Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

tranen

Een gedicht van G.H.J.E. Boswel 1830-1874

Tranen.

Droevige ziel! die geen uitkomst meer weet,
Is uwe hope gezwicht?
God geeft u tranen tot balsem in 't leed...
Broeder! uw lijden wordt licht!

Deed ge uw beminde uwe liefde verstaan,
Glipte uit haar lipjes geen woord;
Welde er van weelde in haar oogjes een traan?...
Makker! uw dageraad gloort!

Werd gij, verdoolde! der deugd weer getrouw;
Buigt gij boetvaardig u neer;
Biecht gij uw schuld in een traan van berouw?...
Heil u! en zondig niet meer!

Mij treffen marmeren tomben niet; neen,
'k Zie ze wangunstig niet aan;
'k Vraag aan mijn vrienden geen ijzer of steen...
'k Wens op mijn graf maar een traan!

Zalig! wie immer aan 't goed dat hij doet,
Tranen van meêlij vereent! -
Zalig! om wie ooit een lijdend gemoed
Tranen van vreugd heeft geweend!

Vaderlandsche Letteroefeningen  (1855)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

krankheid

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1909

KRANKHEID

Neen, nimmer kan in eenzaamheid
       Ik met mijzelf verkeren,
       Of vleugels hangen uitgespreid,
       Een klauw wil mij bezeren;

Een sombre vogel volgt mij staag,
       Gekromde kling de snavel,
       Bloedrood de pluimen van zijn kraag,       
       De mantel geel als zwavel.

Hef ik het hoofd, om 't meeuwenvolk
       In zilvren zwier te aanschouwen,
       Dan drijft hij als een donderwolk
       Tussen mijn blik en 't blauwe.

Buk ik mij neer waar bloemen staan,
       Of kleine zonnen schijnen,
       Daar vaart zijn schaduw langs mijn paan,       
       En doet dit goud verkwijnen.

Wel menig vrucht wenkt met heur mond
       De dorte mijner lippen;
       De vijand waakt, voor ik het vond,
       Zie ik mij 't zoet ontglippen.

Ook bij de noen aan 't blanke maal,
       Als ik mijn brood ga breken,
       En lijnwaad, beker, aarden schaal
       Zo trouwlijk met mij spreken,

Doorhuivert mij dat nóg een gast
       Van brood en room moet eten;
       Ik reik op schotels volgetast
       De helft hem van mijn beten.

Zelfs in de droom, kuis heiligdom,
       Waar 't leed zich komt verteedren,
       Suist langs de lampen om en om
       De wiekslag zijner veedren.

Van morgen, middag, avondrood
        Wil hij de gaven rapen,
        En, neemt de nacht mij in haar schoot,
        Moet hij ook naast mij slapen.

Soms tast ik vloekend naar mijn roer,
        Die kwaal in 't hart te treffen,
        Maar 't is of mij een stem bezwoer,
        De wetten te beseffen.

Ik grijp mijn zwaard om 't hoofd te slaan,      
        Een gifkelk van de stengel;
        Vast ziet zijn meerdiep oog mij aan,
        En ik herken een engel.

Herscheppingen (1916)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

kozak

Een gedicht van Cornelis van Marle 1765-1834

  

De kozak en zijn meisje

Olis

Minka! ach! wij moeten scheiden;
Hoor het krijgsklaroen mij beiden,
Zie, op gindse vale heiden,
Reeds mijn drom geschaard.
Treurig zal nu 't licht mij stralen,
Wenend zal ik eenzaam dwalen,
En zo lang uw naam herhalen,
Als mij 't krijgslot spaart.
Nooit zal ik van U mij wenden:
Midden zelfs in 's vijands benden,
Zal ik groeten tot U zenden,
Als mijn speerspits woedt.
Men'ge maan nog zal verbleken,
Eer ik kere uit verre streken.
ô Verhoor mijn jongste smeken:
Blijf mij trouw en goed!

Minka

Gij, mijn Olis! mij verlaten!
Ach! geen troost meer zal mij baten;
Elke vreugde zal ik haten,
Die zich lachend biedt.
Lange nachten, droeve dagen,
Zal ik mijne kommer klagen;
Alle koeltjens zal ik vragen:
"Zaagt gij Olis niet?"
Mijn gezang, weleer zoo teder,
Zwijgt; mijn oog zinkt treurig neder,
Doch zie ik U eenmaal weder,
Dan zal 't anders zijn.
Schoon ook al de frisse verwen
Op uw bruine wangen sterven,
Wonden U het voorhoofd kerven,
Eeuwig zijt ge mijn!

Rijmelarij (1814)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

liefde

Een gedicht van G.H.J.E. Boswel 1830-1874

LIEFDE.

Daar is een zoeken,
Dat woord en daad
(Liefst in 't verborgen)
Voor 't al moog zorgen,
Dat andren baat.

Gij, mijn vriendinne
Gij, tal van weken,
In zorg verstreken,
Gij toondet mij:
Die zusterliefde,
Die weinig vraagt;
Dat innig streven,
Om vreugd te geven
Wie smarten draagt!

Wie mag beogen
Zulk rein genot,
In 't aards gewemel
Vindt zij een hemel . . .
Haar zegent God!

Den Haag, 1866

schrijver

Geschreven door Dora om 19:24 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Eduard Brom 1864-1935

Aan mijn vrouw  20 Juli 1932.

Ne li occhi porta la mia donna Amore,
Per che si fa gentil cio ch'ella mira.

Dante Alighieri (1265-1321)


Je fijne gratie mij omwevend
Als geuren delicaat,
Je geest zo lichtend en zo levend
Mijn geest omzwevend, saam opstrevend .....
Je tere vrouwlijkheid, mij gevend
Een nieuw geluk nog laat
Maar jong en lichtend als een avend
Van droom en kleur en koelte lavend,
Een avond die héél langzaam duistert,
Maar door geen duister wordt ontluisterd .....
Want de avond-Schoonheid wil niet marren:
Uit dage-scheiden Zij ontluikt
In mane-glans en gouden starren,
In blijheid die de vogel tjuikt:
Een avond die de nacht weerstaat
Tot aan de nieuwe dageraad!

Laat dan mijn avondbeê je danken
In zacht koraal van morgenklanken,
Alsof mijn ziel pas werd gewekt
En nu opééns zichzelve ontdekt,
Als zon uit wolken openbrekend,
En met een vreemde stemme sprekend,
Aan lang verzaamde zingens-stof
Ontlenend plots der Liefde lof!

De Gemeenschap jrg 8 (Utrecht 1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:38 Reageer op dit bericht

dropsteen

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

 

Dropsteen

Bij 't rossig, zwaaiend schijnsel der flambouw,
Welks walmen tranen teelt bij 't krinklend stijgen,
Zie 'k spichtig kegels stijgen, pegels nijgen,
Wier blijde blankheid werd tot wenend grauw.

Het dropt, het dropt, van spits tot spits; aanschouw,
Hoe langzaam droppen door de droppen zijgen,
En, vallend, leven geven aan het zwijgen,
En worden tot een zuil bevrozen dauw.

Wat daalt, zoekt wat daar rijst, en welhaast zullen
Zij, samengroeiend tot één eeuw'ge zuil,
Elkaar omhelzen, en met schors omhullen.

Zó gaat het morgen in het gister schuil;
Zó kwam Mathilde mijn gemoed vervullen,
En kreeg mijn ganse ziel daarvoor in ruil.

Mathilde (XXXVIII)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:32 Reageer op dit bericht

natuur

Een gedicht van Antoinette Kleijn-Ockerse 1762-1828

Natuur, zo zacht

Natuur, zo zacht, zo wars van schijn,
laat in uw spoor mijn voetstap zijn,
gelei mij door 't oneffen land
gelijk een kind aan 's moeders hand.

Als ik vermoeid van struiklen keer,
dan zink ik aan uw boezen weer;
dan lest aan uwe moederborst
uw hemelnekter mijne dorst.

Hoe rust ik dan in uwe arm!
gij dekt mij in de koude warm.
O! lei mij door 't oneffen land
gelijk een kind aan 's moeders hand?

schrijver

Geschreven door Dora om 22:12 Reageer op dit bericht

kogels

Een gedicht van Carel Vosmaer 1826-1888

Het raapt al kogels

De vorsten spelen 't hoge spel,
't Plunderende, volkenmoordende spel,
Waar 't krijt gekozen is, wordt al
Wat oogst beloofde
Groen weggemaaid;
't Hinderlaagbiedende struikgewas
En 't breed gekruinde hout geveld;
Bloemrijke villa's en nijvere hoeven geslecht;
En vóór de oorlog
Is reeds het schone land geschonden,
Natuur verkracht.

Dan woedt de krijg op 't leeg gevluchte land.
Volken, in vrede wedijverend,
Vrienden door kunst en verstand,
Vrienden weer na de bedwelming,
Storten, waanzinnigen,
Opgezweept en verdwaasd
Door heersersgeweld en bedrog,
Elkander op 't lijf,
Trompetten en trommen verdoven 't gevoel;
De glorie, vuige deern,
Meestbiedenden, meestbloedoffrenden veil,
Viert de beestlijke tochten.
Uit bloedroes en kruitwalm ontwakend
Heet één de zegevierende!

En ginds raapt, welbewaakt,
Het keizerskind van 't slagveld
Wat kogels spelend op,
En lacht.

2 aug. 1870

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

ander

Een gedicht van Joost van de Vondel 1587-1679

Ander.

Koridon.

Koom hier, o goelijk meisje.
Gij ziet de velden groenen.
Vergun me slechts een reisje,
Dat ik uw mond mag zoenen,
En uw wangen, uit lust en verlangen.
Ay koom wat nader:
Want uwe moeder en was niet vroeder.
Zij kuste vader.

De duiven trekkebekken.
De dieren in de weiden
Een lijn te zamen trekken.
Wie kan de liefde scheiden
Van het leven, de jonkheid gegeven
Om te gebruiken?
Liefde moet bloeien. Door liefde groeien
De boom en struiken.

De werken van Vondel. Tiende deel 1663-1674.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:51 Reageer op dit bericht

wolken

Een gedicht van J.A. dèr Mouw 1863-1919

 

De gele wolken werden langzaam rood...

De gele wolken werden langzaam rood.
Dan dacht hij: Nu begint zonsondergang;
En keek weer naar de zwaluwen, die zo lang
De zon nog konden zien. En dikwijls schoot

De angst door hem heen: Eenmaal gaat moeder dood,
Hoe moet het dan? - Eens voelde hij bij zijn wang
'T laag rits'len van een vleermuis, en werd bang,
Toen hij 'm van dichtbij zag, grijs, plots'ling-groot.

Dan merkte hij, hoe in zijn afgrond diep
Het donker stond en langzaam overliep,
En golven duisternis de omgeving vulden;

En dan, op eens, zag hij blauw fonk'len, vlak
Tegen de schuine lijn van 't verste dak,
Die mooie ster, blank als een nieuwe gulden.

Brahman I (1919}

schrijver

Geschreven door Dora om 19:10 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten