Mensen hebben altijd veel belang gehecht aan materieel bezit en zeker in de agrarische gemeenschap van vroeger was grondbezit , in het bijzonder bij de keuze van een huwelijkspartner, uiterst belangrijk. Vandaar uitdrukkingen zoals : haj heej (nie) genóg jèèr ôn zen blo?en (hij heeft aarde aan zijn klompen) en ‘t is nie vùr men bloed mèr vùr me goed (‘t is niet voor mijn afstamming maar voor mijn bezit -onder verstaan- dat ik geacht word of dat hij of zij mij als huwelijkspartner verkozen heeft).
Eerder milde, vergoelijkende spot met iemands bekendheid omwille van zijn grote mond of opvallend gedrag, klinkt in ne kowen cènt kénnen ze óveral (kwaad: ongeldig). Over partners die voor de buitenwereld de schone schijn ophouden maar thuis ruziën en vechten , wordt gezegd óp strôt kus èn lèk tois klippel èn stèk (op straat kus en lik, thuis klippel -knuppel- en stek-stok-) . Iemand het uitzicht benemen door er plompweg voor te gaan staan , lokte de schampere en chauvinistische opmerking uit: vlak erveur lèk in dèssel
Banjes stanjes betekent met gestrekte, aan elkaar sluitende voeten, staandevoets springen. Óp soj?erbùlle?es loewepen(op suikerbolletjes lopen) werd gebruikt om te jong geachte kinderen van het spel uit te sluiten of om ze pro forma, onvolwaardig te laten deelnemen. En als dijeze?en kajft (het kindje Jezus kijft), dan onweert het. Dat gaat gepaard met regen. Maar ook de wulp kondigt regen aan: ne kùlder (wulp) óver ‘t land rèègen in de hand.











