Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

strijd

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924

De bloed'ge strijd om het bezit

De bloed'ge strijd om het bezit
Is ook een strijd om machtigste geest,
Het bezit van het goud, het wit,
Zweept óp de geest het allermeest.

En 't storten van het mensenbloed,
En 't willen winnen in de gloed
Van staal en vuur, die moorden, doet
De geest stijgen in 't Al, de sterren tegemoet.

Strijd (VI)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:17 Reageer op dit bericht

arbeid

Een gedicht van Hermen Gorter 1864-1924

De arbeid is ook de bron van het weten

De arbeid is ook de bron van het weten,
Hij is de wel van de goudenen geest.
Door zijn gestage groei groeit ongemeten
De macht van den geest binnen 's mensen leest.

O! door het storten van het bloed, en strijd,
Gloeit dus ook ander licht op uit d' arbeid,
Dat is het gouden licht der geestesarbeid,
De geestesarbeid zelf, de gouden waarheid.

De aarde wordt door een goud licht omgeven,
Als 's avonds, als de zonnedraden weven
Om haar heen een evenwijdig zacht licht,

Dit licht het is het gouden geestesleven
Van haar kindren, de mense', uit stof geheven,
Door 't bloed straalt het goud om haar aangezicht.

Strijd (V)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:43 Reageer op dit bericht

arbeid

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924

De arbeid maakte de verhoudingen

De arbeid maakte de verhoudingen
Der mensen en de strijd van hunne klassen.
Het bezit is uit de arbeid opgewassen
En de strijd om 't bezit, het goudene.

De adel vocht tegen de koningen,
De burgers tegen des adels woningen,
De burgers wierpen koningen en adel
Uit hun trotse en hoogverheven zadel.

De slaven vochten tegen hunne heren, -
O denk om Spartacus en geef hem ere! -
De gezellen vochten tegen de burgers,
De loonarbeiders tegen hunne wurgers.

O overal is de goudene strijd
Ontstaan uit de arbeid, sinds eeuwigheid.

Strijd (IV)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

gemeenschappelijk

Een gedicht van Herman Gorter 1864-1924

De gemeenschaplijke arbeid schiep de stammen

De gemeenschaplijke arbeid schiep de stammen,
En doet de strijd tussen die stamme' opvlammen
Rondom de hele aarde. Een woest gebeuren
Waarin de stammen elkander verscheuren.

Grotere samenarbeid schept de volken
Uit de stammen, en doet ze in grote wolken
De aard bewonen. En in bittre strijd
Om de aarde vechten voor hunne arbeid.

Over de ganse aard maken de naties
Hun bonden, hun wereldorganisaties,
Voor de gezaamlijke wereldarbeid,

Maar die reusachtige bonden van naties,
In hun vijandige organisaties,
Drijft de arbeid tot nog hogere strijd.

Strijd (III)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

arbeid

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

 

Uit de arbeid komt voort de bloedige strijd

Uit de arbeid komt voort de bloedige strijd.
De arbeid is 't die doet de stromen bloed
Om de aarde vloeien. In rode damp van bloed
Doet haar dampende voortgaan de arbeid.

Zij gaat in 't Al de sterren tegemoet,
Waarvan de smart en strijd haar onderscheidt,
In wolken van bloed, en tranenbeschreid,
In van pijn en rouw nacht en gloed.

De aard is in goudene sterren rood
En zwart van stromend, geronnen mensenbloed.
De lichamen der levenden een vloot
Op der doden stromende levensvloed.
En van die levenden geweld'ge dood,
Door strijd, van die doden het doden boet.

Strijd (II)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:30 Reageer op dit bericht

wezen

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

 

Het wezen van 't heelal is energie

Het wezen van 't heelal is energie
Het wezen van de mens is zijn arbeid,
Door de arbeid is de mens een deel van die
Oneindige natuurkracht: de waarheid.

Maar daardoor is 's mensen wezen ook strijd,
Want 't voorwerp van zijn arbeid is natuur,
En haar vermeestert slechts het sterkste vuur,
Dus: strijd van allen zonder onderscheid.

Strijd (I)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 18:10 Reageer op dit bericht

dies irae

Een gedicht van Arnold Sauwen 1857-1938

 

Dies irae.

De doodsklok galmt met doffe slagen,
een naar gelui, dat dorp en gouw
de droeve mare melden zou:
een dode wordt ter kerk gedragen.

Traag volgt de stoet van vriend en magen,
in 't zwart gekleed, de ziel vol rouw
om hem die heenging, plichtgetrouw
des levens last droeg en zijn plagen.

De boetpsalm jammert... smekend teer
hoort men het Miserere klagen:
ach! wees der ziel genadig, Heer:

Dies irae... wil niet versagen,
daagt eens de kwaadste van de dagen,
arm hert, dat angstig vraagt: wanneer?

Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 1928

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

wedstrijd

Een gedicht van N.J. Storm van 's Gravensande

DE WEDSTRIJD.

De Vrouw.

Meer dan de mannen zijn de vrouwen trouw als goud;
Sla slechts de boeken op; zij doen op duizend bladen
U lezen, wat voor eedle daden,
Zo menig vrouw, deed voor der mannen lijfsbehoud.

De Man.

Wel zo, dat snoeven staat u wel!
Één voorbeeld doet uw trouw ver onder de onze dalen,
Haalde Orfeus niet zijn vrouwtje uit de hel;
Wat vrouw dorst ooit haar man daar halen?

schrijver

Geschreven door Dora om 21:11 Reageer op dit bericht

goede nacht

Een gedicht van Adam Smons 1770-1834

GOEDE NACHT AAN MIJNE OUDERS

Ontslapen de 9 juli en 24 augustus 1801

De gouden zon verdwijnt,
En de avondstar verschijnt
Hoog boven zee en landen;
Zij, wenkende de maan,
Steekt 's hemels lampen aan,
Om voor de nacht te branden.

De roerdomp bromt van verr',
En de uil krast ginds en her,
De vledermuizen zweven;
Der dorpsklok hol geschal
Wenst goede nacht aan al,
Wat adem heeft en leven.

De mens van werken moe
Sluit de ogenleden toe,
Vergeet de bange zorgen:
De stilte houdt de wacht,
De rust geeft nieuwe kracht,
En sluimert tot de morgen.

Van zorgen afgemat
En alle de onrust zat,
Zult ge ook, mijne ouders! slapen
Een nacht van eeuwen lang,
Waar in men goud, noch rang,
Noch titel acht., noch wapen.

De wereld is daar slijk,
Genot, een droom gelijk ,
De mensen zijn daar blaâren,
De storm wierp hen daar neer,
Gaf hen aan de aarde weer,
Om in haar schoot te gaâren.

Des dodengravers lied,
Zijn spade hoort gij niet,
Bij 't sluiten uwer woning:
Ook hoort gij 't orgel niet,
Als ons verheven lied
Vereert de grote Koning.

In uwe diepe rust,
Van alles onbewust,
Zond hij twee eng'Ien neder;
Zij houden bij u wacht,
En geven, na de nacht,
U bet're morgen weder.

Slaap dan, geliefde twee,
In uwe zaalge vreê!
Ik zal haast bij u wezen:
En als de nacht verdwijnt,
De morgenstar verschijnt,
Zijt ge uit uw slaap verrezen.

Gedichten (1805)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

wachten

Een gedicht van Jan Luyken 1649-1712

Het wachten valt pijnelijk.

Vervager der dagen, zo stadig in 't jagen,
Hoe vliegt gij, hoe vliegt gij zo trage?
Nooit susten u 't rusten, of zoude 't u lusten
Een minnaar, een minnaar te plagen!

Wanneer ik verlange, dan tracht gij uw gangen,
Dat valt mij, dat valt mij zo bange;
Ik achte, te smachten, dit beiden, dit wachten,
Dat maakt mij, dat smaakt mij zo wrange.

Wanneer mijn beminde haar bij mij laat vinden,
Dan kunt gij, dan kunt gij verslinden,
O gure, zo dure, vergulde schone uren,
Dan tart gij, dan tart gij de winden!

Dan tart gij de stromen, die langs hare zomen
Als pijlen, als pijlen afkomen.
De kusjes, de lusjes, van heden, van flusjes
Die maakt gij, die maakt gij tot dromen.

Dit uurtje is henen; dit weder verschenen
Dit kusje, dit kusje verdwenen;
Dit glijden der tijden is beter te lijden
Als 't treuren, als 't treuren - allene.

De dag is aan 't rijzen, en 't nachtje aan 't dijzen,
Ai rep u, ai rep u wat, grijze!
Ga spoede, nooit moede, dan noem ik u - goede,
Dan zal ik, dan zal ik u prijzen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten