Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

boomgaarden

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

DE BLOEIENDE BOOMGAARDEN.

Bij maan-nacht zouden zij te samen komen
De dag valt lang voor wie de liefste wacht.
Ten akker trok al 't volk. Schoon haar de wacht
Op 't haard-vuur werd vertrouwd order de vrome

Schaduw der schouw en 't maal, wat zou zij schromen?
Is 't niet of nu reeds haar wat wonders wacht
Order het licht van hoge middag zacht?
Fluks is de sluier en witte huif genomen.

Maar buiten, zie, bij verdre buur en buur,
Staan daar, als zij, de witgehuifde allen,
In dichte droom van honderdjaarge slaap,

Maar wachtend op de tred van vlugge knaap,
Op blijd rumoer, luid-ruchtig horen-schallen,
En lichte blik over omrankte muur?


April 1912.

Verzen (1920)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

de waarheid

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

De Waarheid.

AAN MEVROUW***

Gij hebt de Waarheid, eedle vrouw?...
Vergeef dat ik meteen
Het nog maar half geloven wou -
Ik dacht, God had ze alleen.

Leekedichtjes (1860)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:26 Reageer op dit bericht

slaap

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

SLAAP

Strooi mild'lijk op mijn ogen in de nacht,
Vorstinne Slaap, uw zoet vergetelkruid,
Wieg zachtkens me in uw armen, liefste bruid
Van al wie moede is en naar ruste smacht.

Omhul me, o Slaap, in uwe vale dracht,
En doof het felle gloeien liefd'rijk uit
Dat in mij brandt, de gouden poort ontsluit
Die leidt naar rust, hernieuw mij met uw kracht.

Slaap, schoor mij die vermoeid ben van de dagen,
En sterk mij met de balsem uwer nachten,
Stil 't angstgevoel, verdrijf de doodsgedachten.

Ik zie de som'bre wolkenstoeten jagen
Langs grauwe luchten, zó storm ik door 't leven,
Komt gij, vol troost, mij niet de rust hergeven.

Tonen en tinten (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:39 Reageer op dit bericht

't goede

Een gedicht van E.Laurillard 1830-1809

 

Ik denk aan 't goede

Ik denk aan 't goede, dat de Vader
Mij in mijn goede moeder gaf,
En 'k strooi, als cijns van dankb're hulde,
Nog vaak mijn bloemkens op haar graf.
Iets enigs is er in de liefde,
Waarmee een moederhart bemint, -
Een trouw, een zorg, een warmte, een teerheid,
Die ge ééns  - die niemand tweemaal - vindt.
Gij kunt de vriend uws vaders worden;
Van moeder blijft gij 't kínd altijd;
En zorg, die laf zou zijn van and'ren,
Is lief, als moeder ze aan u wijdt.
'k Denk aan mijn moeder, trouw in d'arbeid
Van vader èn van moeder saâm , -
Zo goed, zo hart'lijk , - - o! mijn denken
Wordt danken, en 'k omkrans haar naam.
Ja! zijn de zegeningen vele,
Die 's Heeren hand door 't leven weeft,
Een goede moeder is mee 't beste
Van wat de goede Vader geeft. -

Schotse ruiten (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 20:10 Reageer op dit bericht

dauwdrop

Een gedicht van Hendrik Peeters 1825-1893

DE DAUWDROP.

'k Was in mijne hof gegaan
En ik vond een knopje staan,
Deze morgen vroeg;
't Scheen zo moede, daar 't een dauwdrop
Op het hoofdje droeg.

Bij geval slechts zag 'k de drop
Schittren op de purpren knop.
't Scheen mij of 't heelal
Zich terug gaf in de spiegel
Van zijn klaar kristal.

'k Zag er lieve rozen in,
Een verheven torentin,
't Goud der morgenzon
En de hemel en het springen
Van zo menig bron.

't Scheen me een perel schoon en fijn
Van een hoge prijs te zijn,
Of een blauw saffier,
Of een diamantsteen, flonkrend
Als een sprankel vier.

Lang bleef 'k bij de bloemen staan,
'k Zag den drop wel tienmaal aan
En bezag hem nog;
En ik vroeg: wie gaf die schittring
Aan het dropje toch? -

Neen geen zon, met blijde glans,
Wierp het uit des hemels trans;
Maar de droeve nacht
Heeft alleen de lieve dauwdrop
Op de bloem gebracht.

Meibloesem (1847)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:53 Reageer op dit bericht

't Geluk

Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907

Waar woont 't Geluk?

Als ik laatst de Luxemburgse bergen,
Wand'lend, zingend hier en daar doorkruiste,
Trof mijn blik een huisje aan.
't Stond daar zo verwijderd, zo allene,
Tussen bomen, met de voet in 't water,
En ik bleef een wijle staan.

En ik dacht: ‘Men loopt geheel zijn leven
Om 't geluk te zoeken en te vinden,
Maar men vindt, men vindt het niet.
En misschien, daar tussen boom en bergen,
In dit klein, verdoken, stille huisje
Woont 't geluk en zingt zijn lied.’

'k Naderde en ik zag een jonge moeder,
Aan haar borst een zuigling; 'k zag haar gade
Druk aan 't werk en levensblij.
't Kindje keerde zich en lag gulhartig lachend;
Blozend dekte zij de kuise boezem,
Vriend'lijk knikkend groette hij.

'k Ging dan verder, verder, 't hart benepen,
En ik vroeg aan Godes blauwe hemel,
Aan het water, aan de wind:
‘Zeg mij, hemel, waar 't geluk zijn woonst heeft?
Water, wind, waar zingt 't geluk zijn liedje?’
'k hoorde: ‘Waar men u bemint!’

Uit het hart! (1874)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:27 Reageer op dit bericht

regenboog

Een gedicht van J.P. Hasebroek 1812-1896

HALFHEID.

BIJ HET ZIEN VAN EEN REGENBOOG.

0 schoon gezicht! Met zevenvoude kleuren
Zie ik de bonte hemelboog
Als een triomfpoort naar omhoog
Zijn stralend halfrond opwaarts beuren.
Gods Majesteit en Liefde gloort
En treedt ons tegen door die poort.
Maar ach waar gij de krans van stralen
Wilt volgen tot zijn ring zich sluit , —
Zie hoe daar eenklaps de aarde u stuit,
En 't oog weerhoudt in 't nederdalen!
Hoe schoon, o boog, uw gordel zij,
Een Halfheid en niet meer, zijt gij!
0 beeld van 't Schoonste en Zoetste op aarde!
't Gelijkt de bonte regenboog.
Het streelt uw hart, het boeit uw oog,
Maar 't blijft ten dele al wat ze u baarde.
Straks breekt de schone toverring,
Waarmee ze u voor een wijl omving.
Ja, wat ook de aarde ons geev' te aanschouwen,
Wat ze ons van Waar- of Schoonheid bied',
't Is al een Halfheid, wat gij ziet:
't Geheel blijft weigren zich te ontvouwen.
De dood alleen schenkt eens uw oog
De aanschouwing van de volle boog.

Winde-kelken (1859)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:11 Reageer op dit bericht

nagedachtenis

Een gedicht van Pieter Nieuwland 1764-1794

Ter gedachtnisse van mijne echtgenote

ANNA HARTWIGINA PRUIJSSENAAR
geboren 27 juli 1770, gehuwd 24 juli 1791,
gestorven aan de kinderziekte 29 maart 1792

en van onze dochter
geboren 29 maart 1792, gestorven 31 maart 1792,
begraven met hare moeder 2 april 1792

   o Teergeliefde en vroegverloren Vrouw!
Om wier bezit ik alles gaarne geven,
   En willig goud en glorie offren zou,
Kon ik u slechts herroepen in dit leven!
   Ontvang van mij, die ook in ’t zwijgend graf
U minne en ere en uw volmaakt heen huldig.
Dees laatste plicht!....Ik leg die wenende af.
’k Ben dit uw trouw en mijner liefde schuldig.
   Ook gij, lief Wicht! dat moeders schoot verliet,
Om in de schoot des grafs met haar te slapen,
   Gij eist geween, geen vrolijk welkomlied!
Hoe ras, o God! wordt vreugd in wee herschapen!
   Of is ’t een droom, een zwevend schaduwbeeld,
Dat ’s nachts de geest benauwt met nare zorgen,
Doch dat, ter vlucht in ’t bijster brein geteeld,
Ter vlucht ook wijkt bij ’t naadren van de morgen?
Neen! ’t is geen droom!... ’k, en tast in ’t rond,
Maar vind geen vrouw aan mijn verlaten zijde.
   En voel geen’ kus van hare lieve mond,
En hoor geen stem, wier klank mijn ziel verblijdde.
   Die lieve mond is bleek en koud, en zwijgt.
Stijf is de hand, die teder mij omarmde.
   Nu klopt geen hart, geen boezem zwelt en hijgt,
Waaräan weleer haar liefde mij verwarmde.
   Nacht dekt het oog, de spiegel, daar haar ziel,
Steeds groot en goed, en telkens toch verscheiden.
   Zo hemels blonk, en altoos elk geviel,
En niemand wilde en niemand kon misleiden.
   o Gij, die bouwt op schoonheid, jeugd, en kracht!
Was zij niet jong en schoon als lentebloemen?
   Wie kon, als zij, van ’t maagdelijk geslacht,
Op mannenkracht bij vrouwenzacht roemen?
   Maar ’t doodlijk gif van een verborgen worm
Vernielt in ’t veld de schoonste roos van allen;
   Het woest geweld van ene maartse storm
Doet ook in ’t woud de kloekste stammen vallen.
   O Eedle roos! o knopje, jong en teer!
Dezelfde storm heeft beide fel verslagen.
   Ik ben geen Gade, ik ben geen Vader meer!
De winter heerst reeds in mijn lentedagen.
Mijn heil, mijn vreugd, mijn wellust was een droom,
En als een droom is ’t al voorbijgevlogen!
   Nu voortaan kruipt mijn leven, doods en loom,
Zijn baan ten einde en gaat naar ’t graf gebogen.
   Waar snelt gij heen, tonelen van geluk!
Geliefd verschiet van aardse zaligheden!
   Doch ja! verdwijn! uw beeld verzwaart mijn druk.
Wat heb ik meer te hopen hier beneden?
   Vergeefs mijn ziel gestemd voor zacht gevoel;
De snaar, die klonk als mijne, hangt gebroken.
   Wat is uw gloed, o Vriendschap! dof en koel
Bij ’t hemels vuur, door kuise liefde ontstoken!
   Ik dank u voor de balsem van uw troost:
Maar kunt ge mij de stille vreugd van ’t leven.
’t Verfijnd genot, de hoop op bloeiend kroost,
’t Geen ik verloor, kunt gij ’t mij wedergeven?
   De felste wond wordt door de tijd geheeld,
Doch laat in ’t vlees haar diepgeprente groeven.
   o Gij, wiens hand dees wrange kelk mij deelt!
Ik drink hem wel, maar blijf toch ’t bitter proeven.
   Dan, is ’t uw wil, mijn Vader! dat is mijn baan
Vol doornen zij en hobblig en verlaten,
   Welaan, geleid me, ik al gewillig gaan;
Wat zou uw kind het stout weerstreven baten?
   Zo hier of daar ene enkle bloem nog groeit,
Ik zal die niet versmadelijk vertreden,
Al werd die bloem, die ’t lieflijkst heeft gebloeid,
Mij ’t meest bekoorde, ontijdig afgesneden.
   Doch neen! zij is in beter hof verplant,
Voor zomerzon en herfstorkaan beveiligd.
   Mijn Anna! gij waart rijp voor hoger’ stand;
Wij worden hier door lijden nog geheiligd.
   Uw ziel was rein als versgevallen sneeuw,
Bestraald met glans van meer dan aardse klaarheid;
   Geen damp van waan, verspried op volk of eeuw,
Benevelde bij u het licht der waarheid.
   De weelde, die de stam des levens knakt,
De welvaart moordt, en zeden tart en wetten,
’t Gevoel verdooft, de eedle geest verzwakt,
Had nimmer u bezoedeld met haar smetten.
   Gij zong en sprong en lachte schuldeloos,
En had dat zoet nog gaarne lang genoten!
   Maar kende ge ook dees wereld, vals en boos?
En ’s levens gal, met honig overgoten?
   Lach nu gerust, in ’t zalig oord gevoerd,
Waar nooit een traan de lachjes zal vervangen,
   Geen laster mikt, en geen verleiding loert,
Maar alles juicht in rijen en gezangen.
   Mijne engel! ja! gij voelt en denkt en leeft!
Dat zie ik zelf nu klarer dan voorhenen.
’t Is deze hoop, die kracht entroost mij geeft.
Wij zullen vroeg of laat ons weer verenen.
   De vlam, voor u in mijne ziel gevoed,
Is niet gedoofd bij ’t zielsverscheurend scheiden:
   Die vlam zal nu, met ene zachter gloed,
Zich over mens en vriend en oudren spreiden.
   Ik zal op ’t graf, dat uw gebeent’ bevat,
Nog menig traan in stille stonden plengen:
   en; win ik ooit een duurzaam lauwerblad,
Die lauwren zelfs aan u ten offer brengen.
   Wie Nieuwlands naam, na menig vluchtig jaar,
Herdenkt of hoort, zal dit ook tevens weten:
„Hij werd bemind door Anna Pruyssenaar,
„Verloor haar vroeg, en heeft haar nooit vergeten".
   Met deze moed hervat ik plicht en post;
’k Zal rustig staan, al wordt het heet in ’t strijden:
   Eens komt ’t uur, dat ik word afgelost,
En rust erlang van werken en van lijden.
’k Ontmoet u dan, uw Dochter naast uw zij:
Gij roept haar toe, bij ’t vrolijk tegenzweven:
„Mijn kind! zie daar uw Vader! vlieg met mij
„In zijne arm! wij zullen hem leven!"

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

meidag

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Meidag. 

Nu draaide 't windje, met de zon,
Door 't oosten heen naar 't zuiden;
Dat is zo goed als 't wezen kon,
Voor boer en buitenluiden.
Het blaadje rolt zich uit de knop,
Het veld wordt groen, het zaad schiet op,
De nachtvorst zal 't niet plagen;
Wij krijgen warme dagen.

Wij hebben lang genoeg gezucht,
Als werden wij vergeten;
Daar komt op eens de zachte lucht....
Nu willen wij 't niet weten,
Maar menigeen heeft vaak gezegd:
Die kou is naar, dat weer is slecht!
Als moesten wij 't niet loven,
Als kwam het niet van Boven.

Nu staan wij daar beschaamd, niet waar?
Hoe zullen we ons verschonen?
De lucht is warm, de lente is daar,
Het groen komt zich vertonen.
Och, lieve Heer! zie gunstig neer!
Wij klagen nooit ons dagen meer;
Wij willen dankbaar leven;
Och Heer! wil ons vergeven!

Gedichten deel 2 (1906)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:14 Reageer op dit bericht

buik

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Hare buik is zo welvende en zacht

Hare buik is zo welvende en zacht
Als van de wijde zee een ronde golf,
Die een oneindige lichtglans bedolf
Binnen zijn tedere en donzen vacht.

Van uit die tedere en donkre nacht,
Waarmee zij haar schatkamer overscholf,
Zal stijgen, die zich zelf uit haar opdolf,
Tot vrijheid ene lichte gouden vracht.

Een lichte schone schaar van bloeiende kindren
Zal hieruit stijgen naar haar schone borsten,
Ik zie ze spelen in de nevels ginder en

Mijn ogen niet naar hier terugzien dorsten.
Goud zijn hun lichamen, zij zinderen
Door de luchten, en stillen alle dorsten.

Sonnetten (1934)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:40 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten