Naar de inhoud

Beveren-Leie Beverse Weetjes

Categorie: Parochie

Groei en bloei van Sint-Gregorius Zanggilde

Photobucket

Groei en bloei van het Beverse St. Gregoriuskoor (laatste deel)
Eindelijk de nieuwe kerk!
We hadden ze zien groeien onze nieuwe kerk. Langzaam, o zo langzaam.
Eerst in plannen en verslagen en luchtspiegelingen. Daarna in deugdelijk beton en baksteen. Waaraan niemand nog durfde geloven, werd tenslotte toch werkelijkheid.
Massieve grandioze werkelijkheid.

Toen de (*nvdr) nieuwe klokken voor het eerst aan het beieren gingen in de ranke witte toren, keken de mensen elkaar verrast en gelukkig aan. Klokgelui over Beveren!
Voor het eerst sinds dertig jaar.

Op Pinksteren van het jaar I970 werd de kerk in gebruik genomen.
Onvergetelijk die indruk van licht en ruimte toen we er voor het eerst binnenstapten. Pastoor Deltour liep er zielsgelukkig bij. Vooraan in de zeventig was hij toen en steeds had hij zijn parochianen in een noodkerk moeten begroeten. In Beernem zowel als in Beveren. 

Pinksterdag van het jaar I970 moet ontzaglijk veel betekend hebben voor hem. Naar die kerk had ook het koor zijn boeltje verhuisd. Het grote pijporgel was er nog niet. Dat hadden we trouwens kunnen voorzien. De staatsmolen maalt tergend langzaam. Het elektronisch orgeltje deed het echter voortreffelijk in die grote ruimte. Wie had zoiets verwacht van dat kleine pittige ding!
Toegegeven moet echter worden dat de akoestiek uiterst goed is in het nieuwe gebouw. Vooral als er gezongen en gespeeld wordt in de hoek die aan het koor is toegewezen.

We hadden dit aldra in de gaten die eerste keer op Pinksteren. We waren in de kerk voor een familiemis en Tuur Kerkhove ging moederziel alleen aan het zingen daar vooraan. Het klonk als in een koncertzaal. Zo helder en zo duidelijk Pinksterdag van het jaar I970 moet ontzaglijk veel betekend hebben voor hem.



(*De namen van de klokken zijn: de bovenste Ernest, de middelste Maria en de onderste Johannes. Johannes is de klok die we horen als eindeklok. Op 4 mei 2011 werden de klokken voor een paar maanden uit de toren gehaald, voor herstellingen aan de klokketoren en klokken. Ze werden teruggeplaatst op 15 juni 2011 en op 26 juni 2011 plechtig terug in gang gezet.)


2226639-799126f0e641e9a48e415c2a35ab8c90.jpg

In dat nieuwe dekor kan het koor zich nu naar hartelust uitleven. Ruimte is er genoeg, en dat er met het gezicht naar het volk toe gezongen moet worden deert de zangers allang niet meer. De vertrouwd geraakte aanwezigheid van onze stroeve Sint Jan moeten we echter missen. Ernstige beelden zijn blijkbaar in ongenade gevallen. In afwachting dat tij ooit eens keert, werd onze patroonheilige naar de zijkapel verbannen. Een geluk nog dat niemand het in zijn hoofd haalde de moderne Lieve Vrouwe in de nabijheid van de zangers te herbergen. De klanken zouden wonderlijk gedarteld hebben in al die gaten en holen.

Op Kerstmis I970 verraste het Sint-Gregoriuskoor ons met een ontroerend mooie mis. De "Deutsche Messe" van Franz Schubert. Ze hebben het reeds ver geschopt onze zangers en zangeresjes. Je vraagt je soms af waar hun grens wel zal liggen. De verdere opgang van dirigent Callewaert zal wel niet vreemd zijn aan dit alles. Het een moet gezegd gelijk het ander. Gentiel bleef inderdaad niet bij de pakken zitten toen hij het dirigeerstokje eenmaal in handen gekregen had.
In Roeselare heeft hij een uitgebreide kursus in de muziekpedagogie gevolgd en de invloed ervan is duidelijk merkbaar bij het koor. Inzake stijl, uitspraak en stemsoepelheid worden thans toppen geschoren die vroeger onbereikbaar waren. Naast Arthur Kerkhove en Robert Meersman is intussen een andere solist komen opduiken. Een vrouw dit keer. Tuurs dochter, Agnes heeft wellicht de mooiste stem die ooit in het Beverse kerkkoor geklonken heeft. Zo vol en zo rijk en zo zuiver opklimmend naar ijle hoogten. De appel is niet ver van de boom gevallen. Wie Tuur vroeger gekend heeft, weet wat we hiermee bedoelen.

Inmiddels was er ook verandering gekomen bij de parochieleiding. Pastoor Ernest Deltour, blijkbaar van mening dat hij beter naar een rustiger "hofstee" kon uitkijken, was naar Zwevegem getrokken en was daar direkteur geworden van het Rustoord. Dit gebeurde midden februari I97I. Arthur De Pourcq kwam hem hier een maand later vervangen. Een man uit de streek die pastoor De Pourcq. Geboortig van Anzegem en jarenlang onderpastoor geweest te Kuurne. Het ziet er naar uit dat hij de lijn van zijn voorgangers zal volgen wat de kerkzang betreft. Onmiddellijk immers heeft hij kontakt gezocht met het koor en bij meer dan één gelegenheid bewees hij reeds dat hij onze aktiviteit ten zeerste waardeert. Hijzelf kan aardig wat zingen ten andere. Als hij eens" de pedaal induwt ", helmt het na tot in de verste hoeken van de kerk. Pastoor De Pourcq zou wel eens een grote morele steun kunnen worden bij de verdere uitbouw van het koor.

PhotobucketNa de nieuwe kerk het nieuwe orgel
.Einde I97I zag het koor een sedert lang gekoesterde wens in vervulling gaan. Orgelbouwer Loncke uit Diksmuide kwam met de eerste stukken voor het nieuwe orgel aandragen. Week na week hebben we de opbouw ervan gevolgd. Het ging traag naar onze mening, veel te traag.Een wonder was het echter niet. Al die pijpen en leidingen die in elkaar geknutseld moesten worden. Toen het stuk er echter eindelijk stond en we de rijke klanken voor het eerst door de kerk hoorden vloeien, schoot ons gemoed vol. Een orgel. Een echt kerkorgel. Eindelijk! Twee en dertig jaar ongeveer had het moeten duren.
Voor de koster is het intussen een heel karwei geweest goede maatjes te worden met dit zware instrument. Al die jaren had hij zich moeten behelpen met tweedehands gevallen, die hem soms gemeen in de steek lieten. Nooit had hij meer dan één smal klaviertje en een paar registers ter beschikking gehad, behalve dan helemaal op het laatste bij het elektronisch orgel.

Nu krijgt hij twee handklavieren en een voetklavier te bespelen, terwijl hij naar hartelust kan kombineren met een hele waaier spelen. Een enorme verandering is het wel geworden voor hem. André Nolf is echter aardig op weg om dit volwaardig orgel baas te worden in al zijn rijke mogelijkheden. Het is een lust voor het oor hem bezig te horen na sommige missen, terwijl de mensen langzaam naar de uitgang toeschuiven. Jaren geleden hebben we je dit eens toegewenst in een artikel, koster. Weet je dit nog?  Het lag in de bedoeling voor Kerstmis I97I nog eens terug te grijpen naar de oude vierstemmige "Missa Pro Pace" van Remi Ghesquiere. Tijdsgebrek heeft dit opzet echter verhinderd. Ach, zo een mis instuderen is geen peulschilletje. Daar zijn maanden mee gemoeid. Vooral nu de sopraans alles van het begin af moeten leren en ook de bezetting bij de mannenstemmen grondig gewijzigd is. We hopen echter dat uitstel geen afstel zal worden. Het ware jammer. Die mis van Ghesquiere is werkelijk heel mooi. Op die Kerstdag werd dan nog maar eens teruggegrepen naar "Madeleentje", zoals de mis van Wiltberger gemoedelijk genoemd wordt. Een mooi stuk muziek blijft het toch wel en de zangers hebben het nu volledig onder de knie.
Het "kerstliedje" werd dit jaar door een vrouw gezongen. Veertig jaar geleden dat dit nog gebeurd was in Beveren. De mensen keken verrast op toen Agnes Kerkhove met haar "Adeste Fideles" van wal stak. Je had een muisje kunnen horen lopen in de kerk op dat ogenblik. Toch wel iets anders dan een jongenssopraan, zo een rijke buigzame vrouwenstem.
Ach, we zien dat we weer hoofdzakelijk over gezang op Kerstmis gesproken hebben. Beroepsmisvorming waarschijnlijk. Kerstmis is voor ons altijd het hoogtepunt geweest. Het koor trad echter net zo goed op bij andere gelegenheden. Gemiddeld om de drie weken stond het klaar voor een uitvoering in het jaar I97I. Nu eens voor een hoogdag, dan voor een priesterwijding, dan voor een huwelijksmis, en zo verder. Niet veel verenigingen ontplooien zulke aktiviteit

Foto v.l.n.r. Etienne Ducatteeuw en Michel Debrouwere
PhotobucketEn hiermee is eigenlijk de geschiedenis van het koor verteld. We kunnen afsluiten in een periode van hoogkonjunktuur. Is dit niet wondermooi? Nederig is het begonnen en, langs vaak moeilijke paden, werden respektabele toppen bereikt. Thans staat het koor echter op een hoogte die uitkijkt boven alles wat reeds geweest is. De bekroning van de nimmer aflatende inzet van zovelen. De Sint-Gregoriusgilde maakt zich thans op om haar twee oudste leden te feesten. Arthur Kerkhove en André Nolf. De eerste vijftig jaar kerkzanger, de tweede vijf en veertig jaar koster orgelist. Het zal een enig feest worden op zaterdag 22 april I972. Allen zullen ze erbij zijn met hart en ziel. De jongeren zullen met entoeziasme praten over de zonnige weg die voor het koor openligt. De ouderen zullen herinneringen ophalen aan vroeger. Ze zullen glimlachend en toch met heimwee vertellen over zij die verdwenen zijn. Verdwenen voor goed. Over Emeric Verplaetse, over Juul Duhou, over Jozef Stevens, over Robert Vandeplassche, over André Vandorpe.....
Het zal een heerlijk feest worden. Het feest van de Beverse Sint-Gregoriuszanggilde.

Hiermee zijn we aan het einde van deze bijdrage gekomen. 
Dit naar naar aanleiding van de huldiging van 50 jaar gemengd koor tijdens het Feest van de cultuurraad
 Om alle delen te lezen klik hier Image and video hosting RSB

Geschreven door Beverse Weetjes om 10:03 Reageer op dit bericht

Groei en bloei van de Sint-Gregorius Zanggilde

Groei en bloei van het Beverse St. Gregoriuskoor (deel 12)
I968: HET GEMENGDE SINT-GREGORIUSKOOR !

Meester Callewaert had dus gezegd dat een parochie voor de helft uit vrouwen bestaat en dat vrouwen net zo goed kunnen zingen als mannen. Een waarheid als een koe als je het zo achteraf bekijkt. Maar onze mannelijke ijdelheid speelde ons parten. De vrouwen hadden het reeds voor het zeggen in veel gevallen. Moesten ze het nu ook nog voor het zingen krijgen? Toch kreeg Gentiel de kogel door de kerk. Einde I967 had hij een vrouwenkoortje gedrild om een feest van de K.A.V. op te luisteren. Een paar leden van die organisatie waren het eigenlijk maar. Het werd echter een geweldige meevaller. Enkele zangers hadden het gehoord en ze waren er entoeziast over. Waar maken jullie je zorgen over? Ze keken hun makkers verontwaardigd aan. Denken jullie soms dat de vrouwen ons onder de pantoffel willen? Kom, laten we er eens ernstig over praten! Van dan af was het hek van de dam. Pastoor Deltour gaf zijn zegen, koster André Nolf geraakte voor het plan in vuur en vlam, en wij waren wel benieuwd wat eruit zou groeien.

De doorbraak.
Begin I968 begonnen dirigent en koster hun wervingstoernee. Al spoedig hadden ze genoeg meisjes en vrouwen bij elkaar om op meer dan behoorlijke manier van wal te kunnen steken. Op de eerste algemene herhaling stonden de mannen er een beetje grinnikend bij. Ze hadden hun nieuwe zustertjes wel hartelijk ontvangen, maar ze geloofden toch niet dat die er veel van zouden terechtbrengen. Al spoedig echter sloeg hun grinniken om in waarderend geknik. Nou, die vrouwtjes hadden toch wel stem, zou je zo zeggen. Het klonk heel lieflijk en aardig. Eens iets heel anders dan het sonore en vaak harde mannengeluid. Er werden enkele tweestemmige nederlandse psalmen en liederen aangeleerd en, als we ons niet vergissen, trad het gemengd koor voor de eerste keer op in de hoogmis van Pasen I968

2225787-0721fb1586b12b101b958be0a041dce4.jpg
Foto uit Onder De Clocke

Ondertussen echter lag er weer een feest in het verschiet. Een groot feest. Was het niet reeds twaalf jaar geleden immers dat er nog zangers in de bloemen werden gezet voor hun jarenlange trouwe dienst? Toen waren dat Arthur Kerkhove, André Nolf en Jozef Stevens geweest. Ach, die Jozef Stevens! Als je eraan denkt dat hij reeds twaalf jaar gestorven was toen. Veel tijd hadden de zangers niet nodig om uit te maken wie er dit keer in aanmerking kwam voor een medaille. Het zouden Robert Meersman, Jaak Meersman, André Ostijn en Michel Debrouwere worden. Alle vier hadden ze meer dan vijf en twintig jaar dienst bij het koor. Pastoor Deltour werd over de kwestie aangesproken. Hij knikte goedkeurend met zijn grijze aristokratenkop. Prachtig! Zorg jij koster en jij meester dat het feest iets moois wordt, en dan zal ik wel uitkijken voor het ereteken. En als je soms een toelage kunt gebruiken om de onkosten te helpen dekken…. Hij lachte eens ondeugend.

Het jubileumfeest ging door op zondag 28 april I968. Een lentedag maar precies geen lenteweer. De gezichten van zangers en zangeressen straalden echter. Ze waren er weer eens bij. De hoogmis werd gezongen door het nieuwe gemengde Sint-Gregoriuskoor. Een indrukwekkende groep was het geworden. Wij gevieren, die op de eerste rij zaten in de kerk, voelden het warm worden om ons hart. Dat was nu ons koor. Wij hadden het helpen opbouwen al die jaren. En nu zaten we hier vooraan en zij zongen. Voor ons ! Was dat werkelijk ons koor? Zongen die zo ? We hadden het zelf nog nooit gehoord. Altijd zaten we midden in de zingende groep.
Pastoor Deltour spelde ons het ereteken van de H. Donatianus op. Een sober witmetalen kruis. We waren er zo blij mee als kinderen. Och, niet om die medaille zelf! God nee! Wie hecht daar nu nog veel belang aan. Maar om alles wat erin verscholen lag aan vreugden en vriendschap
Na de hoogmis werd het koor ontvangen op het gemeentehuis. Het moet gezegd dat we altijd goede maatjes zijn geweest met onze gemeentevaderen. Ze verleenden ons trouw ieder jaar een zeer welkome toelage ten andere. Burgemeester Callens was dan ook niet zuinig op zijn aanmoedigingswoorden en evenmin op de aperitiefjes. Het werd algauw een blij steekspel van woord en wederwoord, dat losser werd naarmate Annie de glazen bijvulde. We waren in een zeer plezierige stemming toen we tenslotte in " Het Fonteintje" aan tafel gingen. Lieske had blijkbaar haar beste beentje voorgezet, want het eten was prima. Een waar vuurwerk van lach, zang èn spel werd voortgezet tot laat in de avond. Toen het jubileumfeest voorbij was gingen we met frisse moed opnieuw aan het werk. De vrouwen waren nu helemaal ingeburgerd en moesten voor hun mannelijke kollega's beslist niet de duimen leggen.

Toen vatten de koster en meester Callewaert het plan op om de oude "Missa in Honorem Beatae Mariae Magdalenae" van Wiltberger weer eens uit de archiefkast op te diepen. Het was jaren geleden dat we ze nog uitgevoerd hadden. De sopraanpartij was toen nog door kinderen gezongen geworden. Het werden moeilijke herhalingen. Zeer moeilijke. Vooral de vrouwen hadden er een harde dobber aan. Ze beseften weldra terdege dat een nederlandse psalm heel wat minder problemen geeft dan zo een latijnse meerstemmige mis. Maar onze volharding werd beloond. De middernachtmis op Kerstdag van het jaar I968 werd een van de mooiste die we ooit hadden.
Allengerhand gingen we echter beseffen dat we een ellendige spelbreker in ons midden hadden. Och, we wisten het eigenlijk reeds lang, maar we waren gaan berusten in ons noodlot. Een koor zoals 'nergens in het omliggende en dan een harmonium dat kans liep ook nog op de vuilnisbelt geweigerd te worden! Zou je daar geen hete tranen bij schreien?
De koster staarde ons soms in stomme wanhoop aan als zijn vehikel weer eens extra vals gekreund had, of als een toets halsstarrig bleef napiepen. We hadden werkelijk te doen met hem. Maar wat konden we er tenslotte veel aan doen? Kerkelijke en burgerlijke gezagdragers gebruikten grote woorden als we het waagden onze nood te klagen. De nieuwe kerk, zeiden ze, de nieuwe kerk! Als die er eenmaal zal staan zal je eens zien welk machtig orgel je krijgt. Geduld maar nog een beetje! Daarmee konden we het stellen. 
Gelukkig kregen we tenslotte een elektronisch orgeltje ter beschikking. Dat heeft ons uit de nood gered tot het sinds jaren voorgespiegelde grote pijporgel eindelijk in gebruik kon worden genomen.

Ondertussen liep Gentiel Callewaert met plannen rond om het vernieuwde koor ook eens op de planken te brengen. Vinden jullie ook niet dat het ogenblik gunstig is ? Hij lei het ons bedachtzaam uit. Zie eens, we hebben een heleboel prima nummertjes en we kunnen ook nog wel op een paar andere mensen beroep doen. Ik ben er zeker van dat het goed kan worden. En het werd goed inderdaad. De avond ging door in het Fonteintje op 2 maart I969 . Er was zeer ruime belangstelling en iedereen kreeg waar voor zijn geld. Naast het koor met een hele waaier frisse nummers, traden ook Nico Vandenberghe op met voordracht, Peter Pieters met gitaarmuziek, een paar jeugdige fanfareleden met aardige stukjes, en enkele Stevenstelgen die met hun snaarinstrumenten stemmige muziek brachten. De schalkse Roland Decaluwé praatte het geheel aan elkaar op de hem eigene onnavolgbare wijze.

Op naar de nieuw kerk, het dertiende en tevens laatste deel.Image and video hosting RSB

Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Groei en bloei van de Sint-Gregorius Zanggilde

Groei en bloei van het Beverse St. Gregoriuskoor (deel 11)
Pallieter wordt bezadigder.
Hebben we vroeger niet reeds gezegd dat de aanvankelijke uitbundigheid van de jaarlijkse teerfeesten stilaan wegdeemsterde ? Och, een wonder was het eigenlijk niet. Uitbundigheid is een van die zaken die nog het snelst afslijten.
Je moet nu echter niet gaan denken dat onze teerfeesten tot een onbenulligheid in elkaar schrompelden. Helemaal niet! De klemtoon werd enkel verlegd. Ze werden een ietsje fijner, een ietsje kunstzinniger misschien. Eigenlijk meer in overeenstemming met een vereniging als de onze.
Een man die we bij die nieuwe soort feesten niet kunnen wegdenken is zeker Roland Decaluwé. Een van de fijnzinnigste humoristen die ooit in Beveren rondgelopen hebben. Met een sober handgebaar en een paar schijnbaar verlegen gemompelde woorden, kan hij een hele zaal aan het gieren brengen.
Roland en Marcel Desmet, zijn neef en onafscheidelijke boezemvriend, hebben ons veel prettige momenten bezorgd bij de teerfeesten. Niet zodra was het laatste stukje taart verorberd en het laatste restje koffie uitgedronken, of ze namen resoluut de mikro ter hand en de poppen gingen aan het dansen. Uren lang. Tot de horlogewijzers reeds een heel eind voorbij de kleinste cijfers gekropen waren.
Samen met de beide Germain Vandorpe's, hebben die twee eens een Perry Como-show gebracht die ons nog lang zal blijven heugen. Liedjes en guitige gezegden buitelden , door elkaar in een verbijsterend tempo. We zaten er genietend bij en schudden bij tijd en wijle het hoofd. Waar blijven ze het toch halen, waar blijven ze het toch halen!
Een andere knaap die indruk gemaakt heeft op ons in die tijd, is Roland Vandendriessche. Roland-met-de-gitaar. Een kerel met goud in zijn keel. Dat zal ieder toegeven die hem ooit horen zingen heeft. Ook hij heeft het nogal vroeg bij het koor laten afweten. Gehuwd en elders gaan wonen. Jammer, maar niets aan te doen. Veel jong bloed is zo voor de zanggilde verloren gegaan.

Begin 1963 werden André Nolf en Arthur Kerkhove eens speciaal in de bloemetjes gezet op zo een feest. De koster oefende toen reeds ruim vijf en dertig jaar zijn ambt uit en Tuur was meer dan veertig jaar kerkzanger. Het was een intiem feestje. Zonder eretekens en zonder vertoon naar buiten uit. Voor de twee feestelingen was het echter een komplete verrassing en ze genoten er zichtbaar van. We hadden een paar liederen gemaakt voor de gelegenheid en misschien komt één daarvan “ Het Bloemkoollied" , nog eens te berde bij de viering van dit jaar. Het zou een goede herinnering wezen.

En steeds maar huwelijken.
Een pienter lezer, daarenboven iet of wat beslagen in finantiezaken, zal zich misschien reeds verbaasd hebben afgevraagd waar al ons geld naartoe ging. Duizenden franks overschot bij sommige bonte avonden. Persoonlijke maandelijkse bijdrage. Nu en dan een gift of een mis waarvoor we speciaal betaald werden. Nou nou die zangers gingen er toch maar met de grove borstel door, zou je zo zeggen. Ogenblikje! Al ooit zo een vereniging finantieel beheerd? Voorzichtig dan! Er komt heel wat meer om de hoek kijken dan je zo op het eerste zicht zou denken.

Over de dure muziekdruksels hebben we reeds gesproken. We lieten ook reeds doorschemeren dat we ieder jaar een etentje kregen dat door de kas bekostigd werd. Heel demokratisch dit eten-tje hoor! Soep, een flinke schotel vlees met groenten en aardappelen, en daarna nog een stuk taart met een kop koffie. Daardoor zal wel geen enkele kas lek geslagen worden. Maar hebben we je ook reeds verteld dat ieder zanger die trouwde een geschenk kreeg? Een behoorlijk geschenk en een bloemstuk daarbij? En de vereniging was nog jong toen, zie je. Heel wat zangers zijn in het bootje gestapt in die jaren. Gaat je nu een licht op ? Een groot deel van onze duiten diende dus om onze gezellen wat moed in te pompen bij de grootste stap van hun leven.

Gentiel Callewaert, onze dirigent, huwde in het jaar I957. In I959 was het de beurt aan Joris Uyttenhove, Roger Ostijn en Paul Vercruysse. In I96I waagde Hubert Ameye de sprong, in I962 Eric Sabbe, in I964 Roland Decaluwé, in I965 Germain Vandorpe uit de Grote Heerweg en Marcel Desmet, en in I966 tenslotte onze tweede Germain Vandorpe en Renaat Velghe. Meer dan één trouwfeest per jaar, als je het zo uitrekent. Er zijn zalige herinneringen verbonden aan die huwelijksfeesten.
Alhoewel we grif toegeven dat ook daarbij allengerhand een evolutie intrad. Vroeger kon je op zo een feest nog met koorgezang en allerhande attrakties voor de dag komen. Thans is dat uitgesloten. Het orkest of de juke-box jankt de hele zaal nu stokdoof en wil van geen wijken weten.

Op het bruiloftsfeest van Gentiel Callewaert en Marie-Thérèse Deleersnyder in de Britannia te Harelbeke, was het podium nog voor ons. De muzikanten waren blij als ze even konden uitblazen. Ook in Lendelede, waar Hubert Ameye trouwde, hadden we het nog voor het zeggen en het zingen tot laat in de nacht, evengoed als bij het feest van Roland Decaluwé en Ann Sercu in het Beverse Fonteintje. Maar daarna gingen we een andere koers varen. We voelden ons een beetje verloren op dergelijke huwelijksfeesten. Nog even dapper gingen we de trouwmis zingen en een paar glazen drinken op de receptie, maar voor de rest van de dag schaarden we ons dan omheen de kaarttafel. Jaja, ook zangers worden oud. Als we eerlijk willen zijn, moeten we toegeven dat de oorzaak niet alleen bij de snerpende orkestmuziek ligt.

Och, wanneer we het zo achteraf bekijken, zien we dat het alles in elkaar past als de stukjes van een legpuzzel. De steeds groter wordende afwezigheid bij de herhalingen. Het onvermogen om nog een aantrekkelijke avond-met-eigen-krachten op te bouwen. De heimelijke afkeer voor moderne trouwfeesten. Het luwend geweld van onze jaarlijkse teerfeesten.
Het viel niet te ontkennen: het koor was aan het verouderen. Als er niet spoedig ingegrepen zou worden, zou het een zielige dood sterven.Image and video hosting RSB

Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Groei en bloei van de Sint-Gregorius Zanggilde

Groei en bloei van het Beverse St. Gregoriuskoor (deel 10)
De periode 1957 - I967
Het leven gaat verder.
We hadden meester Stevens verloren, maar het leven moest verder gaan. Nooit blijft de wereld stilstaan, hoe groot de schokken ook zijn die opgevangen moeten worden. Gentiel Callewaert was dus definitief onze dirigent geworden. Een jonge kerel toen nog die Gentiel. De jongste ongeveer van het ganse koor. Gemakkelijk zal hij het wel niet gehad hebben toen. Voor bijna allen was Jozef Stevens de "meester" geweest. Gentiel Callewaert daarentegen was de "kameraad" . Gewoon soldaat, uit de rangen naar voor getreden. We vermoeden dat die kameraadschap hem heeft gesteund in zijn beginperiode.

Al spoedig bleek dat hij inzake werkkracht en inzicht voor zijn oude onderwijzer niet moest onderdoen. Op verbluffend korte tijd had hij de knepen van het vak onder de knie. Zijn jongensachtige verlegenheid week dan ook algauw voor mannelijk zelfvertrouwen.

Op het koor zelf werkte zijn persoonlijke ontplooiing in als een opkikker. We hadden ons onzeker gevoeld. Zo jong nog! Nauwelijks de studentenbroek ontwassen. Zal hij het halen? Toen hij het haalde met glans, werden we geestdriftig. Zie je wel! Ze krijgen er ons niet onder. Vooruit mannen!
Er werd hard gewerkt in die jaren. Zeer hard. Niet enkel bij het mannenkoor. Meester Callewaert had Jozef Stevens' voorliefde voor kinderstemmen overgeërfd. Hij wilde die sopraantjes echter liefst niet bij de uitvoering van meerstemmige missen betrekken. Die vogels gingen nu te vroeg vliegen naar de middelbare school. Voor het koor waren ze dan zo goed als verloren. Anders maakte hij echter ruim gebruik van kinderstemmen. Kerstliederen, gregoriaanse voorzang, en zo meer.

Op het einde van de vijftiger jaren kregen we ook in Beveren een middernachtmis op Kerstdag. Eindelijk. Het had nogal wat voeten in de aarde gehad. Bij pastoor De Visscher moesten we met dit voorstel helemaal niet komen aandraven en ook pastoor Deltour was er aanvankelijk niet al te happig naar. De karig bezette stoelen in de vroegmis op Kerstdag deden het tenslotte. Is dat geen zonde, mijnheer Pastoor? Wij doen ons best om een kerstprogramma te brengen dat er wezen mag en zie eens! Hoeveel mensen heb je nog in de vroegmis? Die gaan elders, mijnheer Pastoor. Die gaan naar een middernachtmis. Pastoor Deltour gaf zich gewonnen. Beveren zou voortaan ook zijn middernachtmis hebben. Hier voor ons ligt het kerstprogramma van het jaar I959. Een gestencild blaadje. Niet veel sieraad aan. Maar het is een kostbare getuige. Zo zouden we er meer moeten hebben. Het was de driestemmige “Missa in honorem Sancti Adalberti" van Elbert Franssen die toen werd uitgevoerd. Een van de moeilijkste missen die we ooit hebben aangeleerd. Maar mooi als een sprookje. Beierend als klokkenspel. Als Gentiel Callewaert in één mis bewezen heeft dat hij een bekwaam dirigent geworden was, het wel in deze geweest. Het onophoudelijk aanzwellen en sterven, het in- en uitvallen der verschillende stemmen, moet het uiterste van zijn aandacht gevergd hebben.
Op Kerstdag I960 pakten we uit met onze zogezegde "Franse mis" Een driestemmig stuk, gekomponeerd door een zekere Dirickx. Pas¬toor Deltour had een met de hand geschreven eksemplaar ervan gevonden in de nagelaten paperassen van zijn voorganger en koster Nolf had toen met engelengeduld het handschrift ontcijferd en op stencil gezet. Een mooie mis. Gracieus en vleiend van melodie. Niet vreemd dus dat ze bij ons de "Franse mis" geheten werd.
Op Kerstmis I96I werd teruggegrepen naar de tweestemmige "Missa Quarta" van Alfons Hoortgat en in I962 was het weer de beurt aan de "Missa in honorem Sancti Adalberti". Ondertussen echter hadden koster Nolf en dirigent Callewaert er iets nieuws op gevonden om de feestelijkheid omheen de middernachtmis nog verder op te voeren. Beroep werd gedaan op een paar koper- en strijkinstrunenten. Het "Gloria schalt gans het Eden" klonk door de kerk als een bazuinstoot. De bazuinstoot die de opening van een glansrijke plechtigheid aankondigt.
Op het kerstprogramma van het jaar I961 zijn enkele namen van sopraans aangetekend. Waarom ze niet even vermelden hier. Patrick Mauws zong toen het "Adeste Fideles". Hij had een prachtige stem die Patrick. Verders werden ook nog solonummers gezongen door Willy Kindts, Patrick Lateur, Carlos Meersman, Herman Mestdagh, Johan Pieters, Christ Coussement, Roland Lavens en Johnny Vanderheeren.

Och, we wilden maar dat we hier de namen van al de sopraans konden optekenen die ooit in het Beverse koor gezongen hebben. Maar dit is onbegonnen werk. Het zijn er tientallen en tientallen geweest en volledig zouden we toch nooit kunnen zijn. Beter dan maar er niet aan te beginnen. Wie ze ook zijn echter, we groeten ze met warme genegenheid. Ook zij maken deel uit van onze grote zangersfamilie. Ondertussen kunnen we ook nog eens kijken hoe het mannenkoor ervoor stond in I961. Er is een ledenlijst uit die tijd bewaard. Zie maar:
Hubert Ameye, Gentiel Callewaert, Roland Decaluwe, Michel Debrouwere, Marcel Desmet, Marcel Himpe, Arthur Kerkhove, Jaak Meersman, André Ostijn, André Nolf, Arseen Roobroeck, Eric Sabbe, Willy Stevens, Lucien Vancraeynest, André Vandermeiren, Germain Vandorpe (Gentstraat), Godfried Vandevoorde, Paul Vercruysse, Lucien Vereecke, Hubert Velghe, Robert Meersman, Lucien Meersman.
Weerom waren dus enkele nieuwe namen opgedoken. En dat was broodnodig. Heel wat oude vrienden immers konden er niet langer meer bij zijn. Wie oplettend toekijkt, ziet dat er in het koor altijd een druk komen en gaan geweest is omheen een kern die vast aaneengesnoerd bleef.

Och, dat gedurig veranderen is heel natuurlijk tenslotte. Weet een mens ooit waar hij in zijn leven zal belanden? De ene verhuist. De andere krijgt nieuwe levensvoorwaarden voor de voeten geschoven. En zo gaat het verder. Er zijn duizend en één zaken die een mens van zijn liefhebberij kunnen aftrekken. Haar, hoe het ook zij, als je ergens een oud-zanger ontmoet dan spreekt hij altijd met weemoed over de goede dagen van weleer.
Tot zover hebben we enkel gesproken over uitvoeringen op Kerstmis. Het is echter duidelijk dat ons koor ook bij andere kerkelijke feesten naar buiten kwam. Evengoed als vroeger trouwens. Pasen, Pinksteren, de Ommegang, de Kermis, Allerheiligen, het waren allemaal dagen waarop de Bevernaars vragend zouden opgekeken hebben als we niet met iets speciaals uitpakten.
Met die kerkelijke feesten was de kous nog niet afgebreid. De mensen gingen meer en meer beroep doen op ons. Ze hielden van hun koor en pakten er graag mee uit tegenover vrienden en kennissen. Sommigen hadden er wel een paar duiten voor over om ons bij bijzondere gelegenheden te laten optreden in de kerk. Zo hebben we in het jaar I963 gezongen bij het gouden huwelijksjubileum van Achiel en Euphrasie Vancraeynest.

PhotobucketDat eigenste jaar ook hebben we voor het eerst de Sint-Jozefsmis opgeluisterd voor de Interlin. Ook voor huwelijksmissen werden we gevraagd. In I965 zongen we bij het huwelijk van Lieva Rigolle. De eerste van een reeks die ondertussen reeds behoorlijk lang geworden is.
Het bracht allemaal zaad in het bakje. En is er nu iets wat een kas broodnodiger heeft? Natuurlijk dat we niet altijd met onze rekening klaar stonden. Je kan toch geen geld vragen voor het zingen van een eremis bijvoorbeeld. Neenee, we weten nog wel iet of wat hoe het in de wereld hoort. Ook bij een zanger die huwt moet je niet pogen de duiten uit zijn zak te persen. Maar bierbonnetjes hebben we nooit afgeslagen. Nogal duidelijk. Je moet toch niet katolieker willen wezen dan de paus zelf.

In het jaar I963 zijn we ook eens de hoogmis gaan zingen in de Pius X kerk te Kortrijk. We hebben er een beste indruk van bewaard. Een sobere kerk, niet te groot, en met een akoestiek als in een koncertzaal. Het waren hoofdzakelijk latijnse motetten die we daar brachten. 0 salutaris hostia, Panis angelicus, en dergelijke meer. Om het eigene der mis hoefden we ons niet te bekommeren. De pastoor daar vond dat niet onontbeerlijk. Op de terugweg zijn we daarna nog een serenade gaan brengen aan Paul Decavel en Lieve Vandorpe. Twee jonge Bevernaars, verwant aan de helft van het koor, die toen in Kuurne woonden. Steeds hebben die twee met ogen groot van heimwee naar hun geboortedorp teruggeblikt. Ze beleefden deugd aan ons optreden. Dat zagen we genoeg. Hun middagdutje hebben ze er echter bij ingeschoten toen. Je kan zangers in je huis halen als je daar lust toe hebt. Wanneer je ze echter kwijtraakt, is een andere zaak.

De wereld verandert.
Sinds de laatste Wereldoorlog is onze samenleving op een stroom gaan lijken die al sneller en sneller aan het vlieten is. We zitten er midden in en we worden meegesleurd. Je kan tegenwor-stelen. Natuurlijk. Je kan zelfs trachten tegen stroom in te zwemmen. Maar dan spat het schuim je om de oren en slaan de golven je in het gezicht. Je raakt vermoeid en uitgeput en meedrijven doe je toch. Zo is dat nu geworden. Een stroomversnelling. Niemand weet waar die ophouden zal. Ook de Kerk kwam in die vloed terecht. De "rots in de branding" deed het niet meer. Een aftands beeld dat niet langer door werkelijkheid werd gedekt. Het bleek immers dat het godsvolk niet veilig op een enorm steenblok zit, maar dat het op tocht is naar onbekende verten, God tegemoet. In de Kerk werd de klemtoon verlegd van de hierarchie naar dat pelgrimerende volk. Het werd zelfs duidelijk dat dit volk de werkelijke Kerk is. Datgene waar het eigenlijk om begonnen is.
Dat alles had zijn gevolgen. Ook in Beveren. Gedaan dus met de latijnse gebeden waar enkel de pastoor en de dokter en de apoteker iets van begrepen. Gedaan ook met de missen waarin de priester het volk zijn rug toekeerde en angstvallig het altaar afschutte. Kristus kwam weer terug onder het volk. De belemmeringen tussen Hem en de zijnen werden opgeheven.
Begin I965 werd ons altaar naar de kerkgaande menigte toegedraaid. Daarmee werd volledig duidelijk dat ook wij aan de Tafel genodigd waren. De gebeden en lezingen werden in het nederlands gehouden. Het waren afschuwelijke vertalingen nog wel, maar we begrepen er toch reeds iets van.

Ook de zangers werden een pelgrimerend volk in dat jaar I965. Onze tocht was echter niet zo bijster groot. Hij begon op het dokzaal achterin de kerk en eindigde vlak voor het altaar van Sint-Jan. Ons harmonium voerden we mee zoals eertijds de Israelieten hun Arke des Verbonds. Voor dat altaar was onze plaats voortaan. Het volk zong nu immers mee en wij waren voorzangers geworden. En betaamt het dat een voorzanger achteraan zit? Er moet orde zijn in de zaken.
Aanvankelijk werden zo nog gregoriaanse missen gezongen, terwijl nederlandse psalmen stilaan hun intrede deden. Allengerhand echter verdrong de moedertaal het laatste restje latijn. Ook de gregoriaanse missen gingen tot de folklore behoren. Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus, Benedictus, Agnus Dei, we hoorden het allemaal slechts sporadisch meer. Je kan het jammer vinden. Schatten door eeuwen en eeuwen op elkaar gestapeld, werden zo met zorgeloze hand opzij geschoven. In plaats daarvan kwamen allerhande leuke deuntjes, die in de volksgunst klommen en daalden als moderne hits op een platenparade. Het was echter onafwendbaar geworden. Jarenlang was men tè stroef geweest. De waterketel kookte over. Elk beijverde zich om zich zover mogelijk van het oude te distanciëren. De pelgrimstocht gaat echter verder. Veel van wat we thans aanbidden zal onder de voortschrijdende voeten tot gruis vertrapt worden. Enkele parels zullen overblijven. Enkele parels. En staat er niet ergens in een parabel dat je alles verkoopt voor een enkele kostbare parel?
Photobucket

De zangers zijn ietwat onzeker geweest in die omschakeling van latijn naar de moedertaal en van koorzang naar massazang. Och, begrijpelijk is het wel. Ze waren opgegroeid in een traditie die nu zonder veel omhaal in elkaar werd geknokt. Ook hun hoge troon achterin de kerk schoten ze erbij in. Ze zaten thans vooraan te kijk. Onder het waakzaam oog van onze stroeve patroonheilige, Sint-Jan. Gedaan met de heimelijke dutjes tijdens een langdradige preek. Lang heeft die aarzeling echter niet geduurd. Met verbeten energie wisten koster Nolf en dirigent Callewaert de koorleden duidelijk te maken dat hun opdracht niet ineengeschrompeld was tot een peulschilletje. Dat de ganse kerk nu meezong? Prima! Maar wij bleven toch voorzangers zeker? En wie beter dan wij konden het volk leren zingen? We begrepen het. We gingen weer resoluut omheen het harmonium post vatten en stuwden de kerkgaande menigte vooruit. Onder ons impuls werd de kerk van Beveren een zingende gemeenschap. Latijnse gezangen eerst nederlandse daarna. Het werd een heel repertorium.

Op de hoogdagen bleven we echter teruggrijpen naar de oude meerstemmige missen. Dan zaten de mensen stil op hun stoel en genoten. Net als vroeger. Ze hadden thans waar voor hun geld. Kijk- en klankspel was het nu geworden. Langzamerhand echter kwam er sleet op het koor. Langzamerhand en verraderlijk. Onmiskenbaar echter voor wie nauwkeuriger toekeek. Verscheidene zangers begonnen weg te blijven uit de herhalingen. Televisie? Te druk gezelschapsleven? Wie zal het zeggen! Het ergste was dat er geen nieuwe kandidaten meer werden gevonden om de leemten te vullen. Vooral de tenorpartij brokkelde af. Tenorstemmen waren blijkbaar zo zeldzaam geworden als witte raven. De verhouding was verbroken.
In het jaar 1967 heeft Gentiel Callewaert meer dan eens mismoedig het hoofd geschud en gezucht dat de liefhebberij eruit was. En toch weet ik een redmiddel, zei hij, toch! Bestaat de parochie niet voor de helft uit vrouwen en kunnen vrouwen niet evengoed zingen als mannen? We bezagen hem wantrouwend. Vrouwen? Wat moeten we daarmee aanvangen in het koor? We hebben niets tegen vrouwen, helemaal niets, maar .......
Daar bleef het voorlopig bij. Nieuwe ideeën moeten eerst gaar sudderen. Kort daarna echter gebeurde iets. Gentiel Callewaert drilde een vrouwenkoortje om een K.A.V.-feest op te luisteren en daar ging de bal voorgoed aan het rollen. Dat vertellen we echter verder.

Op zoek naar inkomsten.
Je mag op je hoofd of op je voeten staan, uit een kas kan je nooit meer halen dan erin steekt. Een wet waaraan niet te tornen valt. Die ijzeren wet verplichtte ons, ook na 1956, bij tijd en wijle uit onze schelp te komen om aan wat centen te geraken. Reeds in het genoemde jaar I956 hadden we het zangspel "Smidje Smee" voorbereid. Het was een olijk stuk. De volkse wijsjes lagen er met kwistige hand in uitgestrooid. We zouden het spelen in de zaal van het Klooster op de eerste zondag van december. Toen overleed meester Stevens en van spelen op die zondag was natuurlijk geen sprake. We zouden de rouw om onze vroegere dirigent op flagrante wijze geschonden hebben.
De uitvoering werd verschoven naar 7 februari I957. Het werd een groot sukses toen. Joris Uyttenhove speelde de rol van zijn leven als baarlijke Satan, terwijl Jozef Lagaisse goud waard was als het olijke Smidje Smee. Er was een netto overschot van ongeveer zesduizend frank. In februari I958 hadden we een avond samen met het koor van het Waregemse H.-Hartkollege. Er was tamelijk veel belangstelling, maar onze gasten uit Waregem gingen met de grootste winst lopen. De juiste formule was het alleszins niet om onze kas bij te werken.

Op 15 februari van het jaar I959 waagden we het nog eens met eigen krachten. De grote opkomst uit de gloriedagen was er echter niet meer. Blijkbaar was het stramien glad versleten. Jammer, want op dat stramien hadden we borduurwerk gemaakt dat aardig wat duiten in het zakje bracht. Ach, de kruik gaat zolang te water tot ze breekt. Maar ons deel uit die kruik hadden we inmiddels toch ruimschoots gekregen. Daarna hebben we er wijselijk een tijdje mee opgehouden. We hadden nu ook iets meer inkomsten uit andere bronnen en voor de rest zaaiden we maar naar de zak.

Begin I964 stond het licht andermaal op rood. Hel blekkerend rood dit keer. Robert Meersman kwam ons met gefronste wenkbrauwen vertellen dat hij van zijn eigen geld had moeten bijpassen om de rekeningen van het koor te betalen. We waren failliet op dat ogenblik. Schandelijk failliet! We zaten er een poosje verslagen bij toen. Niemand die een woord sprakt tenzij dan om een nieuwe pint te vragen. Tot er ons plots een licht opging. Hé zeg, waren er geen gemeente-raadsverkiezingen in oktober dat jaar? En als we nu eens een zangfeest gingen geven op de zondag vlak voor de verkiezingen? De dorpspolitiekers zouden erop afkomen als wespen op een rijpe peer. Zoveel was zeker. En zuinig zouden ze wel niet wezen.
Zo geschiedde. Op 4 oktober I964 hielden we een “Muzikale Ontmoeting in Driekwartmaat ". De zaal van het Fonteintje liep bomvol. Onze "vroede vaderen-in-spe " waren er allemaal. Van de eerste tot de laatste. En krenterig waren ze niet. Dat moet ter hunner ere gezegd. De verkiezingen hebben ons gered toen. Met fier opgeheven hoofd mochten we weer vooraan in de kerk gaan zingen.
Onze schulden waren betaald en onze kas verkeerde opnieuw in goeden doen.

Image and video hosting RSB

Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Groei en bloei van het Beverse St.-Gregorius Zanggilde

Groei en bloei van het Beverse St.-Gregoriuskoor (deel 9)
Het zeer bewogen jaar I956.
Een bui die opsteekt uit een onverwachte hoek kan je verrassen. De regen vlaagt je in het aangezicht voor je erop verdacht bent. Zo ongeveer overviel ons ook de tijding van meester Stevens ziekte. Totaal onverwacht. We stonden met enkelen aan het kerk¬portaal. Een paradijselijke avond, herinneren we ons nog. We zouden herhalen voor het Pinksterfeest. Meester Stevens komt niet, wist iemand, hij is ziek. - Ziek? Kom nou! Erg zal het wel niet wezen. Stevens en ziekte. Hoe rijm je dat te zaam !

Het was echter wél te rijmen. En beter dan ons lief was. Toen de koster kwam vernamen we het. Geen sprake van dat de meester erbij zou zijn op Pinksteren. Het kon maanden duren. Misschien. Wie weet? - De koster schudde het hoofd en haalde hulpeloos de schouders op. We stonden er verslagen bij. Geen mens die er toen aan dacht echter dat het zo fataal zou aflopen. Een paar maanden rust, meenden we, en de meester zou wel weer de oude wezen. Hij was taai als welster. Maar ons koor intussen! En de mis die moest gezongen worden op Pinksteren! 
Aarzelend bekeken we elkaar. Voorlopig moest iemand anders Jozef Stevens' taak overnemen. Dat was duidelijk. Maar wie? Wie durfde het aan de leiding van zo een koor op zich te nemen?

PhotobucketSinds een paar jaar was de jonge onderwijzer, Gentiel Callewaert lid van het koor geworden. Een beste jongen die Gentiel. Een beetje stil. Nog wat onwennig tussen al die ouderen. Maar had hij geen notenleer gestudeerd in Torhout? Was hij geen spelend lid van de fanfare en moest je daarvoor ook niet een beetje muziek kennen? Nee, nu we het eens goed bekeken, zo gek zou het nog niet zijn als hij het eens wilde proberen.

Gentiel nam het aan. We waren hem dankbaar, want hij hielp het koor uit de slop. Op Pinksteren werd de tweestemmige “' Missa Te Deum Laudamus" van Perosi gezongen. Die mis stelde aan een dirigent niet al te veel eisen. Op de Kermis echter stond reeds de " Missa Secunda" van Moortgat op het programma. En dat was een ander paar mouwen. De dirigent moest daar wél met al zijn zinnen bij zijn.
Toen de laatste akkoorden verklanken waren, wisten we echter dat we een volwaardig dirigent gevonden hadden. Met die mis was Gentiel Callewaert voor een zeer kritieke jury verschenen en hij was geslaagd summa cum laude.
Het was die kermismiddag later dan gewoonlijk toen we huiswaarts trokken. Het ging niet goed ondertussen met meester Stevens. Helemaal niet goed. Hij was in Leuven geweest en had er een heelkundige bewerking ondergaan. Veel hoop was er echter niet meer. Dat voelden we wel. Toch had die dokterstussenkomst hem wat opgeknapt. En zo kwam het dat hij zijn laatste grote feest bij de zangers heeft kunnen meevieren. Maar hij was toen reeds een getekend man. Het sneed ons door het hart.

PhotobucketDie 21 september I956 was een grote dag voor het Sint-Gregoriuskoor.
Drie leden hadden vanwege Mgr. De Smedt het zilveren Kruis van de H.Donatianus ontvangen omwille van hun trouwe dienst in de kerk.
Arthur Kerkhove vijf en dertig jaar zanger. André Nolf dertig jaar koster. Jozef Stevens vijf en twintig jaar koordirigent. (foto hiernaast)
Weken te voor reeds hadden we die dag voorbereid. Pastoor Deltour was onze bondgenoot. Liederen werden aangeleerd om het feest op te luisteren en er werden steunkaarten verkocht om aan de nodige fondsen te geraken.
We wilden er iets van maken waarin al onze vreugde en al onze dankbaarheid te stralen lag.

Het was een blijde dag.
Een hoogmis met veel volk, een receptie ten gemeentehuize, en dan tot in de late avond een feesttafel die slechts verlaten werd om de lont aan lach en lied te steken. Het gastvrije huis van André en Lieske Vandermeiren gonsde als een bijenkorf. Er werd een foto genomen op die dag. Natuurlijk.
Even kijken wie er toen bij waren? Zie maar:

2221208-d5c8dca92c09886ebe92bc8f03d5a258.jpg

PhotobucketNa het feest stonden we weer voor de werkelijkheid. In zijn huis aan de Kleine Heerweg schreed Jozef Stevens langzaam naar het einde toe.
Vijf en twintig jaar lang was hij met onze koster het hart van de zangvereniging geweest. Nu was het gedaan. Onherroepelijk. Zoiets laat je niet los.
Hij overleed op 2 december van het jaar I956. Vier dagen later werd hij ten grave gedragen. Zelden hebben we met zoveel ingehouden ontroering het Reguiem gezongen. We deden het voor hem en we deden het onbewust ook voor de lange periode koorleven die achter ons lag. Met hem was ze de eeuwigheid ingewenteld.

Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Groei en bloei van de Sint-Gregorius Zanggilde

Groei en bloei van het Beverse St.-Gregoriuskoor (deel 8)
Op de bruiloft van Kana.
Kerkzangers kunnen devoot doen als ze 's Heren lof bezingen. Geen mens die dit niet in de gaten heeft. Het is echter duidelijk dat ook een kerkzangersoog met welgevallen kan rusten op een pront maagdeke. Spreken sommige gewijde gezangen immers zelf niet van bevalligheid die verleidelijk kan lokken op meisjeslippen? Diffusa est gratia in labilis tuis. Het liegt er niet om.

Ook de leden van het Sint-Gregoriuskoor lieten zich in die aangelegenheid niet kennen. Ze vrijden en trouwden als hun tijd daarvoor gekomen was. Sommige van die bruiloften staan ons nog fris voor de geest. Alsof het pas gisteren gebeurd ware. Zo het huwelijk van Robert Meersman en Mariette Opsomer, in het jaar I946. Het trouwfeest ging door ten huize van de bruid. 's Avonds waren we erbij met een hele delegàtie. Zo een bruiloften kennen ze nu niet meer. Zingen en dansen en spelletjes doen. En geen een die zich afzijdig mocht houden of hij kreeg een verbolgen meester Stevens op de nek.

Robert en Mariette waren de eersten die het waagden in de naoorlogse periode. Velen hebben daarna nog hun voorbeeld gevolgd. Jaak Meersman in I948, Marcel Himpe en Marcel Vancompercolle in I952, André Ostijn in I951 , Lucien Meersman in I954 , Arseen Roobroeck in I955 , Michel Defreyne in I956. Mogelijks werden hier nog namen vergeten. Och, neem het ons niet kwalijk. Onze memorie begint zo zoetjesaan de afmetingen te krijgen van een konijnenstaartje. En dat is niet veel.

De huwelijksfeesten die ons uit die periode het allerbest bijbleven, zijn die van André Ostijn met Marie-José Coucke, Lucien Meersman met Nelly Roose en Arseen Roobroeck met Noella Taelman. Niet dat de andere daarom minder waren. God nee! Maar aan deze drie zijn toch speciale herinneringen verbonden.

De bruid van André Ostijn woonde op de Ginste, een parochie van Oost-Rozebeke. Het feest ging door op de ouderlijke hoeve aldaar.
Zo een feest op een hoeve is natuurlijk altijd iets speciaals. Breughel had er moeten bij zijn die keer. Hij zou er zijn werk gehad hebben. Het koor heeft daar zijn duivels ontbonden zoals nooit te voren misschien. Grappen en liedjes en koorzang. Het tuimelde door elkaar in een bruisende lawine. En ondertussen eten en drinken tot de dageraad reeds in de lucht zat. Enkele zangers hadden daarna nog genoeg fut over om de vroegmis te helpen zingen in de kapel van de Ginste. Zouden ze dat nu nog kunnen ? Vraagteken!


En meer dan één. Lucien Meersman en Nelly Roose vierden hun huwelijksfeest in "Het Gemeentehuis" . Ook daar werd gezongen tot de kelen er hees van werden. Toen het al wat later werd zaten een paar van ons in de kelder op zoek naar iets eetbaars. We zouden juist beginnen aan het overschot van de koeitong, toen Lieske de trap afgedaald kwam. Goedig glimlachte ze. Maar jongens toch, koude koeitong in tomatensaus is toch niets waard! Kom, ik ga dat een beetje opwarmen. Zulke steken mochten de zangers laten vallen bij de waardin uit het Fonteintje. Waren we er thuis of niet ?

Ook het huwelijksfeest van Arseen Roobroeck ging op een hoeve door. Noella immers was een boerendochter uit Deerlijk. De tapkast stond er opgesteld in een schuur en al spoedig hadden we in de omtrek daar onze draai gevonden. Voor er een uur verstreken was, werd de lof van bruid, bruidegom en bier gezongen in een veelheid van tongen en talen. 0ok Robert Vandeplassche klom nog eens op zijn zolder en liet de oude broeken als dreigende schietbuizen aan de hanebalken hangen. In de vroege morgenuren waren nog slechts enkele feestgangers in de ruime boerenkeuken bijeen. Arseen en Noella hadden reeds lang andere oorden opgezocht. In een roerende toespraak troostte Jozef Stevens dan de boerin om het heengaan van haar laatste dochter. We waren stilgevallen. Lichtelijk met bier gekruide weemoed hing in het zwartbezolderde vertrek. Door de ramen sloop het eerste daglicht naar binnen.

Photobucket

Op reis met het koor.
Jarenlang is het traditie geweest dat het koor een reisje maakte. Nooit te ver. Er moest immers ruim tijd wezen om eens af te stappen en in volle gezelligheid een paar glazen te drinken. We gingen voor het eerst op reis in 1946. Het werd een voltreffer. Iets waarin je de speelse aard van meester Stevens erkent en zijn hang om van alles een soort toneel te maken. Het koor op reis gaan? Nou, voor mij niet gelaten! Maar dan niet als brave sulletjes. Iets speciaals moet het wezen. Iets ànders ! Zo ongeveer moet hij het toen gezegd hebben.


En het werd iets anders. Alleen de mannen mochten mee en ze moesten een bolhoed dragen. De reis zou alover Loppem en zijn abdij naar het H. Bloedspel in Brugge gaan. Op de gestelde dag waren ze er allemaal. Ieder had een bolhoed op. Ieder. Behalve één. En die stond voor de keuze: bolhoed halen of thuisblijven. Hij heeft dan wijselijk de vreugde boven de smart verkozen.
Het werd een reis waar de guitigheid aan alle kanten uitgedrupt kwam. Verstomd staarden de voorbijgangers die schare bolhoeden na. Wie mogen dat zijn? Engelsen? Misschien. Maar dan toch een bijzonder galant soort. Zie eens hoe zwierig ze hun hoed afnemen en allen tegelijk buigen als ze iemand groeten. Neenee, stijve Engelsen zijn het beslist niet. Maar wie dan? Jozef Stevens had zijn doel bereikt. Zijn mannen akteerden als op de planken.

Heel wat reizen zijn daarna nog gevolgd in die periode. Naar Holland, naar Dinant, naar Bouillon, naar Meisbroek. We zijn er de tel bij kwijtgeraakt. Maar als die eerste keer werd het nooit meer. Of toch. Eéns. Toen we naar Calais en Duinkerke togen. Ook die reis moet in ieders geheugen blijven hangen zijn.
Weet je het nog? In de warme namiddaguren hadden we ietwat loom door de zonovergoten straten van Calais geslenterd. We hadden een beetje wantrouwig de beroemde "Burgers Van Calais" gemonsterd en we hadden wat glazen wijn gedronken omdat het Frans bier nergens naar smaakte. Kortom, we hadden ons een beetje verveeld. Opeens vonden een paar groepjes zangers elkaar terug in een ruime gelagzaal. Er werd verheugd op het weerzien gedronken en, eer iemand goed wist wat er gebeurde, was meester Stevens op een stoel geklommen, sprak de aanwezige Fransen toe in hun zangerige moedertaal en gaf dan het sein voor "De Lieve Hei" , het lijfstuk van de zanggilde. Trippelend buitelden de speelse akkoorden door de open deur naar buiten. Wandelaars bleven verstomd staan. Wat mocht dat wezen? Een groep zingende mannen en een man die de maat sloeg met een broodmes. Gekken? Maar gek of niet, het moet mooi geweest zijn. De Fransen klapten frenetiek in de handen toen het laatste akkoord verklanken was. Zo was Jozef Stevens. Vol speelse invallen. Guitig. Bijdehand. Nooit kon je met zekerheid zeggen wat hij het volgende ogenblik zou uithalen.

In augustus van het jaar I955 heeft het koor tijdens zo een reis eens de hoogmis gezongen in de kerk van Grobbendonk. Er waren kontakten gelegd tijdens een van de schoolstrijdbetogingen. Vermoedelijk was het de Missa Secunda van Moortgat die daar uitgevoerd werd, maar heel precies weten we het toch niet meer. We stonden een beetje onwennig op het zangerspodium rechts vooraan in die ruime kerk. Zo vlak bij het volk te zingen waren we niet gewend. Moortgats melodieen klommen en daalden echter zwierig onder de statige gewelven. Na de mis knikten de Grobbendonkenaars ons waarderend toe. Het was hun bevallen.
Het is de laatste reis geweest die Jozef Stevens meemaakte en de laatste keer dat hij het koor dirigeerde op vreemde bodem. Wie had dat toen echter kunnen denken?

Bonte avonden.
Op ons eerste teerfeest had het bestuur dus besloten dat ieder zanger een bijdrage zou te betalen krijgen. Vijf frank per maand. Veel was dat heus niet. Je kon in die tijd voor twaalfmaal vijf frank nog wel een etentje krijgen, maar veel lekkere brokken zouden daarbij toch wel niet opgediend worden. Je kon toch ook niet ieder jaar een schaap slachten. En de muziekpartituren dan die moesten gekocht worden en de andere onkosten die zo een vereniging al eens heeft. Neenee, hoe je het dubbeltje ook draaide en keerde, veel kon je met die schamele bijdrage niet uitrichten. Er zou dus ook uit een ander vaatje moeten getapt worden. Dat lag voor de hand. Einde van het jaar I950 organizeerde het koor derhalve een avond met de goochelaar Florimondzo. Een naam die klank had in die tijd. Ook in de koorkas kwam er klank. Vierduizend frank overschot tuimelde erin. Daarmee konden wel een paar eindjes aan elkaar geknoopt worden.
In het jaar I953 zag onze schatbewaarder echter weer ontstellend duidelijk de bodem van zijn geldkoffertje. Andermaal zou ingegrepen moeten worden. We zouden nu echter zelf bonte avonden verzorgen. Hadden we daartoe immers niet de beste wapens in handen die een mens zich maar dromen kan? Zang en muziek en toneel! Welke vereniging had zoveel pijlen op haar boog?

Onze eerste bonte avond ging door op 6 december I953. Een overweldigend sukses! Veel mensen die er niet bij geweest waren wilden het daarna ook wel eens bekijken en daarom werd nog eens opgetreden op I7 januari I954. En nochtans, het was allemaal zo eenvoudig geweest. Wat zang, wat muziek door enkele leden van de fanfare, wat schetsjes, en het boertige toneelstukje "Het Wonderkind “. Veel kunst was er niet aan. Maar het waren mensen van bij ons die optraden voor hun vrienden en kennissen. En dat maakt een enorm verschil. Onderpastoor Myngheer, die de zangers toch niet zo direkt in zijn grote hart droeg, liep dagen daarna nog rond met blauwe plekken op zijn dijen. Zozeer had hij er met zijn machtige handen op gekletst in uitbundige pret.
Er was een zuiver overschot van zevenduizend frank. Zelden werd een gelukkiger schatbewaarder gezien dan juist in die dagen.

Einde I954 zouden we het nog eens wagen. Het ijzer smeden terwijl het nog heet is. Ditmaal traden we op onder het motto: "Bij ons aan de Leieboorden” . Er werd gespeeld op 7 en 2I november. Weer werd het een enorme meevaller. Er viel nu achtduizend frank bij te schrijven in het kasboek.
In het jaar I955 lieten we verstek gaan. We hadden voorlopig onze schaapjes op het droge en waarom ons afsloven om de kas nodeloos te spekken. Nooit zijn we verankerd geweest aan bovenmatig geldbezit. We konden nog altijd zien het volgende jaar.
Het jaar I956 was echter anders dan we ons toen konden voorstellen. Helemaal anders. Zeker, we hadden iets op het getouw staan. We zouden het zangspel "Smidje Smee" brengen. Maar de uitvoering moest verschoven worden. Een zware slag had het koor getroffen. Een slag waaronder het even wankelde.Image and video hosting RSB

Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Groei en bloei van de Sint-Gregorius Zanggilde

Groei en bloei van het Beverse St.-Gregoriuskoor (deel 7)
Bij Pallieter te gast.
Vlaanderen is het land van de jaarlijkse teerfeesten. Uitbarstingen van levensvreugde in de dagelijkse sleur en slenter. En daar Beveren in Vlaanderen ligt..... De Sint-Gregoriusgilde hield haar eerste teerfeest op 23 oktober 1945. Ben je benieuwd waar we die precieze datum vandaan hebben? Uit het eerste kasboek. Robert Meersman heeft het ergens op zijn zolder teruggevonden.

Photobucket

Net negentien man zaten we in "Het Gemeentehuis" aan tafel die keer. Pastoor De Visscher en onderpastoor Liefooghe inbegrepen. Suzanne "uit het Stadhuis" was nog de gastvrouwe toen en de tafel stond opgesteld in de oude vertrouwde gelagzaal. Och, het was geen groots banket. De oorlog was nog maar pas terug in zijn schelp gekropen en alles was schaars. Toch had Jaak Meersman er iets op gevonden om Suzanne's grote vleespot tot aan het randje toe te vullen. Wist hij daar ergens niet een schaap zitten dat hij voor een prikje kon kopen? En is schapebout niet verdomd lekker misschien, als je maar weet hoe hem te bereiden?
En het wàs lekker! We hebben toen schapenvlees met appelspijs gegeten dat je zelfs de dag daarna nog geen putje in onze buik kon duwen. Twee en dertig frank heeft ieder toen voor dat zaakje betaald. Denk eens aan: twee en dertig frank. Wat kun je daar nog voor krijgen de dag van vandaag!
Die avond werd ook beslist dat het koor een bestuur moest hebben. Een echt bestuur zoals de andere treffelijke verenigingen het hadden. Het moest bestaan uit voorzitter, deken, sekretaris en schatbewaarder. Ieder jaar zou het bij geheime stemming herkozen worden. Enkel de schatbewaarder mocht aanblijven tot hij het zelf beu werd. Je kan toch de geldbeurs en de kasboeken niet om de haverklap van de ene hand in de andere gooien, wel? Die eerste verkiezing was een gewichtige aangelegenheid. We voelden ons een beetje als de vaders van een jonge staat, die politieke grondslagen leggen voor het nageslacht. Tuur Kerkhove werd de eerste voorzitter, Robert Vandeplassche de eerste deken, Marcel Vancompernolle de eerste sekretaris en Robert Meersman de schatbewaarder "voor het leven"

En kijk, terwijl we dit schrijven en glimlachen bij de herinnering, komt een oude vriend weer uit de schemering getreden waarin hij sinds jaren verdwenen is. Levend staat hij weer voor ons, Robert Vandeplassche, onze eerste deken.
Een goede kameraad die Robert. Altijd geweest. En een achttienkaraats tenor bovendien. De koster heeft ooit eens gezegd dat Beveren slechts één echte tenor bezat: Robert. En dan zijn vertellen over allerhande zaken. Zijn oude deugdelijke remedies, steeds in beschaafd nederlands gedebiteerd. Zijn vele koddige verhaaltjes. Heeft pastoor De Visscher dat wel ooit begrepen van die gewonde soldaat, die ze wat opgelapt hadden met hetgene voorhanden was en die daarna alle dagen twintig liter melk gaf? Robert had het hem verteld op een souper, tussen soep en aard-appelen. Hij verpinkte niet daarbij en pastoor De Visscher evenmin.

Is er één kerkzanger die twijfelt aan de gave van Robert om Streuvels voor te dragen? Hij kende slechts één stukje van hem, maar hij kende het dan ook grondig. "Op den zolder. Ik was een versnoekte kwajongen in mijn tijd. Geen bomen waren te hoog en geen waters te diep.. .." - Robert staarde verloren in de verte als hij dat deklameerde. Hij zag waarschijnlijk de "oude broeken als dreigende schietbuizen tussen de hanebalken hangen." God, het is alles reeds zolang geleden. En zo brutaal afgebroken! Robert Vandeplassche verongelukte met zijn bromfiets op 18 augustus 1961. Hij was slechts zeven en veertig jaar oud. Rust in vrede, goede kameraad. Zonder jou zou deze geschiedenis niet volledig zijn geweest.
Het nieuwe bestuur nam zijn taak ernstig op. We merkten dit direkt aan de belastingen. Ieder lid van de gilde zou voortaan maandelijks vijf frank te betalen krijgen. We hadden nu immers een schatbewaarder en die mocht toch zijn dagen niet in ledigheid slijten. Die teerfeesten zijn een traditie geworden sindsdien. Ze gingen hoofdzakelijk door in “Het Gemeentehuis”, dat later “Het Fonteintje” werd en een paar keer ook in “De Smis”, waar Marcel Bamelis woonde. Na Suzanne werd Lieske waardin in "Het Gemeentehuis" . We waren er thuis. André Vandermeiren zelf was lid van het zangkoor ten andere en voor ons werd wel eens iets door de vingers gezien wat anders zou misvallen zijn.

Elk jaar moest het oude bestuur de schragetafel op en man voor man moesten ze verantwoording afleggen over hun daden. Onveranderlijk moest hun toespraak eindigen met de woorden" een toernee voor allemaal “.

Ook het nieuwe bestuur moest dan op die tafel. Zij deden uiteen wat ze dachten te verwezenlijken in het komende jaar. Ook hun voordracht werd besloten met het magische" een toernee voor allemaal" Is het dan te verwonderen dat er aan de tapkast duchtig gewerkt moest worden om de glazen tijdig te vullen? En moesten de zangers niet even naarstig werken om ze prompt weer te ledigen?
Het is dan ook voorgevallen dat een bestuurslid van het voorbije jaar niet aanwezig was op het souper. Geen nood echter in dat geval. Hij kwam evengoed op de schragentafel terecht. Roger Decavel was verbluffend handig in het maken van levensgrote voddenpoppen. En prachtig gelijkend bovendien. Robert Vandeplassche is eens in het geval geweest. In een mimimum van tijd had Roger hem gekonterfeit. Levensgroot. Hij had zelfs een boodschappentas met een paar flessen drank aan de slappe arm gehangen. Robert was toentertijde nogal wat op toer voor dat handeltje. Ook het poppenbeeld van Marcel Vancompernolle troonde zo eens op het podium. Marcels vrouw had kort voordien het leven geschonken aan een tweeling en het lag voor de hand dat vader pop twee kleine popjes op schoot kreeg.

Een paar jaar later werd het bestuur nog aangevuld met een “garde" . Diens taak is nooit heel duidelijk geweest. Hoofdzaak was vermoedelijk de pint bier die moest gegeven worden bij verkiezing en troonafstand. Roger Decavel had het voorstel geopperd en prompt werd hij als eerste garde verkozen.
Och, we kunnen niet alles vertellen over die soupers toen. We waren nog jong toen en er was veel geweld bij. Biergeweld vooral. Niet een die zich voor de ander wilde geven. Nee, die oude boeken laten we maar best gesloten. Het nageslacht moet niet van alles het fijne weten.
Maar allengerhand geraakte het uit met die stormachtige bestuursverkiezingen. Je kon duidelijk voelen dat de zangers dagje bij dagje ouder werden. De formule was ook blijkbaar tot op de draad versleten. Tuur Kerkhove werd als vast voorzitter verkozen en de jonge Roland Decaluwé als sekretaris. Deken- en gardetitels verdwenen in het folklore muzeum.

Juist omstreeks die tijd hadden de zangersvrouwen het zover weten te drijven dat ernstig overlegd werd of ze ja dan nee mee mochten komen naar het teerfeest. Sommige zangers waren er voor te vinden, anderen vonden het niet al te best geraden. Namen noemen ware delikaat. Huiselijk gekibbel kan ook na jaren nog oplaaien. Pastoor Deltour werd om raad gevraagd en die velde een Salomonsoordeel. Jullie bevinden je toch goed bij de stand van zaken? Ja ? Waarom zou je dan niet goed laten wat goed is ?  We knikten waarderend bij zoveel wijsheid. Het was echter slechts uitstel. Een paar jaar later werd de vrouwelijke druk zo groot dat het hek van de dam ging. Met vlag en wimpel deden de zangersvrouwen hun intrede op het teerfeest. Het heeft ons echter nooit berouwd. Dat moeten we eerlijk toegeven. Onze vrouwen kunnen nogal wat door de vingers zien als ze er maar zelf bij zijn.Image and video hosting RSB

Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Groei en bloei van de Sint-Gregorius Zanggilde

Groei en bloei van het Beverse St.-Gregoriuskoor (deel 6)
Ach, die noodkerk!
Later hebben we ze herhaaldelijk verwenst, maar toen waren we er wat gelukkig mee. De kleine kloosterzaal en de zielige zondagse missen in de bovenzaal van de Jongensschool, waren we zo beu geworden als koude pap. Vol verwachting zagen we ons eerste optreden in de nieuwe noodkerk tegemoet. Dat zou gebeuren op Kerstdag I947.

2218201-a7502aa9e9cc573204eb4998d77cf57a.jpg

De eerste herhaling op het grote dokzaal werd een teleurstelling. De ijle ruimte van de kerk bracht ons in verwarring. We waren gewend geraakt aan meer beslotenheid. Daardoor wellicht kwam het dat onze stemmen ons schril en vals in de oren klonken. We wenden echter snel en Kerstmis I947 werd een feestelijke dag.

Photobucket

Het is wellicht de moeite waard hier eens wapenschouw te houden en te kijken wie er lid waren van het koor einde I947 . De namen hebben we gevonden in het oude kasboek dat Robert Meersman in die tijd bijhield. Te noteren dat het enkel gaat om de volwassen zangers. Geen kinderstemmen dus. We gebruiken de volgorde van het boek:
Marcel Bamelis, Jozef Stevens, Marcel Vancompernolle, Robert Meersman, Albert Dewinter, André Nolf, Robert Vandeplassche, Michel Debrouwere, Arsène Roobroeck, Antoon Nolf, Gabriel Meersman, Arthur Kerkhove, Lucien Vancraeynest, Albert Pieters, Roger Decavel, Roger Verhamme, André Vandermeiren, Lucien Vereecke, Jaak Meersman, André Ostijn, Roger Ostijn, Germain Coussement.

Wanneer we dit lijstje vergelijken met de namen van I935, dan zien we dat er heel wat verandering gekomen is. In deze groep steekt echter reeds een deel van de harde kern, die het koor twintig jaar lang zou rechthouden en voortstuwen.
In het jaar I95I werden de partituren aangekocht van de vierstemmige "Missa pro Pace" van de "Westvlaamse Hallenaar Remi Ghesquiere. Gemakkelijk was ze niet die mis, maar de toondichter had er zoveel mooie melodieën voor uit zijn mouw geschud en zoveel verleidelijke akkoorden, dat we naar de herhalingen togen als naar een kermis.

Om toch maar eens bij de klanken van een echt orgel te kunnen zingen, lieten we een van de generale repetities doorgaan in de kerk van Nieuwenhove. Een echt orgel daar. Jawel. Maar een klein dokzaal en in erbarmelijke staat. We waren er zo dicht op elkaar gepakt dat dirigent Stevens zo ongeveer op de balustrade gedrumd stond. Gans de tijd van de herhaling hebben we toen ons hart vastgehouden. Zie eens naar Stevens! Hij zou eens moeten vallen in die diepte daar. God toch! Wat moeten we dan aan Anna gaan vertellen! De Semmerzakenaar had blijkbaar reeds voor heter vuren gestaan. Toen de herhaling gedaan was keek hij eens naar beneden en zei dat het hem daar nogal diep toescheen. Stalen zenuwen had die man.

Op het kerstprogramma van het jaar I952 prijkte weer de oude vertrouwde Miasa De Boeck voor één kinderstem en drie mannenstemmen. Och, een mens moet toch oppassen dat hij zich niet verspreekt. Voor veruit het grootste deel der zangers was die mis helemaal niet oud en vertrouwd. Nog slechts een bedroevend klein beetje waren er over van de mannen die ze in I935 gezongen hadden. En met de sopraans was het helemaal te herdoen natuurlijk. Het koor had intussen echter gevoelige versterking gekregen. Lucien Meersman was erbij gekomen en ook Jozef Lagaisse, Joris Uyttenhove, Marcel Himpe, Eric Sabbe, Omer Devooght, Rafael Notebaert en Hubert Ameye. Vooral Jefke Lagaisse en Joris Uyttenhove hebben furore gemaakt. Jefke met zijn lichte buigzame stem die verbijsterende hoogten in kon klimmen en Joris, die jarenlang de eerste stem gedomineerd heeft, zodanig dat zelfs Tuur bij tijd en wijle vol ontzag naar hem opkeek.

Die Joris was zoveel als onze Beverse Luis Mariano. Zong hij immers niet met verbluffend gemak zo ongeveer het hele repertorium van die beroemde vedette? Er zijn tienersterren die nu verafgood worden, maar die op geen stukken na kunnen waartoe onze "lange" Uyttenhove in staat was. Ook Guido Desmet was opnieuw bij het koor komen opduiken en zelfs Fridolin Debaere is nog een tijdje teruggekomen. Lang heeft dat echter niet meer geduurd, want na een paar jaren hebben we ze definitief verloren.

PhotobucketOnze toenmalige pastoor, Jozef De Visscher, was een groot bewonderaar van de Vatikaanse koorleider en komponist Lorenzo Perosi. Door zijn toedoen ten andere hadden we diens tweestemmige "Missa te Deum Laudamus" in ons repertorium opgenomen. In het jaar I954 kochten we ook de partituren aan van de driestemmige Perosi-mis. Het werd een groot sukses. We zongen ze dolgraag en de Beverse parochianen waren er opgetogen over. En hier even een pijltje afschieten misschien. De Sint-Gregoriusgilde heeft altijd zelf haar boontjes moeten doppen. Niet enkel de aankoop van mispartituren had ze te dragen, maar ook de boekjes met gregoriaanse missen heeft ze uit haar kas betaald. Alles moest komen van de maandelijkse vijf frank lidgeld der zangers en van enkele schaarse giften. Hoe dikwijls André Nolf, Jozef Stevens, en na hem Gentiel Callewaert, er hun zak aan gescheurd hebben, zullen we maar God en de molenaar laten scheiden.

Nee nee, de parochie of de kerkfabriek hebben ons nooit erg verwend. Het een moet gezegd gelijk het ander. Daardoor hebben we echter de onafhankelijkheid bewaard waarop we steeds zo trots zijn geweest. En dat is toch ook iets. Anders hebben we niet te klagen gehad over onze parochieherders. Nooit. Pastoor Ernest Lebbe heeft de eerste levensjaren van ons koor meegemaakt. Hij had het gesukkel gekend voor André Nolf koster werd en het verschil bij vroeger zal hij wel opgemerkt hebben. Lebbeke waardeerde ons.

Pastoor Lebbe stierf in 1936 en Jozef De Visscher kwam naar Beveren om zijn werk voort te zetten. Eén brok muziek was die Oostendenaar. Als hij de prefatie inzette, was het alsof ergens een orgel aan het spelen ging. Hij werd een trouw supporter van ons koor en toch hebben we hem slechts op het einde van zijn leven tenvolle gewaardeerd. Hij was ietwat koel. Van op afstand. Zo een beetje de man uit de stad. En dat zit Bevernaars altijd dwars. Toen was het nog gewoonte dat de koorleden gingen nieuwjaren op de pastorij. Bij pastoor De Visscher groeide dit altijd uit tot een zangavond of een les in de muziekgeschiedenis. Zelf ging hij dan aan de piano zitten en legde uit hoe mooi dit was of hoe dàt gezongen moest worden. Soms stak zijn zuster hem een handje toe. Ze had een stem als een nachtegaal, alhoewel ze reeds een dagje ouder werd. We lieten er onze warme wijnpunch bij koud worden.

PhotobucketToen Jozef De Visscher zijn grote reis naar de Eeuwigheid had aangevangen, kregen we pastoor Deltour om ons op het goede pad te houden.
Dat was begin 1954.
Al dadelijk hadden we in de gaten dat Ernest Deltour en muziek twee gans verschillende zaken waren.
Dit heeft hem echter nooit belet een begrijpend vriend te zijn voor de zangers.
De zachte nieuwjaarspunch liet hij alvast achterwege en onthaalde ons op hartige mannendrank. Op een paar flessen wijn kwam het niet aan bij hem en de merken en jaartallen mochten best gezien worden.Image and video hosting RSB

Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Groei en bloei van de Sint-Gregorius Zanggilde

Groei en bloei van het Beverse St.-Gregoriuskoor (deel 5)
Tijdens de oorlogsjaren
Als een orkaan kwam de oorlog over ons land geraasd. De uitzonderlijk stralende meimaand van het jaar 1940 werd stukgereten door motorengeronk, het gehuil van neerstortende bommen en het vuren uit vele kanonnen. Op de steenweg trokken vluchtelingen voorbij in eindeloze drommen. Waarheen? Ze wisten het niet. In radeloze angst wilden ze zich in veiligheid brengen voor een vijand die ze uit vroegere gruwelverhalen kenden. Nog geen veertien dagen nadat de Duitsers België binnengerukt waren, stonden hun voorposten reeds op een paar kilometer van de Leie. Aan de overzijde van de rivier groeven onze soldaten zich in. Ze hadden opdracht gekregen kost wat kost een paar dagen stand te houden om de Engelsen te redden.

Onze oude kerk troonde hoog boven de Leievlakte uit. Van op haar dak en haar toren had je een onbelemmerd zicht, kilometer ver. De Belgische staf had dit natuurlijk in de gaten en gaf bevel er met een paar kisten springstof kort spel mee te maken. Zo gebeurde. Toen de ontploffing was verklonken en de meterhoge stofwolk weggetrokken, bleef slechts een enorme hoop puin achter. Het was de drie en twintigste mei 1940. Tien uur ongeveer in de voormiddag

2217894-d2452009dda0dc0a50ad5cacec9b9ebb.jpg

Toen de koster en de volwassen zangers uit de oorlog thuiskwamen, viel er niets meer te doen. Geen orgel. Geen dokzaal. Geen kerk. Niets. Het is dan een poosje zeer stil geweest. De mensen waren als versuft. In allerijl werd de kloosterzaal ingericht als noodkerk en ook op de bovenzaal van de Jongensschool werden 's zondags een paar missen gezongen. De koster moest zijn mistroostigheid zien uit te spelen op een zielig harmonium, dat kreunde alsof het alle lasten van de oorlog op zijn blaasbalg voelde drukken. Verder dan een gewone Gregoriaanse mis kwam men voorlopig niet.

Jonge mensen genezen echter gemakkelijk van een kwade slag. En de zangers waren nog jong toen. Zelfs Tuur Kerkhove, de huidige ouderdomsdeken, was dan nog ergens vooraan in de dertig. Mocht men bij de pakken gaan zitten? Mocht men toelaten dat al het geleerde zou ineenschrompelen tot er helemaal niets meer van overbleef? Neen! Duizendmaal neen! Zover zouden ze het Sint-Gregoriuskoor niet krijgen. De kerk mocht dan al in puin liggen en het orgel aan diggelen, de zangers hadden hun stem toch nog!

2217894-732e3fabc4aead46377b296c78ed1335.jpg
Inzet: bemerk de twee beelden van Maria en Sint-Jan die ongeschonden uit het kerkje kwamen

En het koor herrees
Het was een schamel gedoe aanvankelijk helemaal niet te vergelijken met de luister van vroeger. Maar wat wil je ! Er was niet zoveel ruimte daar achterin die kloosterzaal en zingen midden het volk valt ook al niet mee. Ze zitten je te begapen tot je er de kluts bij kwijtraakt.
Hoe pover het echter was, het was toch beter dan helemaal niets. De Missa Quarta van Moortgat werd daar gezongen en ook de Sursum Corda van De Hovre. Tweestemmige missen. Verder kwam men niet. Geen ruimte.

Het kon niet blijven duren zo. Dat lag voor de hand. Jozef Stevens was er de man niet naar om bij de pakken te blijven zitten. Niet mogelijk zwaardere missen te zingen omdat er geen dokzaal is ? Kom nou! Waar geen dokzaal is kan er misschien een gebouwd worden? Wat zeg jij ervan Tuur? Tuur zei niet zoveel. Hij keek en mat met zijn ogen de breedte en hoogte van de kloosterzaal. Een dokzaal? Ja, dat kon! Wat ferme houten stutten en een vracht planken. Het was te doen.

Dat dokzaal kwam er in het jaar 1942. Stutten en planken kwamen van een Duitse soldatenbarak die in de buurt van de Klokke had gestaan. Het is Tuurs glansstuk geweest. Dat hij handig was wisten we reeds. Maar zoiets? Nee! Dat had geen mens kunnen denken. Dagenlang is hij eraan bezig geweest met Guido Desmet en een paar andere zangers. Een stevig geraamte werd opgetimmerd, planken werden gelegd en een balustrade aangebracht. Nu nog een trap in de verste hoek van de zaal en het dokzaal was klaar.

Och, het was heus geen reuzenstuk. Daarvoor was de beschikbare ruimte te klein. Maar dertig zangers kon je er gerust op herbergen en was dit niet voldoende? Geen gevaar ook dat er ongelukken zouden gebeuren. Hout kan stevig zijn als je het maar zwaar genoeg hebt. Op dat dokzaal hebben we gelukkige dagen gesleten. Tijd om zangherhalingen te houden was er genoeg. De oorlog duurde immers voort en behalve bollen en kaarten kon je niet veel anders doen dan zingen om je zinnen te scherpen.
De uitvoeringen op Kerstmis bleven het hoogtepunt. Veel zang en muziek op het dokzaal en feestelijk licht omheen het altaar. Laat het dan buiten maar triestig en donker zijn. Eens heeft mijnheer Liefooghe zo de boel bijna in het honderd laten lopen. Mijnheer Liefooghe was een man die niet met één lamp genoegen nam als er twee konden branden.Op een kerstnacht had hij het met zijn feestverlichting zo bont gemaakt dat de elektrische leiding het vertikte nog verder mee te werken. Midden in een jubelend Gloria tuimelde de zaal plots in een afgrond van duisternis. Daar zaten we dan. Geen partituur meer te zien en geen dirigent. Hoe wil je dan verder zingen? Van paniek geen sprake echter. Aan het einde van de muzikale zin hielden we ermee op. Allen tegelijk. De zang knapte af als een te strak gespannen touw.

Sedertdien houden we echter ons hart vast als we zien dat ze op het "hoogkoor" al te weelderig met de lichten omspringen. Hebben we geen gelijk soms?
Hoe lang een oorlog ook aansleept, toch komt er altijd nog ééns een einde aan. De voorboden van het einde in 1944 waren de Engelse en Amerikaanse jachtvliegtuigen, die dag en nacht in de lucht hingen om alles te bestoken dat er maar enigszins militair uitzag.

We waren aan het herhalen in 's kosters huis voor de kermisuitvoering van dat jaar, toen we plots onderbroken werden door gierend motorengehuil en harde mitrailleurstoten. De Engelse "dubbelstaarten" hingen weer eens boven en klommen en daalden in de lucht als stoeiende zwaluwen. De koster klapte zijn boek dicht en schudde het hoofd. Had het wel zin nog iets te leren voor de kermis? Hij bezag ons vragend. Engelsen en Amerikanen waren doorgebroken in Normandië en sneden door de Franse vlakten als door weke boter. Zou elk geen werk genoeg hebben om voor zijn eigen te zorgen tijdens de kermisdagen? Konden we die kooruitvoering niet beter vergeten?
De koster kreeg gelijk. Het werd een rumoerige kermis. Niemand die de gebruikelijke zanguitvoering miste. De eerstvolgende keer dat de zangers elkaar op een herhaling terugvonden, hadden de Duitsers voorgoed hun biezen gepakt.Image and video hosting RSB

Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Groei en bloei van de Sint-Gregorius Zanggilde

Groei en bloei van het Beverse St.-Gregoriuskoor (deel 4)
Ontwikkeling tot aan de WOI
Als een mens zo in zijn eentje zit te dubben, dan stelt hij zich soms vragen die hij nooit zal kunnen beantwoorden. Ware het niet geweest van dit, of ware het niet geweest van dat, hoe zou alles dan verlopen zijn? Nutteloze vragen eigenlijk. Omdat ze geen zin hebben. Omdat alles nu eenmaal verliep zoals het verlopen is.

Photobucket

Zo zou je kunnen vragen of het koor erg lang zou bestaan hebben, ware daar niet Jozef Stevens gekomen, die energieke man uit Semmerzake. Nooit zullen we dit kunnen beantwoorden, maar wel mogen we zeggen dat het koor zonder hem nooit zulke hoge vlucht zou genomen hebben. Kijk maar eens wie je in die tijd naast de koster kon plaatsen. En voor de leiding van een koor als het onze moeten ze toch met twee zijn. Een die het orgel bespeelt en een die dirigeert. De man die het dirigeerstokje in handen krijgt moet bovendien nog van wanten weten en van geen klein gerucht vervaard zijn. Zo iemand was Jozef Stevens. Een magere nerveuze man. Iemand die aangetrokken werd door het moeilijkste en die slechts tevreden was als hij het hoogst bereikbare onder de knie had. In maart van het jaar 1931 kwam hij hier toe als onderwijzer aan de jongensschool.

Nadat hij wat onwennig door het dorp had rondgedwaald, maakte hij kennis met koster André Nolf, en dat was het begin van een samenwerking waar slechts zijn dood, vijf en twintig jaar later, een punt zou achter zetten. De jonge Semmerzakenaar had de muziek in het bloed zitten. Reeds in 1932 drilde hij een knapenkoortje, om als verrassing de tweestemmige mis" In Honorem Beatae Mariae Virginis" van Verhelst uit te voeren bij het huwelijk van 's kosters zuster Rachel met René Coussens. Veertig jaar geleden is dit reeds. Als een mens daaraan denkt!

Het is natuurlijk onbegonnen werk uit onze memorie de namen te willen opdiepen van alle makkers die ons in dit koortje gezelschap hielden. Jaak en Gabriel Neersman waren er bij en ook Julien Decavel, Gerard Buyse, Lucien Vancraeynest, Marcel Depaepe, Robert Devroe, André Vandermeiren, Marcel Verhamme en Albert Deroose. Maar verder? Hierop moeten we het antwoord schuldig blijven. Dit knapenkoortje was het eerste. Vele generaties scholieren hebben het daarna nog bevolkt. Meester Stevens wilde immers mordikus kinderstemmen hebben bij het koor. Toen was dat nog doenlijk. Zo ongeveer iedereen bleef op de Gemeenteschool tot zijn veertien jaar.

Nu liggen de kaarten echter helemaal anders. De eerste veelstemmige missen. De Sursum Corda van De Hovre werd dus eenstemmig gezongen en de tweestemmige Missa Quarta van Moortgat kwam op het kerstprogramma van het jaar 1931 en 1932 . Meester Stevens, die inmiddels dirigent geworden was, mikte echter hoger. Hij is altijd van oordeel geweest dat de mensen meer mogelijkheden hebben dan ze zelf willen geweten hebben. In het jaar 1933 werd de driestemmige "Missa Magdalena" van Wiltberger ingeoefend. Twee mannenstemmen en één voor sopraans. Het was een moeilijk stuk, maar wondermooi. De opgetogen luisterende Bevernaars kregen het voor de eerste keer te horen op Kerstmis van dat jaar. Sindsdien is die mis van Wiltberger zowat tot het repertorium van het koor blijven behoren Ze werd ook gezongen in 1934 en 1936 en loopt thans nog, zij het met vrouwensopraans. Sommige zangers hebben ooit nog de drie stemmen gezongen. Ze zijn begonnen als sopraan, ontpopten zich in hun vroege mannenjaren als tenor, en zijn daarna naar de lage bas regionen afgezakt.
De driestemmige mis van Wiltberger is de springplank geweest naar de vierstemmige mis van August De Boeck. Zowat het moeilijkste wat we ooit geleerd hebben.

Photobucket

Koster André Nolf en dirigent Jozef Stevens moeten ontzettend veel geduld gehad hebben toen met al hun entoeziaste maar ongeschoolde discipelen.

Voor ons gold luid kelen als het hoogst bereikbare in de zangkunst. Iemand die kon zingen dat de ramen daverden, was een kraan in onze ogen. We begrepen dan ook niet te best wat meester Stevens eigenlijk wilde, als hij met een wanhopig sussend gebaar zijn armen de hoogte in stak, om ons van een barbaarse aanval op een hoge noot te weerhouden.

André Holvoet was onze koor-orgelist in die dagen. Een knappe vent, die Holvoet. Hij was een elektro-technicus, die toendertijde in Beveren woonde, maar daarnaast kon hij heel behoorlijk met een orgel omspringen.
Koster André Nolf stapte bereidwillig van zijn krukje af voor hem en ging dan zelf bij een of andere stem een stevig handje toesteken.

De mis van August De Boeck werd ondermeer uitgevoerd op Pinksteren van het jaar 1935 en bij de De Bo-feesten van datzelfde jaar.

Na de hoogmis op Pinksteren werd een foto van het voltallige koor genomen in pastoor Lebbe's tuin. Een dokument eigenlijk die foto.
Hij ligt hier voor ons.

2217697-7241deb284f4922da912c014f8554014.jpg

Pastoorke Lebbe en onderpastoor Liefooghe tronen in het midden van de groep. Daarnaast zitten koster André Nolf, dirigent Jozef Stevens en orgelist André Holvoet. Bij de sopraans vinden we opgesteld: Marcel Opsomer, Marcel Vancompernolle, Floris Pauwels, Roger Ghistelinck, Antoon Ducatteeuw, Germain Coussement, Gerard Degroote Lucien Vancraeynest, Leon Decavel, Gerard Buyse, Marcel Depaepe, Julien Decavel, Marcel Verhamme, Albert Deroose, Michel Debrouwere. Bij de mannen: Albert Vandermeiren, Florent Haerinck, Juul Duhou, Rafael Decavel, Julien Vancraeynest, Georges Defoort, Albert Dewinter, Antoon Nolf, André Vandorpe, John Siaup Maurice Vercaemt, Maurice Samyn, Guido Desmet, Arthur Kerkhove, Fridolin Debaere, Marcel Coussement, Albert Defoort en Antoon Follet.

Photobucket

Het koor had dus in die paar jaren een geweldige uitbreiding genomen. Nodig was het ook wel voor een mis als die van De Boeek. Er was nog geen man teveel.

Zeven en dertig jaar zijn de eeuwigheid ingewenteld sinds die foto genomen werd. Zeven en dertig jaar. En die hebben hun sporen nagelaten.
Wanneer we het bovenstaande lijstje nog eens aandachtig doornemen en het vergelijken met de huidige koorbezetting, dan zien we dat slechts volgende namen zijn overgebleven: André Nolf, Arthur Kerkhove en Lucien Vancraeynest.

Bitter weinig is dat, zou je zo denken, bitter weinig!
Slechts drie die standgehouden hebben. De anderen werden uitgeschakeld door gebrek aan tijd, ziekte, uitwijking, en ... dood.
Hadden we geen gelijk toen we zegden dat die foto uit het jaar 1935 een dokument geworden is ?
(Foto's uit Onder De Clocke)Image and video hosting RSB

Geschreven door Beverse Weetjes om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Beveren-Leie Beverse Weetjes

↑ Terug naar de berichten