Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

afscheid

Een gedicht van G.W. Lovendaal 1847-1939

Afscheid.

Het avondzonnetje vlamde in ons raam
En gloeide ons geveltje rood.
Tien snoezige zwaluwen zaten te zaam
Te snebbelen hoog op de goot.

Maar wát ze kwebbelden, al door elkaar,
Daar werd wel niemand uit wijs:
Best mogelijk maakten ze 't reisplan klaar,
Ze gingen die avond op reis.

Daar gilde' opeens ons vaarwel alle tien
En weggescheerd was de drom;
Ons grootje riep ook nog: tot wederzien,
Maar zag ze toch nimmer weerom.

Kindergedichten  (1914)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:34 Reageer op dit bericht

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

GIJ DAN, DIE IN 'T NAAKT

Gij dan, die in 't naakt de zonde ziet,
Die zijn heiligste glans ook in 't beeld verbiedt,
Die wilt dat ellende - ellende verrijkt -
Ten minste gehuld vóór uw poort bezwijkt,
Wat laat gij de geest vol schaamte gaan
In de waaiende wereld der vijgenijgenbladblaân?
Moest hem niet zediger zorg besteed?
Moest hij niet pralen in prachtig kleed?...
O, mensen, wij leven niet slechts van brood;
En, is de honger de hoogste nood,
Daar is ook honger aan kennis. Heil
Den lande, waar weelde niet boven uw peil,
O wetenschap, klimt; waar elk bewust
Voor de levensstrijd staat toegerust;
Waar het boek is arbeid, de hamer eer,
En de koeherder rijst als kamerheer.

Toortsen (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:39 Reageer op dit bericht

toewijding

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Toewijding. aan ***

Hervond gij ooit een lint, een bloem, een blad,
Een stille erinn'ring aan verleden dagen,
't Vergeten beeld van vroeger vriend of magen,
Die ge eens bemind, betreurd, verloren had?

't Is smartlijk zoet: - en bij het treurend klagen,
Om wat te snel verdorde op 't levenspad,
Plooit soms een lach de wang, van tranen nat,
Een dartle lach van lust en welbehagen. -

Wist zo mijn luit, in 't lied U opgedragen,
De Erinn'ring aan 't verleden op te dagen,
Van 't schoon Verleden, dat ik nooit vergat,

Licht zoudt ge, als vroeger in Minerve's stad,
Met blanke hand een traan uit de ogen vagen,
Om met een lach te staren op dit blad.

De Gids (1841)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:57 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Henriette Roland Holst-van der Schalk 1869-1952

't Is nu de kentertijd

't Is nu de kentertijd
dat de vrouw naar nieuw levenswater glijdt;
diep water, waarin bare' als Bergen klimmen;
wijd water, en ver aan de verre kimmen
verwaast vredes zacht-bloeiende kust.
0 Maatschappij, gij zee, die kent geen rust,
uit de luwe kreken van het verleden
zwemt de vrouw naar uw ruwe machtigheden.
Het is nu ook de tijd
dat het vrouwen-gemoed kentering lijdt:
uit de vloeibare lusten
en aandriften, verhardt zich daarin 't vast-bewuste,
als in oer-oude dagen
d' aard' uit vloeibaarheid vormde vaste lagen,
of als nog heden in 't heelal
telkens uit gasse' ontstaat een vaste bal,
een nieuwe kern, een donk're levensbeker. —
Zoo stolt zich nu natuur, die vlottender en weker
was in de vrouw, vol van 't oer-element
instinkt, tot verstand dat zichzelve kent
en het gebied tot aan zijn verste transen
afzoekt met eigen glansen.

De vrouw in het woud (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

meisje

Een gedicht van W.F Oostveen 1849-1890

Arm Meisje.

Arm meisje dwaalt zoo eenzaam
En treurig over straat
En wekt het medelijden
Van wie haar gadeslaat.

Toch vraagt het kind der armen
In 't meer dan schamel kleed
Vaak nog vergeefs erbarmen
Met haar ellende en leed.

Och, mocht gij haar ontmoeten
Verzacht haar droefenis
In naam van Hem daarboven
Die ook haar Vader is.

Kinderlust en kinderleed (1883)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:03 Reageer op dit bericht

roos

Een gedicht van Hieronymus van Alphen 1746-1803

De verwelkte roos

Waarom verwelkt de roos zo ras?
Zei Jantje, och of 't anders was!
God wierd ook, dunkt me, meer geprezen,
Zo 't roosje langer bleef in wezen.

Al denkt ge, dat ge 't wel doorziet,
Mijn lieve Jan! het is zo niet.
De Schepper weet het best van allen,
Waarom 't zo schielijk af moet vallen;
En wil ook, dat ge gadeslaat,
Hoe ras het aardse schoon vergaat.
De schepper, die 't ons past te vrezen,
Wordt door bedillen nooit geprezen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

moskee

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

 IN DE MOSKEE.

Ets van Beuer.

Trots op het witte ros, dat buigt gedwee,
Verheft hij zich, de Sultan, met gebaar
Van heerschappij, en angstig deint de schaar
In 't vale schemerlicht van de moskee.

En door de ruimte ruiht een bange beê
Tot hem, de heerser, aan wiens voeten daar
Een mensenhoofd geveld ligt, met gestaar
Van brekende ogen in een macht'loos wee.

De blanke zuilen stijgen stil omhoog,
En bevend droomt het licht in de gewelven,
Neerzind'rend wil 't de mensenzee bedelven.

Twee ranke lampen dalen van de boog,
En werpen witte reinheid om zich henen...
Steeds momm'lend waart alom het doffe stenen.

Ver van 't gewoel (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:21 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

ALLEN

Zijn het enkel maar deez' weingen,
Die, de Droom te voet gevallen,
Zich aan zijne aanblik reingen?
Neen, ik voel de gloed in allen.

Als in 't najaar vogelscharen,
Zich verzaamlend voor zij trekken,
Blanker dan het schuim der baren,
Kust en duinenrug bedekken,

Eerst in aarzelend gewemel
Angstig door elkander kringend,
Dan - hun opvlucht naar de hemel,
En de zee het reislied zingend;

Zo staan talloze verlangers
Zuidwaarts naar de trans te turen;
Doch hun stem is niet des zangers,
Dus hun zucht zal ook niet dúren.

Kònden zij het blauw bevolken
Met hun beeldende gezichten,
Tuinen zouden door de wolken,
In een teelt van rozen, lichten;

Ieders ander land ging gloren
In een glans van zomerweders,
En zijzelven, nieuwgeboren,
Zweefden op ontploken veders.

Liefste, ik heb alleen van zeven
't Lied der laatste hoop doen schallen,
Maar één vers blijft ongeschreven:
Het gebed der duizendtallen.

Opvluchten (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:18 Reageer op dit bericht

najaarslied

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Najaarslied.
Ik ken geen schoner kleuren
Dan die van 't Hollands bos
In bruine najaarsdos;
Ik ken geen zoeter geuren,
Dan die uit droge mos,
Uit geelrode eikenbladeren
En varenkruid dat bloeit,
Mij op het koeltje naderen,
Dat met mijn lokken stoeit.

Ik ken geen schoner zangen
Dan vink en lijster slaakt,
Bij 't morgenlicht ontwaakt,
Eer hen de strikken vangen,
Door al wat zingt gewraakt:
De wildzang uit de twijgen
Met vochtig rag omstrikt,
Dat, als de dampen stijgen,
Met perels blijft bestikt.

Ik ken geen schoner luchten
Dan waar de herfst mee praalt,
Als 't zonlicht nederdaalt
En dorpen en gehuchten
In goud en kleuren maalt.
Dan rijzen blanke rotsen
En donkre bergen op,
Begroeid met ruige bossen,
Verguld aan rand en top.

Dan spelen alle verven
Dooreen met stille pracht,
Tot dat ze, schoon en zacht,
Versmelten en versterven,
En zeggen: ‘Het wordt nacht!
Weer is een dag vervlogen;
Welhaast een jaargetij:
Een jaar gaat voor uwe ogen,
Gelijk een damp voorbij.’

Gedichten III (1905)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:42 Reageer op dit bericht

herfst

Herfst


Toornige vreugde doet mij rechtop gaan
dwars door de herfstige plantsoenen
waar in het nat verwilderd gras
rillend naast de zwarte plas
een troep verregende kalkoenen
verworpen, onheilspellend staat.

De wind schuift in de glazen wolken
lichtende wakken hemel open
en wervelt glinsterende kolken
omhoog uit gele bladerhopen.
Als gevallen englen hokken
door geen zon meer te verzoenen
in een somber dreigend mokken
daar mijn broeders de kalkoenen.

Maria Vasalis,
uit parken en woestijnen

Geschreven door Dora om 21:47 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten