Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922
Kastanjes
Het is een heldere dag in mei, De wind waait lustig, de zon schijnt blij Op bloeiende paarse seringen, En gouden regens in gele tooi En alles is zo mooi, zo mooi! En alle vogels zingen!
En zie hoe blauw de hemel blauwt Boven de weiden geel als goud, De zonnige, bloeiende landen, En zie de kastanjebomen daar staan! Daar groeien witte kaarsjes aan, Wat zullen die kaarsjes aardig staan Wanneer ze van avond branden!
Waar water is, wordt alles opgetild. 0 zie die waatren eens rechtlijnig schieten De brug door tot zo welige verschieten Dat graft-laan lijken gaat een woud-laan mild En midde' in stad als eenzame woud-stilt'. Wat zo de leste wolkjes daarin lieten Voor donkre diept' haar leste blos verschieten Eer nog een huivring over 't licht vlak rift? De hemel kijkt tot onder in de stad. De hemel kijkt weer uit de diept' naar boven, Alsof de stad haar fundamenten had Ver in het diep der hemelse licht-hoven. ZO strekk' mijn ziel der wereld tot een bad, Welks waatren niet haar hemel-lichten doven!
Schoon, majesteitvolle Woud, Statige tempel der Godheid, Wellekom is mij 't geheim, 't Somber geheim der gewelven Die, met een wenk zijner hand, Miek de Alvermogende Bouwheer.
Schoon, majesteitvolle Woud, Rustig en vredig naar buiten, Zegt ge wat binnen gebeurt Slechts wie vertrouwd is met U.
Lachende omringen uw zoom Kleurige, geurige bloemen Die gulle en rijke natuur Mild, ongeteld om u strooit; 't Dichte gebladert' beschut Zingende, minnende vogels; 't Zorgende moederken broeit, Rondom het nesteken heen Vliegt de ongeduldige vader Kozende en dartelende om.
Dat ziet de wandler; maar hij Die meer vertrouwd is met u, Weet dat het roofdier, de slang Ook uwe diepten bewoont;
Weet dat de geurige bloem Wel uwe gordel bekleurt, Maar dat de distel, de braam Dieper de bloeme vervangt.
Schoon majesteitvolle Woud, Statige tempel der Godheid, Soms slaakt uw boezem een zucht Heimvol en schier ongehoord. Waar komt die zucht toch vandaan, Machtig en prachtige Woud? Soms, als de noorderwind loeit, Huilt gij en klaagt ge met hem; IJslijk is dan uwe klacht, IJslijk en roerend te gaar, Waar komt dat klagen vandaan? Waar gaat dat klagen naartoe? 'k Weet het. Gij leeft, arme Woud, Lijdt ende klaagt — daar ge leeft.
Hij wil gelaten van dit leven scheiden Voorgoed vertrekken uit dit somber oord, Waar niets hem noch kan boeien noch verleiden, Hij heeft te veel gezien, genoeg gehoord.
Maar als hij dan, bij wijze van vaarwel, Ultieme plicht, een laatste glas wil heffen, Als de avondlucht, die teder word en hel, Hem wat hij gaat verliezen doet beseffen,
Als hij de lach bewondert van de meid, Die hem het schuimend glas reikt, als de blanke Huid van haar borst en arm een zaligheid Belooft die groter is dan die der dranken,
Voelt hij zich weer verzoend met het bestaan, En met de toekomst én met het verleden. Hij heeft betaald, hij kan weer verder gaan: Zo heeft het laatste glas altijd zijn reden.
Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869
Feestdag op het Land
Purperen stralen Kleuren de dalen, Heuvels en kimmen Glinstren en glimmen; Klokkengedommel op ruisende vlerk Wekt ter betrachting en nodigt ter kerk.
Trekken we in vrede Veldewaarts mede, Zingen we en bidden; God is in 't midden, Scheppend alom, door het wonderheelal, Liefde in de harten, en bloemen in 't dal.