Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

haat

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

HAAT VERWIJDERT MIJ VAN GOD

Haat verwijdert mij van God,
liefde voert mij nader.
Grauwt ellende door mijn lot,
laat mij liefde, Vader.

Valt de wereld van mij af,
waar de sterren blinken
laat mij in der liefde graf
in Uzelf verzinken.

Meidoorn (1925)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 1 reactie Reageer op dit bericht

psalm

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899

Psalm XVII.


Hoor, o Heere, mijn gesmeek,
Waarheid uit mijns herten grond;
Valsheid is 't niet, die ik spreek,
Geen bedrog besmeurt mijn mond.

Hebt ge niet beproefd mijn hert,
Heer, het onderzocht bij nacht,
Toen er niets gevonden werd,
Heb ik op uw recht gewacht.

Loutrend mij door reine gloed,
Daar Ge in mij niets bozes vond;
Mijn gedachten, mijn gemoed
Overtreden niet mijn mond.

Voor de daad der rovers, God!
Had ik uwer lippen woord,
Dat beschermde mild mijn lot:
't Leidde mij door 't leven voort.

Heer, mijn voet betrad uw spoor,
Nimmer, wanklend op die baan,
'k Roep tot U, mijn God, o hoor
Mijn gebed genadig aan.

Redder, Gij, van hem, die U
Zoekend zich, door U beschermt...
Help me tegen bozen nu,
God, die u in mij erbermt.

Heer, behoed mij als uw oog,
Berg mij onder 't schaduwbeeld
Uwer vleuglen, uw betoog
Worde, o Heer, mij toebedeeld.

Tegen Goddelozen, Heer,
Die mij prangen in de smert,
Mij verwoestend, wreed en zeer,
Wee! gevoelloos sluiten 't hert.

Trotsheid spuwt hun lastermond,
Zij, omsinglen mij met haat,
Heer, hun oge tracht ten grond
Mij te stoten door verraad.

Aan een leeuw is hij gelijk,
Ene jongen leeuw, die loert
Hongrend. Heer, verniel zijn rijk!
Red mij, eer hij mij vervoert.

Mijne ziele, met uw zwaard,
Red ze voor de boze, Heer!
Voor genieters dezer aard,
Red ze! vel uw vijands neer!

Vol is 't lijf hun door uw goed.
Zonen hebben ze in getal,
Latend hunne overvloed.
Hunne telgen... dat is al!

Maar ik wil uw aangezicht,
Heer, beschouwen hoogverblijd...
'k Word verzadigd door uw licht,
Rein van harte t' allentijd.

De Psalmen in gezangen

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

herfstdag

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Parijse herfstdag

Ik heb de weemoed van uw stad verstaan.
Een stad vol vreugde, zeiden zij die nooit
Geneugten weten dan het vlees ontplooit,
Vol zoete tastbaarheid en weken waan.

Maar in uw parken geurde uit iedre laan
't Verleden: grootser tuin, voorlang gerooid;
En iedre lijst die strekt of rijst of glooit
Aan uw paleizen, hing de erinnring aan.

Erinnring aan die grote gouden tijd
Toen om uw zonnekoning 't rijk bewoog,
Moed en bevalligheid en weelde en vlijt.

Gij woelt, maar overwon niet: laag en hoog
Richt over u die Dode; uit perk en boog
Beheerst Zijn IJdelheid uw ijdelheid.

Oorspronkelijk dichtwerk (1938)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Geert Teis 1864-1945

Knoalster lorelei
Ik wait nait, wat zel 't toch beduden,
Dat ik zo miesderig bin;
n Vertelster uut olle tieden,
Dat gaait mie moar nait uut de zin.
't Is kôld over 't daip en 't wordt duuster,
't Is ales in rust, groot en klaain,
De leunen van de badde is dudelk
In t heldere woater te zain.

Het oaregste schipperswichie
Van zo'n achttien of negentien joar,
Dat staait in heur onderliefie,
Zai kamt heur stroblonde hoar;
Zai kamt het in laange strengen,
En zingt zaacht een deuntje derbie,
Zai zingt van de laifde en van schaaiden...
De snikke vuier net heur veurbie.

De snikjong achter aan 't rouer,
Dij röpt 'Goienoavendsoam!'
Hai zogt gain liene en gain badde,
Hai kikt moar noar t wicht op de proam.
Ze zeggen: hai is mit zien hazzens
Liek tegen de badde aan goan,
En dat haar mit heur zingen
Dat schipperswichie doan.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

oneindigheid

Een gedicht van Albert Verwey 1956-1936

Oneindigheid

Van honderdduizend jaren her
Kwam tot mijn oog de straal van een ster,
Hij kuste mij met zijn milde licht,
Ik voelde mij leven als in een gedicht,
Want wat is tijd?

Meer mijlen ver dan mens verstaat
Bewoog mijn oog dat stergelaat,

Ik was nabij haar met mijn blik
En ondervond een zoete schrik:
Geen ruimte telt!

Tezaam geschapen ster en oog,
Eén enkel leven laag en hoog,
Zijn wij geworden en voor elkaar,
Zij werd door mij, ik werd voor haar:
Waar is de grens?

Ik draag en ben het heel heelal.
O valse schijn van lichaamswal,
Waarbinnen wij schijnen, waarbuiten wij zijn,
Omvangende in een gedroomde lijn
De oneindigheid!

Het zichtbare geheim (1915)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:47 Reageer op dit bericht

huizen

Een gedicht van H.C. Rümke 1893-1967

Oude huizen

Aan d' overkant van 't water stonden d' oude huizen.
Het water was heel stil, een witte rand
van pas gevallen sneeuw lag voor de huizen.
't Was alles broos en fijn, voor strakke lucht met sterren.
De huizen stonden oud en stil....van verre
kwam dof gedreun: het ruchten van de stad,
dan was het, of de huizen
nóg groter stilte hield omvat....
Luid kwam, met hard gebel, een tram voorbij gereden....
Toen wisten d' oude huizen niet
wat zij daar deden....

De Beweging (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:09 Reageer op dit bericht

geestenkoor

Een gedicht van J.J.L ten Kate 1819-1889

GEESTENKOOR BOVEN DE WATEREN.


 
Ziele des mensen!
         Gij zijt als het water:
         't Werd uit de boezem
         Des hemels gebaard;
't Stijgt naar de hemel,
         Het stort weer ter aard,
         Eeuwig verwisslend
         In rustloze vaart.

        Stroomt van de steilte
         De straal naar beneên,
         Dan stuift hij lieflijk,
         In wolkende golfjens,
         Over de vlakte
         Der berghelling heen;
         Blank als een spiegel
         Verlaat hij de rots,
         Danst hij ter diepte
         Met vrolijk geklots.

Maar gaan de klippen
Zijn stortval te keer,
Dan bruist hij grimmig,
           Met kokende golven,
           Dan stormt hij trapswijz'
           In d' afgrond ter neer.

Tussen de rozen
           Daar henen geslingerd,
           Glipt hij wellustig
           In 't bloeiende dal.
           En alle starren
           En stralende zonnen
           Lachen en lonken
           In 't levend kristal.

Wind is de minnaar
           Van 't spelende golfje;
           Wind is de vijand
           Der argloze baren,
           Die in haar boezem
           Zijn aanval begint.

Ziele des mensen,
           Hoe zijt gij als 't water!           
           Noodlot des mensen,
           Hoe zijt ge als de wind!

         Naar Goethe.
         1845.

schrijver



Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

rust

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1891

WAT RUST ZE ZACHT.

Wat rust ze zacht in 't malse ledekant,
Het blank gelaat, in 't kroezelhaar gesloten,
Met iets zo fijns, zo zeldzaams overgoten,
Als zag ze mij reeds hangen aan de hand
Een kindje uit haar edel lijf gesproten!
Wat rust ze zacht in 't malse ledekant!

Hoe lieflijk rust de wellustvolle vrouw,
Die mij met schoonheid, liefde en maagdenweelde
Den ganse nacht gelijk een engel streelde,
Die ik, bevruchtend als de morgenddauw,
Met mannenkracht en kinderlust bedeelde!
Ja, lieflijk rust de wellustvolle vrouw!

Wat rust ze zacht, die parel der natuur,
Die schoonheid paart aan edel zielsbehagen,
En in de schoot een wereld kan verdragen,
Maar toch zo teer verspreidt haar minnevuur.
Een lelie geurend tussen dorenhagen...
Wat rust ze zacht, die parel der natuur!

Gedichten (1911)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

Een gedicht van  Sebald Rau 1801-1887

Nacht

’t Gestarnt’, dat de avond wekte in ’t Zuiden
       Is reeds in ’t spieg’lend meer gezwicht.
       De maan onthult haar kwijnend licht;
En drinkt de balsemgeur der kruiden.

De nacht, reeds half voorbijgesneld,
Heeft aller scheps’len oog geloken.
De tortel rust, in ’t nest gedoken;
       De leeuwerik bij zijn gade in ’t veld.

Zijn strelend wiekje omschut de leden
Van haar, wier blijd ontwaakte goed
       Weldra de scheemring met hem groet,
In ’t zoet van ’t ogenblik tevreden.

’k Gevoel me alleen: geen sluim’ring houdt
Die blikken, die aan ’s hemels bogen
De starren volgen. 't Hart, bedrogen
       Door de aarde, zoekt waar ’t zich vertrouwt.

Waar ’t lieflijk doel van ons verlangen
       Niet als ’t gevleugeld droombeeld wijkt:
       Waar ’t zwevend weefsel niet bezwijkt,
Waaraan de moede ziel bleef hangen.

Waar, die wij minden, heengevloôn,
Gaan treên langs eeuw’ge levensvlieten,
En hemelzaligheên genieten,
       Terwijl wij wenen om de doôn.

Waar, mooglijk uit uw reine vrede
       Gij, die me eens liefhad, nederziet,
       En fluistrend mij een troostwoord biedt
Op mijn verlaten legerstede.

Geschreven door Dora om 19:13 Reageer op dit bericht

Waarheid

Een gedicht van P.L. van de Kasteele 1748-1810

Jesus de vriend der waarheid.

Toneel der dwaling, schouwplaats der ergernis!
Rampzalig aardrijk, vol van begoocheling!
't Mensdom, uw sieraad, 't Mensdom verpest u
Alles bedriegt.

Waar vlood de Waarheid? weet gij het, sterflijken?
In 't licht der Godheid zien haar de Hemelsen,
Boven uw aanval, Vader des leugens,
Ver van uw kreits,

Daar Waarheid heerst, daar juichen de Zaligen;
Daar leeft de Godheid. Reinheid en vrolijkheid,
Rust en vertrouwen woont voor haar aanschijn,
Niet hier op aard.

Gij, vriend der waarheid', vriend des Rechtvaardigen!
Vermijd deez' aardbol, 't Rijk des geweldigen!
't Onrecht regeert er; kruis en vervloeking
Wachten u hier.

Gij komt op aarde, Gij, de Waarachtige!
Gij schuwt geen lijden, Redder der dwalenden!
Waarheid en zegen welt uit uw boezem,
Stroomt uit uw mond.

Gij, 't Licht der wereld, schijnt in de duisternis:
De neevlen zwichten; klaarheid en zuiverheid ,
Straalt om U henen. Leugen en dwaling
Smelten voor U.

’t Heelal veroudert, alles verandert ééns:
Uw woord is eeuwig, vast uw getuigenis;
't Woeden der eeuwen spilt op dien rotssteen
Al zijn geweld.

Gij kent geen vleitaal, kent geen bedekselen:
Uw hart behoeft geen tooi, noch bewimpeling;
Rein, als uw Godheid, siert het zich zelve,
Blinkt het van deugd.

Gij zoekt geen grootheid, vreest geen vernedering:
Van 't pad der waarheid, 't spoor uwer heerlijkheid,
Lokken U nimmer, laagheid noch eerzucht,
Vreze noch hoop.

Geen zucht tot vrede, Gij die ons vrede geeft,
Verbergt uw mening. — „ Wee u! gij huichelaars!"
Zegt Ge aan de Groten. — „Achter mij, Satan!"
Zegt Ge aan uw vriend.

De hel moog woeden, God Hem verlaten zelfs,
Nog zegt Hij: „Vader!" — Hoort het, gij hemelen
't Aardrijk beweegt zich. Sidder, gij Hoofdman!
Deze is Gods Zoon!

Hij vaart ten hemel! Groot is zijn zegepraal!
De Geest der waarheid geeft Hem getuigenis,
Petrus, zo kort nog blind voor de heilleer,
Predikt het kruis.

De Vriend der waarheid zegent die prediking.
Een schaar verdwaalden, zelfs van zijn kruisigers,
Eren het zoenbloed. De einden der aarde
Vinden genâ.

Nog leeft de waarheid! — Jesus beveiligt haar.
Geen vrees, geen kluister kerkert haar zegelied.
Spotzucht en laster, alles verspilt zich;
Jesus regeert!

Hij is ons gistren, —. heden, — in eeuwigheid,
Een Rots, een Heiland; nimmer begeeft Hij ons.
Werelden, liegtvrij! Jesus komt weder;
Waarheid met Hem.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten