Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

wandelaar

Een gedicht van Multatuli 1820-1887

Wandlaar die me hier begraven ziet

II

Wandlaar die me hier begraven ziet,
Als ’t sterven 'n kunst was, dan lag ik hier niet.

Grafschriften voor Thorbecke

Illustratie: Johan Rudolph Thorbecke (1798 - 1872)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:13 Reageer op dit bericht

misdrijf

Eem gedicht van Albert Verwey 1856-1936

HET MISDRIJF
Gij zijt mijn Heer, mijn Vader en mijn Vriend.
Als ik misdreef dan deed ik het door u.
Ik die misdreef, die van mijzelve gruw,
Ik heb misdrijvend u alleen gediend.

Ik die misdreef en die, uw straffen ziend,
Staan zal gelijk uw zoon, niet blind, niet schuw,
Straf mij en duld dat ik als eenmaal, nu
Vóór u zal staan, wel bevend, niet ontvliênd.

Ik hief mijn Beeld zoo hoog dat gij alleen
Eraan kunt raken. Brijzel, 't is uw recht.
Of duld dat ik, uw kind, het recht en slecht

U overgeef, hoewel verspeeld, toch gaaf.
Ik buk het hoofd: ik ben uw knecht, uw slaaf.
Gij zult het nooit, nooit in het stof vertreên.

Het blank heelal (1908)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

bladeren

Een gedicht van Jacqueline van der Waal 1868-1922

 

De bladeren
De zonne zond haar stralen uit
   om d'aarde te vergouden,
Die, al te lange tijd verwaaid,
   verregend en ontverfd,
Niet meer aan blijde dagen dacht,
   maar aan de winterkoude
Zich zonder klagen overgaf
   en stil en willig sterft.

De stralen die op 't bladerdak
   een wijle wilden rusten,
Ze gleden door de takken heen
   en vonden vuil, versleurd,
De kleine groene bladerkens
   die zij zo gaarne kusten
'Och, arme bruine bladerkens!
   Wat is er met U gebeurd?'

Maar nauw gevoelt het bladervolk,
   het slappe, natbetraande,
Verloren volk de warmte van
   de gouden zonnegroet,
Of knisperend en knetterend
   begint het doodgewaande
Te leven en te krullen in
   den koesterende gloed.

Nu lopen alle blaadjes in
   het zonlicht langs de wegen,
Nu dansen zij hun rondedans
   de mensen voor de voet,
Nu ruisen zij hun vrijheidslied
   de oude bomen tegen,
Die weten, dat het bladervolk
   zo 't elke jare doet.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:19 Reageer op dit bericht

vruchten

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

O vruchten-lege schaal
o Vruchten-lege schaal, o flanken rijk aan reuken
die heel de zomer draagt maar niet verzaden zult:
nóg komt een kopp'ge bij uw nodende ijlte beuken
met hoornen hoofd en dom geduld.

Ik ben 't gekorven hout waaraan geen trossen hangen,
tot lucht verijld het hars dat uit de wonden droop.
o Vruchtenloze geur, wordt menselijk verlangen
ooit goddelijke hoop?

schrijver

Geschreven door Dora om 20:55 Reageer op dit bericht

slaaf

Een gedicht van E.J Potgieter 1808-1875

Het zingen van de slaaf.

Vrij gevolgd naar H.W. Longfellow.

Uit de hut des negers rezen
Aan d' Ohio-stroom bij nacht
Liedren als Jehova prezen,
Toen Hem Isrel offers bracht;
En mijn voet gleed trager voort
Door het statig sluimrend oord.

Luide zong hij Davids Psalmen,
Schoon in slavenboei gekneld;
Luide zong hij zegegalmen
Van de koninklijke held;
't Vorstlijk harpgezang van 't Oost
Ruiste in 't verre Westen troost!

'k Hoorde 't lied, vóór veertig eeuwen
Aan de Rode Zee gedicht.
Langs de Leidsman der Hebreeuwen
Was ze wederzijds gezwicht,
Maar van heel 't Egyptisch heir
Gaf zij ros noch ruiter weer!

De oren lenende aan die zangen,
Werd mijn harte droef te moe:
Onbeschrijfelijk verlangen
Naar verlossing klonk mij toe
Uit de weemoedvolle klacht,
Waar zich 't lied in had verzacht.

Zie, 't geviel in de eerste dagen
Der gemeente van de Heer:
Paulus wordt in boei geslagen;
Silas kromt zich naast hem neer -
Tot het paar de hoofden buigt,
En in banden Gode juicht!

Daar beweegt van schrik zich de aarde,
Daar betoont de Hemel hulp!
't Stenen huis, dat hen bewaarde,
Davert als een rieten stulp, -
Open is 't gesloten graf,
En hun ketens vallen af.

Maar wat engel daalt er neder,
Die der slaven boeien slaakt?
Maar wie schudt het aardrijk weder,
Tot verstokt gewisse ontwaakt?
Biddend zag mijn blik omhoog
Naar der heldre starren boog!


1844.

schrijver

Geschreven door Dora om 19:29 Reageer op dit bericht

meisje

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868

Het blijde Meisje.

Wie is morgen jarig? - Ik!
O! wat ben ik in mijn schik:
Maatje was nooit karig;
En gewis zal 't morgen weer,
Feest hier zijn ter mijner eer.
Morgen ben ik jarig.

Keetje en mietje zijn genood,
En mijn nichtje Betje,
Zie, dat geeft, met Klaartje en mij,
En de kleine Suze er bij,
Al een heel saletje.

En dan vinden wij voorwaar,
Even als verleden jaar,
Weer een déjeuneetje klaar;
Heden wat een pretje!

Wie is morgen jarig? Ik!
O! wat ben ik in mijn schik:
Maatje was nooit karig;
En gewis zal 't morgen weer,
Feest hier zijn ter mijner eer.
Morgen ben ik jarig.

Maatje zal op chocolaad
Zeker ons tractéren.
En zij geeft er wafels bij:
Ligt nog andre snoeperij,
Wat wij maar begeren.

Als het smullen heeft gedaan,
Zullen wij aan 't spelen gaan,
Touwtje springen, raadsels raân,
En ons amuséren.

Wie is morgen jarig? Ik!
O! wat ben ik in mijn schik:
Maatje was nooit karig;
En gewis zal 't morgen wer,
Feest hier zijn ter mijner eer.
Morgen ben ik jarig.

Buiten twijfel zal Papa
Weer mijn spaarpot vullen.
O! 'k ben zo nieuwsgierig naar
't Geen Mama, en Jan en Klaar
Mij toch geven zullen..

'k Hoop, Mama een nieuwe doek,
En broer jan een prentenboek.
Klaar geeft wis een peperkoek;
Hé! wat zal ik smullen.

Wie is morgen jarig? Ik!
O! wat ben ik in mijn schik.
Maatje was nooit karig.
En gewis zal 't morgen weer.
Feest hier zijn ter mijner eer.
Morgen ben ik jarig.

Het Nachtegaaltje (1851)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:17 Reageer op dit bericht

's avonds

Een gedicht van Juliu Vuylsteke 1836-1903

'S AVONDS

Soms nog als de avond is gevallen
en alles in stad reeds stil,
draagt mij mijn voet voor 't huis waar zij woonde,
ofschoon ik het zelf niet wil.

O bloemeken van mijn eenzaam leven,
mijn liefde, mijn lust, mijn vreugd!
Een andre geniet nu uw geuren en kleuren
en doet zich deugd aan uw jeugd.

Dan bersten de donkere erinringen open
als hagelwolken, op mij;
dan loop ik zo haastig mooglijk schuilen
in de herberg daar naastbij.

Verzamelde gedichten (1881)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:49 1 reactie Reageer op dit bericht

peren

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

PEREN 
Gebogen hangt het perenhout,
bevallig, onder ‘t menigvoud
gedrag, dat hem bewonderen laat
alom, en op de bomen staat.

Zo druiven, in malkaâr geklist,
bij grote en dikke krabben is ‘t,
dat top en takken, scheefgelaân,
bezwijkend, van de peren staan.

Hoe schone, als ‘t lieve zonnelicht
daarop zijn mooie stralen zicht;
en, geluw-, groen- en grauwgeveld,
fijn goud op al die peren smelt!

Hoe spannen ze, in hun ronde glans,
vol zerpe en zoete zeupen gans;
die, borstgeeene en lijfgenoot,
nog wassen, bij de moederschoot!

Het staat er die, vol rode schijn,
bloedverwig als de kaken zijn
van menig menig mensenkind,
dat m'hier en daar ten boere vindt.

Het staat er, effenbruin van bast,
aan klene, tere takken vast;
die ‘k puilen zie, alhier, aldaar,
ter pelen uit en... ponden zwaar.

Vaarwel, die zulke giften laat,
o zonne, aleer gij henengaat,
en elders weunt, de lange tijd
dat ‘t wintert, en ge onzichtbaar zijt.

Dat ‘t donker is, dat ‘t waait en buist;
dat verre is al het groen verhuisd;
dat, naakt, of heel met ijs belaân,
onvriendelijk de bomen staan.

Vaarwel, o zonne!... Hij is groot,
diens hand u in de hemel schoot;
diens goedheid, die geen' beurte en kent,
bij beurten, ons die zomer zendt.

o Eeuwig goede, om al het goed
dat ‘t bakelen van de zonne doet
onze onbeholpen schamelheid,
zij lof en ere u toegezeid!

12/10/1894

Rijmsnoer (Herfstmaand)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

lied

Een gedicht van Geerten Gossaert 1884-1958

LIED.

Nu lichtvergeten
De avond rust
Wordt alle weten
Dieper bewust;
Maar elk begeren
Dat liefde deren
Zou, en bezeren,
Is nu gesust.

En wijder sperren
Zich ziel en zin,
Nu ver de sterren
Ontvonken in
De onbetogen
Azuren hoge...
Klaar als de ogen
die ik bemin!

Experimenten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

arbeid

Een gedict van Herman de Gorter 1864-1924

Uit de arbeid komt voort de bloedige strijd

Uit de arbeid komt voort de bloedige strijd.
De arbeid is 't die doet de stromen bloed
Om de aarde vloeien. In rode damp van bloed
Doet haar dampende voortgaan de arbeid.

Zij gaat in 't Al de sterren tegemoet,
Waarvan de smart en strijd haar onderscheidt,
In wolken van bloed, en tranenbeschreid,
In van pijn en rouw nacht en gloed.

De aard is in goudene sterren rood
En zwart van stromend, geronnen mensenbloed.
De lichamen der levenden een vloot
Op der doden stromende levensvloed.
En van die levenden geweld'ge dood,
Door strijd, van die doden het doden boet.

Strijd (II)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten