Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

profeet

Een gedicht van Willem de Merode1887-1939

 

DE  PROFEET  EN  ZIJN OPVOLGER

Wij moeten worden als de bomen,
Die luistren in de diepe Grond.
Dan, zal een ruisen door ons stromen,
En alle blaadren worden mond.

De nederigen en de vrouwen
Geloven 't open woord gezwind;
Zij overreden het mistrouwen
Der mannen; en een eenzaam kind

Glipt 's avonds heimlijk in ons lover,
En heeft zijn nest zo diep gebouwd,
En geeft zich zo gewillig over,
Alsof hij één werd met ons hout.

Langs den Heirweg (1926 - 1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:41 Reageer op dit bericht

nodelooze

Een gedicht van W.L. Penning 1840-1922

NODELOOZE BEKOMMERING

Scheen 't heiligschennis, buitenshuis-ook te gewagen
Van liefde's teerste, van haar innigste bestaan,
Aan hoorders dacht zo min mijn roemen als mijn klagen,
Maar dichter is hij niet, die hoorders tracht te ontgaan;

Een toevlucht, ongezocht, heeft soms zijn hart te danken
Aan 't door zijn woord gestemd, aan 't diep verwant gemoed;
De menigte — blijft ver; zo ze al iets hoort, zijn 't klanken;
Onschendbaar huist in 't lied, mijn ziel! uw heiligst goed.

Levensavond (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:16 Reageer op dit bericht

rust

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Als ik rust....

Als ik rust op 't doden-kussen
Als mijn ogen niet meer zien
Als mijn oren niet meer horen
Zal er éen, o éen misschien
Brand van ziel en zinnen blussen
Lopend tussen 't zonnig koren
Met mijn verzen 't leed t' ontvliên.

Verzen, duizend verzen schreef ik
Voor mijn ziel gestalte kreeg,
Nú was 'k al te zeer van woorden
Dán van leed en vreugde leeg;
Maar thans in mijn verzen leef ik,
Ziel en woord bijeenbehoorden
Sinds uw schoon beeld tot mij neeg.

Loop ik hier: 't is 't blauw der luchten,
Loop ik ginds: 't is 't groene woud;
Waar ik ga, of klare stromen
Baden in het middag-goud,
Hoor de donkre dennen zuchten
Zwatelen de klaterbomen,
Waar het blad nooit ruste houdt;

't Ruist en suizelt in de klanken
Van mijn lied, waar, fonkelend
Als de weerschijn van rivieren
Verten vindend onbekend,
Schitteren met prismaspranken
Woorden, die de weelde vieren
Van de zondoorblonken Lent'.

Laat mij zonder taal of teken,
Schoonheid, nimmer van U zijn;
Laat mijn lied ten einde klinken,
Kan 't in vreugde, als 't moet in pijn;
Laat de beker nimmer breken
Andre mensen lang doen drinken
Teugen van mijn levenswijn.

Onze eeuw, jrg 4 (1904)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:44 Reageer op dit bericht

album

Een gedicht van Karel Ledeganck 1805-1847

 

Aan mijne Eegade.

IN HAAR ALBUM.

't Waar' vergeefs dit koude blad
Met nog kouder zwart beklad,
Om te melden, welk een gloed
Ge me in 't harte blaken doet;
Zulks vereiste ene englenhand,
Met een stift van diamant,
En een inkt van vloeiend vuur
Op des hemels reinst azuur!

1839

Gedichten (1883)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:08 Reageer op dit bericht

tillen

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

 

Over 't paard tillen.

Uw nauwgezetheid is beducht
Mij ‘over 't paard te tillen.’
Maar is er iets wat u belet
Dat gij mij in de zadel zet?
Gesteld - dat gij 't zou willen.

Gedichten IV (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:35 Reageer op dit bericht

taal

Een gedicht van Hugo Verriest 1840-1922

De vlaamse tale is wonderzoet

De vlaamse tale is wonderzoet
voor die heur geen geweld en doet,
maar rusten laat in 't herte, alwaar
ze onmondig leefde en sliep tegaar,
tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank
te monde uit, gaat heur vrije gang.
Wat verruwprachtig hoortoneel,
wat zielverrukkend zingestreel
o vlaamse tale uw kunst ontplooit,
wanneer zij 't al vol leven strooit
en vol 't onzegbaar schoon-zijn, dat
lijk wolken wierooks welt
uit uw zoet wierookvat!

Wie en wat ik ben (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

schaatsenrijder

Een gedicht van M.A. de Wijs-Mouton 1873-1935

 

De schaatsenrijder

Over donkre, gladde baan
zwiert de schaatsenrijder,
wijder, telkens wijder
wordt zijn kloeke draai,
’t krachtig, maar toch lucht gezwaai,
al maar verder, rustig verder
al in ’t vallend avondstond,
naar de rode horizont.

Handen diep in duffelzak,
bontmuts over d’oren,
snijdt hij fijne voren
met het blanke, scherpe staal,
zwiepend bij elke nieuwe haal,
zwenkend omme, telekens omme,
wonderkunstig hoe hij zweeft,
schijnbaar zich geen moeite geeft.

Alles lijkt zo leeg en ijl –
door berijpte weien
lange sloten rijen,
’n kerkespitse aan de kim,
’n dorpscontourtje, ’n molenschim...
’t is al star en strak… en verder
zwiert de rijder op zijn baan,
of hij eeuwig door zal gaan.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

sneeuw

Een gedicht van Joannes Reddingius 1873-1944

  

De witte sneeuw

De witte sneeuw, in zachte val
Gestoven heinde en verre
Uit onafzienbre hemelhal
Als kleine sterre aan sterre,

Heeft stadig dalend toegespreid
Al de onbegaanbre wegen,
‘k Wist niet dat mij was toegezeid
Zo’n schone winterzegen.

Als wit besneeuwde mensen staan
De wilgen, half gebogen
De ruwe romp, opengedaan
Hun takken, onbewogen.

Zijn ’t  pelgrims, in gesloten pij,
Van uit het Oost gekomen,
Die wachten staan, nu het daggetij
Tot bidden roept de vromen?

Ik weet het niet, aandachtig wil
Ik mijmrend blijven kijken
Naar ’t  sneeuwgezicht en voelen stil
De droom er van, de rijke.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

als

Een gedicht van C.S.  Adama van Scheltema 1877-1924

ALS GE MAAR .. .

Pragmatisch leerdichtje.

Als ge maar in 't drukke leven
't Eigen leven niet vergeet,
Als ge maar niet wordt gedreven
En van eigen drift niet weet!

Als ge in de maskerade,
Die het leven spelen laat,
Maar niet speelt tot eigen schade
Aan uw eerlijke gelaat!

Als ge maar naar 't doel der dagen
Groeit en bloeit, om in het lest
De éne eigen vrucht te dragen - -
God vergeve dan de rest!

De Keerende Kudde (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

het huis

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Het huis

Dit huis heeft de rust van de maagdelijke duinen
Gebroken noch verstoord;
Het ligt in het nest van zijn geurige tuinen,
Als bracht de grond het voort.

En waarlijk, het wèrd ook gewonnen, geboren;
Een eedle kunstnaarsdroom
Bevruchtte, als het zaad, dat zich mengt met de voren,
Het steenblok en de boom.

En zo uit die paring, dat innigst verzamen,
Is toen de bouw gegroeid,
Die nu, tussen duindorens, distels en bramen,
Gelijk hun broeder bloeit.

Vaak zit ik hier uren in stilte te turen,
Ik, meester die het schiep,
Naar 't blozende dak en de sneeuwwitte muren,
Alsof mijn kind daar sliep.

bron: De Beweging, jaargang 14 (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten