

'k Ging door een land van smarte ...  Vaak bezweken
mijn krachten ...  Immer vond ik, 't pad ontweken,
een richtbaak voor mijn stappen, mank en krank,

en stronkelde ik in wanhoop soms verloren,
dra viel door 't duister, uit een hoge toren,
diep in mijn ziel een verre klokkenklank.

schrijver

Geschreven door Dora om 16:51 Reageer op dit bericht

strijd

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924

De bloed'ge strijd om het bezit

De bloed'ge strijd om het bezit
Is ook een strijd om machtigste geest,
Het bezit van het goud, het wit,
Zweept óp de geest het allermeest.

En 't storten van het mensenbloed,
En 't willen winnen in de gloed
Van staal en vuur, die moorden, doet
De geest stijgen in 't Al, de sterren tegemoet.

Strijd (VI)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:17 Reageer op dit bericht

arbeid

Een gedicht van Hermen Gorter 1864-1924

De arbeid is ook de bron van het weten

De arbeid is ook de bron van het weten,
Hij is de wel van de goudenen geest.
Door zijn gestage groei groeit ongemeten
De macht van den geest binnen 's mensen leest.

O! door het storten van het bloed, en strijd,
Gloeit dus ook ander licht op uit d' arbeid,
Dat is het gouden licht der geestesarbeid,
De geestesarbeid zelf, de gouden waarheid.

De aarde wordt door een goud licht omgeven,
Als 's avonds, als de zonnedraden weven
Om haar heen een evenwijdig zacht licht,

Dit licht het is het gouden geestesleven
Van haar kindren, de mense', uit stof geheven,
Door 't bloed straalt het goud om haar aangezicht.

Strijd (V)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:43 Reageer op dit bericht

arbeid

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924

De arbeid maakte de verhoudingen

De arbeid maakte de verhoudingen
Der mensen en de strijd van hunne klassen.
Het bezit is uit de arbeid opgewassen
En de strijd om 't bezit, het goudene.

De adel vocht tegen de koningen,
De burgers tegen des adels woningen,
De burgers wierpen koningen en adel
Uit hun trotse en hoogverheven zadel.

De slaven vochten tegen hunne heren, -
O denk om Spartacus en geef hem ere! -
De gezellen vochten tegen de burgers,
De loonarbeiders tegen hunne wurgers.

O overal is de goudene strijd
Ontstaan uit de arbeid, sinds eeuwigheid.

Strijd (IV)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

gemeenschappelijk

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924

De gemeenschaplijke arbeid schiep de stammen

De gemeenschaplijke arbeid schiep de stammen,
En doet de strijd tussen die stamme' opvlammen
Rondom de hele aarde. Een woest gebeuren
Waarin de stammen elkander verscheuren.

Grotere samenarbeid schept de volken
Uit de stammen, en doet ze in grote wolken
De aard bewonen. En in bittre strijd
Om de aarde vechten voor hunne arbeid.

Over de ganse aard maken de naties
Hun bonden, hun wereldorganisaties,
Voor de gezaamlijke wereldarbeid,

Maar die reusachtige bonden van naties,
In hun vijandige organisaties,
Drijft de arbeid tot nog hogere strijd.

Strijd (III)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten