Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

oorlog

Een gedicht van Lodewijk van Deyssel 1864-1952

  

Oorlogsbegin

Een blanke hemel welft zich over 't land,
Waar stoere boeren van de arbeid keren
En knapen zingend lopen hand aan hand.

Vast in de vrede, die geen angst kon deren,

Verdonkren de gezichten, die zich keren
Van waar de zon nog flauw in 't Westen brandt
Achter het hoge bergkam-woud, als speren
En bajonetten, dreigend zwart, geplant.

Nu denken die rouw-donkrë aangezichten
Om 't zacht verlichte raam in verre laan,
Om d'avondspijs, zo vrolijk aangebracht...

Tot bij de dalbocht plots uit vlakte-nacht,
Waar, als bouwvallen, vreemd de huizen staan,
Laaiende purpergloed ze komt verlichten.

De Gids (1923)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:15 Reageer op dit bericht

klein

Een gedicht van W.L. Penning 1840-1922

KLEIN EN KLEINST WAARDERING

Welk beeld, welk boek, welk lied,
En wat voor zang, wat wijs,
Ik 't meest geniet,
Ik 't hoogste prijs?

Mij gaat 't dáármee als met bloemen,
Verzameld tot een blij geheel;
Als fraaist van al laat zich geen deel —,
Als fraaist laat zich alleen de volle ruiker roemen.
En niet slechts lelie, roos en tulp
En al wat bloem heet, kwam te hulp
En was van dienst bij kleurenschikking:
Zou deze ook zonder 't stemmig groen
Van mos en blad en spriet voldoen?
Waar weeldegloed verrukt, schenkt eenvouds lach verkwikking.

Niets kan er in de tuil gemist,
Noch iets er uitgelicht zó boeien zonder 't ander;
Meer dan verdragen, mild vervullen doen ze elkander, —
En om geen voorrang wordt getwist.

Levensavond (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:34 Reageer op dit bericht

venster

Een gedicht van Margriet van Essen 1751-1793

Aan het venster, bij maneschijn.

Nacht en stil is 't, om mij heen
Al 't gewoel des daags verdween.
Slechts de lieve maan beschijnt
Mij, door zorgen afgepijnd.

Duizend tranen zijn gestort,
Duizend zorgen afgekort:
En, mij arme, die hier lij,
Is de middernacht zelf blij!

Zachtkens juich ik in mijn deel,
Mij is alles evenveel.
Niets van 't geen het oog bekoort
Is er, dat mijn ruste stoort.

Mag ik maar, vol zuiver vuur,
U, bewondren - o natuur!
Mag ik maar, ootmoedig stil,
Gaan, waar God mij leiden wil!

O wat wens ik mij dan meer?
'k Heb dan al wat ik begeer,
En, zo 'k ooit, door onspoed ween,
'k Zie dan, door dit leven heen.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:02 Reageer op dit bericht

winter

Een gedicht van Anton L. de Rop 1837-1895

In de winter.

Ginds op de heuvel
Onder de beuken,
Dor en ontblaard,
Zit nu de winter;
Wit is zijn kleding,
IJs is zijn baard.

Donzige vlokken
Strooit hij op aker,
landhuis en heg;
Hand doet hij worden
't Water der vlieten,
't Zand van de weg.

Krassende raven
Vliegen in 't ronde,
Bol van de kou;
Nevel en mistdamp
Hullen de velden
Weder in rouw.

Dan vaart de windvlaag
Woest door de takken,
Wild door het hout,
En wat te dor is,
Breekt hij al krakend
Af in het woud.

Maar - dat geeft brandhout
Vrij aan de grijsaard,
Huivrende bloed:
Weer rookt zijn schoorsteen,
Warm wordt zijn hutje -
Dat doet hem goed.

In 't vrije veld (1885) [jeugdliteratuur]

schrijver

Geschreven door Dora om 16:17 Reageer op dit bericht

zwaluw

Een gedicht van Karel Ledeganck 1805-1847

De laatste zwaluw

Oktober strooit, bij wind en vlagen,
De gele blaadren langs de grond;
Reeds koud en huivrig zijn de dagen,
En vliegt gij, Zwaluw! hier nog rond?
o Vlucht, geliefde! vlucht dees streken,
Door al uw zustren reeds ontweken;
Zet u in betere oorden neer,
De lente is hier al lang verdwenen,
De lieve zomer ook is henen,
Hier zijn geen schone dagen meer!

Geliefde, vlucht! geen voedzaam koren
Staat hier meer op het dorre land;
Waar ’t rijk en vruchtbaar was te voren,
Vindt gij thans niets dan stuivend zand;
Geen plekje gronds bleef uitgezonderd,
’t Is alles naakt en bloot geplonderd,
Het woud zelfs schudt zijn hulsel neer.
Blijf in dit oord niet langer zwerven
Of ligt zult ge er aan honger sterven; --
Hier is op ’t veld geen voedsel meer!

Vlieg heen! men vindt hier op den akker
Geen vogel meer die zingen wil,
Niets schijnt er levendig, niets wakker,
Maar alles is er dood en stil
Alleen, op bomen hooggewassen
Zit eenzaam soms een raaf te krassen;
Alleen, bij ’t windrig, buiig weer,
Hoort men van verre een jachtroer knallen,
Of ’t rundvee loeien op de stallen; -
Hier is op ’t veld geen vreugde meer!

Vlucht, lieve! want nog luttel weken,
En dan zal ’t hier zo ijslijk zijn!
Dan maakt de winter deze streken
Zo naar, zo doods als een woestijn.
Dan klemt de vorst met ijzren handen
De stromende rivier in banden;
Dat stort de scherpe hagel neer,
Dan zal de sneeuw natuur bedekken,
En haar tot rouwgewaad verstrekken;
Dan is hier niets dan weedom meer!

Gij hoort wat plagen, welke rampen
Zich hechten aan deez’ ruwe grond;
Hoe alles met de dood zal kampen,
En vliegt gij, Zwaluw! hier nog rond?
o Vlucht, geliefde! vlucht dees streken
Door al uw zustren reeds ontweken;
Zet u in betere oorden neer;
En als de winter is verdreven,
En als de schepping zal herleven,
Breng, lieve! dan de lente ons weer!

Bloemen mijner lente (1839)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

stap

Een gedicht van Hendrik Tollens 1780-1856

 

De eerste stap.

Op de kruisweg van het leven
Is zo licht een valse tred,
Vrienden, in de grond gezet,
Die er nooit wordt uitgewreven;
Is zo licht een stap gedaan,
Die ons nooit terug laat gaan.

o Wat zijt gij hoog te schatten,
Lesjes, die de wijsheid vond,
Spreukjes in de vadermond,
Waar ik één van op wil vatten;
Spreukje, zo vol eigenschap:
‘Wacht u voor de eerste stap'.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:37 Reageer op dit bericht

de profundis

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

DE PROFUNDIS.

Er is geen hartstocht schoner dan de haat,
de liefde in een brand van vlammen te vernielen,     
zodat in gouden gloor ten onder gaat
de drang en dorst der zielen.

O vrouw, die ik beminde zonder zoet gevlei,
die 'k minde om de nacht, en bij het dagen
met handen die aanbaden heb geslagen,
'k ben ver van U en daarom medelij!

En gij zijt zonder mij en door de straten
doolt gij alleen, die nu de honger weet,
en zo Uw ogen en Uw hart vergaten,
zult gij mij kennen in uw duldloos leed.

De zon, de domme doder van de droom
liet tussen ons te vaak zijn waarheid lichten,     
in wilde wanhoop greep gij naar gedichten
en las, en van Uw haren proefd' ik het aroom.

Te vele nachten, altijd saamgeklonken
in wanhoop die ons drukte als metaal,
te vaak als bann'ling aan de weg gezonken
slechts denkend aan het niet verkregen maal.

Ach, hoeveel dagen lagen onze hoofden,
waarin geen denking zuiver rijpen kon
verzaligd op het kussen dat wij g'loofden
bleek aureool, dat om ons hoofd zich spon.

En thans te ver van U en van Uw veile panden,
de kus van wulpse mond, de gloed van kranke geest,     
de smaadlach van Uw oog en streling van Uw handen,
0 't schaamteloze schoon, dat huivrend is geweest.

Geweest! Maar neen, maar neen, zolang 't begeren
ons hart niet loslaat als zijn lage prooi,
zolang zult gij tot mij, of ik tot u wel keren
zolang ons spel slechts schendend is en mooi.

Er is geen hartstocht schoner dan de haat
die onze liefde slopend zal vernielen
wij moeten verder tot het marmerkil TE LAAT
waar niets blijft dan gebroken nog te knielen.

Parijsche nachten (1923)

Geschreven door Dora om 21:14 Reageer op dit bericht

een en al

Een gedicht van Alex Gutteling  1884-1910

Een-en-al.

Wat vraagt één ziel van de Aard behalve vrede?
En vrede schenkt zij nooit, slechts strijd en streven,
En kort geluk, gevolgd door snik en beven, -
Zij stoort zich niet aan tranen noch gebeden.

Zij doet haar wil, en strooit haar heerlijkheden,
En werpt haar bliksems, door geen drang gedreven
Dan Macht en Noodlot. Ach, en alle leven
Trekt zij weldra in eeuwge nacht beneden.

En toch, zichzelf bemint ze, en ons, haar kindren,
Kan zij niet haten, - soms verstaan wij, stralen-Omluisterd,
eensklaps haar ontzaglijk Wonder.

't Zien van haar tijdloos wezen doet vermindren
Voor altijd onze vrees, want wat ook dale,
Zij, wij, zijn een-en-al omhoog en onder.

De Beweging (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:04 Reageer op dit bericht

dood

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Plotselinge dood

De Dood zat in u en ge wist het niet,
Hij scherpte ’t mes al en ge wist het niet –
Gij en uw jonge vrouw, gij schertste en lachte –
Hij mikt naar ’t hart en hij mist het niet.

In de koorts van het kortstondige (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:36 Reageer op dit bericht

dorpelwachter

Een gedicht van Marie Metz-Koning 1864-1926

TOOROP'S SCHILDERIJ: „De Dorpelwachters der Zee".

Verwonderd-rond, zacht-vragend kijkt het kind,
Het zand-blond kind, met de ogen blauw als zee.
En de oudre al wétend Leven; schoon gedwee
Van kleine hoop nog, dat hij toch wel vindt
Voor 't Eind bevrediging. De al'-oudste, 't wee
Van heel een ras in de ogen, staart verblind
Van wanhoop 't Raadsel aan .... waar géén van vindt
Ooit antwoord .... Vragend: waar verdiende ik mee
En allen die daar vóór mij zijn gegaan,
Of komen zullen nog, dit leven-wreed?
---------------------------------------
Met grote ontroering, die ik vreugde heet,
Dank ik de meester, die uit stil bestaan
Ophief en beeldde deze Smarten-ziel,
Belevend dode doek zo 't hem geviel.

Een bundel letterkundige bijdragen (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten