Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

moedertaal

Een gedicht van Frans de Cort 1834-1878

 

Mijne moedertaal, mijne moedertaal.

Mijne moedertaal, mijne moedertaal.
Wat andre komt daarnevens!
zwaardgekletter, klokkenklank,
snarenspel en minnezang
o mijn Neerlands, ja mijn Neerlands
dat alles zijt gij tevens!

Mijne moedertaal is de schoonste taal.
En zou ze 't ook niet wezen,
haar verkiezen zou ik nog,
want ze is de mijne toch!
O mijn Neerlands, ja mijn Neerlands,
wees eeuwig mij geprezen.

Mijne moedertaal, mijne moedertaal.
Wie of haar ook kleinere
min ik als mijn vaderland,
sta ik voor met hand en tand!
O mijn Neerlands, ja mijn Neerlands
dat hou ik steeds in ere!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 1 reactie Reageer op dit bericht

het dooit

Een gedicht van Alice Nahon 19896-1933

Het Dooit.

Zoals bij 't sneeuwen
die vlokskens, verveerd,
weiflend en trage
vallen op eerd,
zo moeten alle
gedachten van ons,
van uit de hemel
van room en dons,
dalen op aarde
waar alles dooit
wat sneeuwwit en droomrig
de dingen vermooit.

Droef is de dooi
maar als, uitgeblomd,
dat donzen droomsel
gefilterd komt
uit zuivere lagen
van wijze grond,
kristal is voor de ogen,
wijn voor de mond,
muziek voor de dichter,
drank voor de plant,
dan leer ik de lesse
van dooi in 't verstand.

Dooi die de vlokskens
tot wateren wijdt,
dooi die mijn dromen
tot daden herleidt,
droef zijt ge telkens
want ‘lief’ is op aard
wat blank als de sneeuw nog
zijn dromen bewaart,
maar drinkbaar het water
der ziel, dat, verreind,
door smarten gefilterd
naar de harten fonteint.

Dietsche Warande en Belfort jrg. 1926 (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:01 Reageer op dit bericht

oud en nieuw

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Oud en nieuw.

Zeg eens! - 'k hoor u altijd dromen
Van de goede 'oude’ tijd:
Zou er.... denk ik dan met spijt,
Nooit een goede 'nieuwe’ komen?....
Maak te schande, maak te schande
Al die prijzers van 't verleên;
Sla de handen flink ineen,
Wakkre mannen in den lande:
Toon, dat er nog kracht en pit
Ons in merg en beendren zit!

Zij het al niet met musketten,
Zij het niet met zwaard en lans,
Toch blijft ons nog schone kans
Om de vijand pal te zetten.
Maak te schande, maak te schande
Al die vechters voor 't verleên,
Sla' weer moedig om u heen
Wakkre mannen in den lande!
Zorg, dat Vroomheid, Vroedheid, Vlijt,
't Zwaard zij van de 'nieuwe’ tijd.

Zij uw weefgetouw het rapste
Van het hele wereldrond;
Klieve uw ploeg het best de grond;
Blijve uw handelsman de knapste!
Maak te schande, maak te schande
Frankrijks fijnheid, Englands kracht,
Duitslands weten, Ruslands macht...
Wakkre mannen in den lande! -
Vrank en vrij, en stuur en stout
Blijf 'Jong’-Neêrland, als het 'Oud’!

Bind dan, als in vroeger dagen,
Naast de driekleur, aan uw mast
Niet alleen de bezem vast
Om de zee mee schoon te vagen....
Maak te schande, maak te schande
Die hem 't oude doel slechts wijdt:
Toon, dat hij, in nieuwe tijd,
Nog wel béter veegt te l a n d e ....
Dat hij nu het éérst en méést
't Onkruid veegt uit hart en geest!

Al de volksdichten (1865)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

heide

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

De heide is maar stil

De heide is maar stil,
het overal vol licht,
en als een zilverspil
het zonnelicht;

de wolken varen weg
over het vage blauwgrijze,
heel ver liggen witte weg
op zilvere wijze.

Ik voel de wind vergaan
om mijne oren,
ik wilde wel vergaan

in 't licht te lore.

--------------------
uit: Verzen (1903)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

blijde dag

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Het is een blijde dag

Het is een blijde dag: het wit
Der sneeuw is door geen voet gekrookt.
De zonneschijn is zuiver goud.
De luchten staan van kristallijn.
De wind, die door de bomen strookt,
Rooft heel hun schat van tintlend rijm.
En als een vorst, die door de straten rijdt,
Strooit hij juwelen achteloos en wijd en zijd.

Het is een blijde dag: wij twee
Gaan dicht en veilig naast elkaar,
Met ogen hel van één geluk,
En onze schaduws zijn vereend
Een wazen koude blauwte, waar
De sneeuw in glinstert fel en vreemd.
En onze stemmen zijn gebenedijd,
Zo klaar en zacht en zoet en vol van zaligheid.

Het is een blijde dag: de lucht
Staat strak van onbewogen licht.
De sneeuw licht zuiver huiverrein.
Wij gaan tezaam, verheugd en stil,
Gezicht naast vredig aangezicht,
En één van hart en één van wil,
En zalig in de blankheid van dit uur.
Kortstondig als de sneeuw, maar wit en hel en puur!

De overgave (1914-1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

stuur

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936 

STUUR 'M DAN NIET HEEN

Als een mens komt met vriend'lijk ooggekijk,
Mond die iets liefs vertelt,
Stuur 'm dan niet been: 'keer morgen weer.'
Want wat één mens een andre liefs bescheer',
Is zonneschijn, die door de wolken welt,
Of een geplukte bloem gelijk.

Als zonneschijn, die door de wolken welt,
Drijft alle liefs voorbij.
Kijk op en zie of weet het niet;
Het licht in bleek gewolk vervliet:
't Lieve op een mond, die liefs vertelt,
Dort als een bloem, 'n geplukte, ai mij!

O morgen is een bloem een bloem,
Maar die ik plukte is dood:
En nieuw licht schijnt door wolken heen,
Maar 't licht dat ík u wees verdween;
En zonder liefs ben 'k nooit, geen nood,
Want liefs doen is poëten-roem; -
Maar d i t liefs vlood.

Nieuwe Gedichten (1901)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:02 Reageer op dit bericht

winter

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

Aan de Winter

Op den eerste sneeuwdag, in december 1827.
                 -  

Ha, oude Kennis! weer in 't land?
Ontzie een Koudkleum, zo 't kan wezen:
      Mijn levenskerfstof geeft u dra
Zes kruisen met een krap te lezen.

      En, deed mijn jeugd, min kil van bloed,
De citersnaar uw roem gewagen;
      Gij hebt het loon thans in uw hand -
Betaal het aan mijne oude dagen:

Een Feest vergoê, bij 't slot van 't jaar,
Wat ons zijn aanvang liet verduren:
      Moog', door uw hulp, de Waterloo
Het eind zien van heure avonturen.

      Schenk - schenk ons haast die ZOON terug -
De ZEEMAN, daar ons hart voor saagde;
      Toen - menig zwarte stond! - de dood
Zo menig dierbaar hoofd belaagde!

      Toen 't groeiend ijs, het dreigend Rif,
En de onbetrouwbre luim der winden
      De schaar, vermoeid van 't werk des dags,
In banger nacht geen rust liet vinden!

      't Zuidwesten vulle, op uw bestel,
Het zeildoek aan de Britse masten,
      Geplant in 't Neêrlands zeekasteel,
Dat Sonda's golven sinds omplasten.

      Dat ras de loots, voor Hollands wal
De boeg, die huiswaarts ziet, bejegen'!
      Dan toeft u hier ene erekrans,
Als onze Zwervling de ouderzegen.

De Waterloo, een oorlogsschip dat na averij bij Texel zijn reis naar Batavia voortzette

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

sta

Een gedicht van Nivcolaas Beets 1814-1903

Sta bene.

Wij zijn een natie van stavast, niet waar?
Ziedaar een trots, waar we onze troost bij zoeken.
Nu ja; die predikant staat hier of daar,
En onze kunst en wijsheid staat in boeken.

't Is alles even staande, als een pilaar.
Wij hebben staande jassen, staande broeken;
‘Die rok staat goed!’ In Frankrijk zou het zijn:
‘Mais cet' habit, mon cher! vous va très bien.’

Wij hebben een staand leger; sta-soldaten;
Studenten ook, die knevels laten staan;
Een sta-volharding, die niet veel wil baten;
Een sta-geleerdheid, die niet voort wil gaan,
Maar blijft, waar groot-papa het heeft gelaten;
Sta-classici met ijzren harnas aan.
Wat nood, indien we ons voetenpaar ontbeerden,
Indien wij niet somtijds de pas markeerden?

Maar deze wufte Fransjes, wel bekend,
Waarvan ik met een woord reeds heb gesproken:
Dat volkje loopt, en draaft, en vliegt, en rent,
Dol als een zee, waarin de stormen spoken.

Doch weet gij wat ik zeg? Men lette op 't end!
Eenzelfde hel zal voor hen allen roken!
Maar wij, wij hebben nooit iets kwaads gedaan,
Daar wij zo vast in onze schoenen staan.

Gedichten II (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

verhangen

Een gedicht van Omer Karel de Laey 1876-1909

Verhangen

’s Nuchtens, over winter, hangt 'n
schuwe schooier in de top
van een eike, langs een wegel,
witgeijzeld, aan 'n strop.

Zijn gerokken lijf, in vodden,
wiegelt met een doof gerucht
van de takken, lijk de slinger
van een uurwerk, door de lucht.

Diepe, met de randen vóór zijn
ogen, zit een vette hoed,
en er leken uit zijn neuze-
gaten zwarte druppels bloed.

Over ’t veld, in wilde snakken,
loopt de scherpe wind en vaart,
huilend lijk een brakke, door de
stoppels van zijn roste baard.

Uit de hemel, grauw lijk asse,
met een aardig moordgeschreeuw
draait een kraaie, rond de eike,
nerewaarts, tot in de sneeuw.

En ze vlucht, omdat de schooier
zijn bebloede tong uitsteekt
naar de zon, die lijk een gouden
penning, door het oosten breekt.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

oordel niet

Een gedicht van J.L. Nierstrasz 1796-1828

OORDEEL NIET!

Wees in ’t oordeel niet lichtvaardig,
Gij, die struikelt waar gij gaat!
Vraag, eer ge andren liefdloos smaadt,
Welk een vonnis ben ík waardig?

fragment

schrijver

Geschreven door Dora om 21:05 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten