Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

nieuw jaar

 Een gedicht van Christiaan Huygens 1596-1687

Nieuw jaar

Nog eens ten einde 't oude en voor aan 't nieuwe jaar,
en tel ik tachentig op negen maanden maar!
Waar zijn die zeventig en negen jaren henen?
Als nieuwe dromen elk verschenen en verdwenen,
en nu de volle som: maar ene oude droom.
Wanneer zal 't einde zijn? Hoe lang staat de oude boom
op taaie wortelen en weert zich, onder alle
die daags bij duizenden rondom hem nedervallen?
Hoe lang en wankelt mijn onafgesleten kracht
niet meer als and'ren meest ter halver wege placht?
Gij weet het, Heer, alleen; en houdt het mij verborgen.
Laat die onkunde mij tot meer en meerder zorgen
gedijen, om een eind, 't zij nog ver of nabij,
o goedertieren God, dat U gevallig zij.

1 januari 1676

schrijver

Geschreven door Dora om 21:34 Reageer op dit bericht

civilis

Een gedicht van Charivarius 1870-1946

Civilis

Wien Neêrland's bloed door d'âren vloeit, van vreemde smetten,
En andr' infecties vrij, en die gedwee 's lands wetten,
Al zijn ze soms wat mal, gehoorzaamt; wiens borst
(Zijn onbeklemde) gloeit voor Vaderland en Vorst,
Die ere hem, die van de grote kamp de ziel is:
Het hoofd der Batavieren, Claudius Civilis.
Van afkomst Batavier - Romein naar burgerrecht,
Zag hij met afschuw hoe de landzaat werd geknecht.
Want daartoe was het al in Nero's tijd gekomen;
Gestadig was de onderdrukking toegenomen,
De bondschap was ontaard in bitt're slavernij ...
Toen trad Civilis op. De redding was nabij.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:07 Reageer op dit bericht

wanhoop

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924

Wanhoop

Zeg niet: "mijn leven is mislukt."
Neen: het Leven is ene mislukking van God.
De hand, die heden bloemen plukt,
Krampt morgen in zijn laatste lot.

Kwatrijnen (1924)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

canteclaar

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Canteclaar

Gekamde koning Canteclaar,
hoe geren zie 'k u komen daar,
gestapt zo edeldrachtig
als Alexander, Attila,
of Karloman zijn wederga;
heel keizerlijk almachtig!

Gij kraait, terwijl ge uw vlerken slaat,
en 't stemgeluid dat henengaat,
uit uwe hals gedreven,
herwekt het slapend mensendom,
het boodschapt hem de dag weerom,
de dag, het licht, en 't leven.

Uw vonkelende oge, uw rode kam,
een laaiend beeld van vier en vlam,
uw zwakke steert, uw sporen,
uwe om end om geglimde borst,
uw strijdbaarheid, uw zegedorst,
uw stem, zo schoon om horen...

wie is er die dat al beschrijft,
die, heel in woord en taal gelijfd,
doet leven u en waken?
Wie is er? Anders geen als gij,
heer Canteclaar, die machtig zij
uw evenbeeld te maken.

Vaart wel dan: ik ontgeef 't mij, en
'k wil weten dat ik verre ben
bij u voortaan ten onderen;
gij hebt, o haan, de prijs behaald,
kraait koning nu, en zegepraalt,
en laat mij zwijgend wonderen!

22/03/1892

De Tijdkrans (Wonnemaand)

schrijver

Geschreven door Dora om 23:07 Reageer op dit bericht

de afgod

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

  

De Afgod

Een arme heiden boog gedurig voor zijn god,
Een houten beeld, reeds oud en, mooglijk, half verrot,
Maar door de verfkwast met wat kleuren overstreken.
Daar lag hij diep bedroefd op ’t ijvrigst voor te smeken.
Ach, zei hij, Huisgod, die mijn vader jaren lang,
En ik bijzonder ere, en aan wiens knieën ik hang,
Zie toch mijn armoe: ’k heb geen brood om bij te leven,
Verschaf mij nooddruft, ach! gij immers kunt ze geven.
Te werken heb ik niet, en ’t hongren valt zoo hard;
Och wist ge eens bij gevoel, hoe jammerlijk het smart!
Een halve daalder slechts zou me immers recht verrijken ,
Daar had ik alles mee. — ô Laat me niet bezwijken.
Zie hier een lege beurs, die leg ik voor u neer;
En vul die, ’k ben hier na een half uur rustens weer.
Denk, wat ik aan u deed om u mooi op te schikken,
Dat ge in die boomgaard niet meer vooglen zou verschrikken,
Maar hier een God zijn, die, bezat ik geld als zand,
Bewierookt worden zou, zo goed als een in ’t land.
Zo sprak hij, en vertrok vol eerbied in ’t verwachten,
En keerde een poos daarna, vervrolijkt van gedachten;
Hij at, verzekerd van een kleine handvol geld,
En had het bakkerswijf daar weer op uitgesteld;
Ja zelfs ook onderweg zich schoenen laten meten,
En was zijn armoe in de zoete hoop vergeten.

Nu kwam hij weer. — De beurs was plat, en niet een duit,
Hij schudde wat hij kon, geen enkel’ viel daar uit.
Nu was hij raadloos en wanhopig. In verwoedheid
Grijpt hij de afgod aan: Erkent ge zo mijn goedheid,
Gij, onbarmhartig beeld, dus zegt hij, lig daar neer!
Nu krijgt gij nooit van mij de minste vriendschap meer.
Indien gij nukken hebt, ik ook dan heb mijn nukken.
Paf, zegt hij, smijt het om, en ’t valt in duizend stukken;
Hij zelf, hij schrikt er van. — Maar ’t glinstert op de grond,
Daar liggen patakons bij menigte in het rond!
De holle buik van ’t beeld hield geld in zich besloten,
En de oopning was voor ’t oog met lood weer toegegoten.
Het beeld was redloos weg aan splinters; maar de schat
Behield de arme man die ’t lelijk ding bezat.

Mijn vriend, hebt ge ook niet wel een afgod waar ge aan offert;
Hetzij dan ’t geel metaal dat ge in uw schatkist koffert;
’t Zij ’t ijdle pronkbeeld van geleerdheid zonder baat,
Met stijve staatsamaar en strakgeplooid gelaat;
’t Zij eerzucht, roemdorst, of al soortgelijke grillen
Waar we allen meestendeels ons leven aan verspillen;
Of wat het zijn mag daar ge uw heil van wacht, wellicht
Voor slooft en arbeidt als een eerste en duurste plicht?
Och, ieder heeft doorgaans zo’n popje dat hij huldigt,
Als waar hij ’t boven God zijn ganse ziel verschuldigd.
Ga in u zelf, doorzoek uw boezem en gedrag,
En zalig, die er zich geheel van zuivren mag!
Weet zeker, dat het u nooit zegen toe zal voegen,
Laat af, van voor dat ding in ’t oud gareel te zwoegen,
Maar grijp het moedig aan,  en brijzel ’t gans tot gruis,
Zo komt u van omhoog de ware zegen thuis.

Naklank (1832)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:53 Reageer op dit bericht

huisvrouw

Een kort gedicht van J.P. Heije 1809-1876

De beste huisvrouw

De beste huisvrouw, die bestaat,
Is zeker - waar op markt en straat
Geen mens van weet, geen mens van praat.

schrijver

Geschreven door Dora om 23:04 1 reactie Reageer op dit bericht

Een gedicht van Jan Campert 1902-1943

Dat ik van binnen brand, ik ben de eerste niet

Non sum qualis eram bonae sub regno Cynarae

Horatius

I

Dat ik van binnen brand, ik ben de eerste niet;
dat mij dit vuur verslindt, de laatste zal 'k niet zijn;
dat mij de slaap niet vindt voordat door het gordijn
de grauwe ochtend sluipt - 't is duizendmaal geschied.

Dat ik tot andren ga, dat alles is om niet;
dat ik vergeten zoek bij dans en lach en wijn,
het stilt mijn onrust niet zo foltrend is de pijn,
die haar afwezigheid eens in mij achterliet.

Nu zij mij dagelijks en nachtlang vergezelt,
de schelp van hare hand mijn kloppend voorhoofd koelt,
heb ik eensklaps en onverbiddelijk gevoeld,
dat zij mij nimmer, nimmer nader werd gesteld
als in de uren, die 'k hardnekkig heb geteld,
als met de martelgang, waarvan dit vers vertelt.

Sonnetten voor Cynara  (1942)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

  

ISRAËLITISCHE LOVERHUT.

Wie smalend tot Uw Hutje kwam -
Niet ik, gij Kind van Abraham!
Ik schenk, uit een oprecht gemoed,
De drempel mijner vredegroet!

Gij viert uw Feest, en zit getroost,
Te midden van uw talrijk kroost,
In schaduw van uw lovertent,
Als Mozes u heeft ingeprent.
Judea's wijnstok groent hier niet;
Olijf, noch vijg teelt ons gebied;
Gij gaardet hier, in rauwer lucht,
Min weeldrig blad, min zoete vrucht;
En toch, gij zit, uw lot getroost,
Te midden van uw talrijk kroost;
Uw Feesthut staat bij ons geplant,
Als eens in 't Palestijnse Land.

Drieduizend malen kwam de zon
Terug, waar zij uw jaar begon,
En nog bouwt gij uw lovertent,
Als Mozes u heeft ingeprent.

Jeruzalem ligt diep verneerd;
Des Tempels grondslag omgekeerd;
Verduisterd blijft die gloriedag,
Toen Isrel beider grootheid zag;
Maar eeuwig jong herrijst uw TENT,
Bij aller volken tal gekend'
Zo vaak de schaal, aan 's hemels boog,
Der dagen maat weer effen woog.

WIJ - tasten rond, in 't ongewiss';
Op ONZE wieg ligt duisternis;
De stond, dat ons Gods wil hier bracht,
Bleef ongevierd; werd niet gedacht!

Maar U heugt, dertig eeuwen door,
Dat u Jehova uitverkoor;
Dat, als 't geweld u vluchten deed,
Een reddend spoor het diep doorsneed;
Dat, zonder huisdak, levenslang,
Uw schaar zwierf, op haar kronkelgang;
Waar Vuur- en Rook-zuil voor haar toog,
En 't Man haar spijsde van omhoog.
GIJ viert het, tot op deze tijd,
Dat zo Gods arm u heeft bevrijd.

Dies breng ik, met oprecht gemoed,
Uw Hutje mijne vredegroet.
Wie smalend tot de drempel kwam;
Niet ik, gij Kind van Abraham!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:02 Reageer op dit bericht

wieg

Een gedicht van Johan Michiel  Dautzenburg 1808-1869

 

Moeder bij der wiege.

‘Ons zijvertrek is alree door de zonne verguld,
Hier zijn we nog zacht in schemer en schaduw gehuld,
Mijn zoontje rust in zijner wiege zo stil,
Dat ik het lieveke liefst nog niet wekken wil.

Vandaag is mijn dromerke jarig. Een keurig tooitje
Omgeve en siere mooi zijn schommelend kooitje.
Bij zijne ontwaken zal met de geurende rozen
Om 't zeerst en best zijn rond gezichtje blozen.

Rijst straks zijn blik verwonderd naar omhoog,
Dan zoekt me schielijk alom zijn vorsend oog;
O, kon ik met aaien en kussen hem doen verstaan,
Dat heden zijn tweede jaar is aangegaan!’

De handige moeder hangt om de wiegenhemel
Van kransen en kronen een krinkelbont gewemel
En wacht, dat het wichtje van zelve stil ontwake,
En blijde bij de glans der bloemen blake.

En schoner schikt zij steeds de geurige schat,
Die vervenwisselend blinkt van blad tot blad:
Daar opent het bloedje ongewekt zijne ogen -
En zie! in 't moederhart is des hemels heil getogen!

Verspreide en nagelaten gedichten (1869)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:58 Reageer op dit bericht

grijsaard

Een gedicht van Prudens van Duyse 1804-1859

De grijsaard en 't kleine meisje.

de g r i j s a a r d.

Vreemde kleine, zo aanminnig,
Vreest gij niet de middagzon?
Voelt ge 't niet? zij straalt zo vinnig.
Rust wat bij die koele bron.

Kom, melieve; zit wat verder
Onder 't koele boomgeblaêrt;
Daar is vreugd: een spelend herder
Heeft er kinderen vergaêrd.

Zie, de maaiers zelve slapen;
En ge werkt als een slavin,
Om wat aren op te rapen:
Grote moeite, klein gewin.

het kleine  m e i s j e.

‘Grijze, ik moet voor moeder zorgen,
Sedert lange reeds te bed.
Arme vrouwe! sinds de morgen
Werd geen spijs haar voorgezet.

Breien kan ze nu, noch spinnen.
‘Liefste meisje, zeide zij,
God vergunt u wat te winnen;
Ga, raap aren op voor mij.’

Met genoegen in hare ogen,
En met zweet op hare kaak,
Ging de kleine, 't hoofd gebogen,
Weder voort aan hare taak.

Gedichtjes voor kinderen (1849)  

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten