hartenkreet
het is maar wat je er mee doet of mee deed!
OPRAKELEN
Het verleden mag
dikwijls opnieuw bekeken
en beschouwd worden,
want dat is een geleerde
wegwijzer voor de toekomst.
hartenkreetHet verleden mag
dikwijls opnieuw bekeken
en beschouwd worden,
want dat is een geleerde
wegwijzer voor de toekomst.
najaar
III
'k Geniet met dankbaarheid de zachte dagen
En de geleidelijke gang der weken,
Waarin geen stoot de teed're rust komt breken,
Geen winterleed de najaarsstilte plagen.
'k Hoor nòg in 't hout der woudduif innig klagen,
En dool gelukkig langs de bocht'ge beken,
En in mijzelve loop ik zacht te spreken
Bij schoon herdenkens weeld'rig welbehagen.
'k Doorleef het alles weer, de stille weg,
Omgroeid met wazig-blauwe slee, de heg,
Waardoor zich 't rood gestip van vruchtjes wond;
Ik treed weer in gedachten langs de grond,
Waar stapklank zich in 't fulpig gras verloor,
Doorgroefd van 't diepe, zwarte wagenspoor.

najaar
II
De meeuwen scheren langs 't verlaten strand,
Hun witte buikjes glimmen even op,
En nederwaarts gestrekt met spitse kop,
Zo laten zij zich vallen op het zand.
De najaarsstilte ligt al over 't land,
Het bos vergoot zijn loof, als drop na drop
Van bloedend blad vervloot, wijl groene knop
Zich zwellend zette aan ronde takkenrand.
De zee is eenzaam, slechts een vage schim
Van zeilend schip staat tegen lichte kim,
En gaat, nauw-merkbaar glijdend, zacht vooruit.
De zee lacht zilvergrijs getint,
Met zoet bekoren van een spelend kind,
Zacht boezemdeinend als een blanke bruid.
Tonen en tinten

uchtend
De mist, uit zilverpeerlen als geweven,
laat in de rozige uchtendschemering,
de helling langs der grauwe heuvelkling,
zijn golvend waas naar 't Westen toe verzweven.
Ter kimme heeft, uit donzen wemeling,
een rozewolk heur gouden wiek geheven.
Door 't dorre hout, waarin de druplen beven,
schiet de eerste schicht zijn schelle schittering.
En sidrend beuren slanke populieren
zich op uit kille dauw, die langs de vliet
in flarden zijn sluier af laat slieren.
Geen leeuwrik orgelt er een morgenlied;
op loden vleuglen schijnt de stilt te hangen;
slechts in de verte ruist de zee haar zangen...

najaar
I
De zon bestraalt het rosse beukengoud,
Dat in het water glanst met felle pracht,
En beukenstammen in licht-grijze dracht
Verheffen schitt'rende armen boven 't woud.
Zie hoe de wolkeloze hemel blauwt,
En door 't verwelkend takkenweefsel lacht,
En zomerdromen weer to brengen tracht,
Beloften, o hoe gaarne nog vertrouwd!
Maar 't vreemd geheimvol-stille van den tijd,
Der voog'len zwijgen en de diepe rust,
Die als een angst beklemmend alles sust,
Doen voelen dat een macht'ge wordt verbeid,
Die langzaam nadert, en de vlammendos
Verniet'gen zal van 't nu nog pralend bos.
Tonen en tinten

eenheid
Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939
Hoe helderder licht, hoe duisterder.
Hoe duisterder hoe meer sterren.
Hoe meer sterren hoe groter heelal.
Hoe groter heelal, hoe leger.
Hoe leger, hoe stiller.
Hoe stiller, hoe nader het midden.
Hoe nader het midden, hoe meer leven.
Hoe meer leven, hoe sterker hart.
Hoe sterker hart, hoe aardser.
Hoe aardser, hoe verder van het midden.
Hoe verder van het midden hoe duisterder.
Hoe duisterder, hoe dichter bij de zon.
Donker en licht, aarde en hemel is één.
Ruischende bamboe (1937)

morgenroep
Ik bid U, vriend, maak mij niet wakker,
Wanneer gij vroeg, in lentetijd,
Met snelle tred voorbij mijn akker,
en juublend langs mijn drempel schrijdt.
Mijn van de arbeid bloed'ge handen
Hebben dit hechte huis gebouwd,
Ook deze groene korenlanden
Zijn mijne tot waar de einder blauwt.
Ik ben ze moe die verre tochten,
Slechts met ons hart als reisgezel,
Waar waaiend stof bleek wat wij zochten,
En ieder welkom een vaarwel.
Ik bid U dus, mijn jonge makker,
Stap zacht en demp Uw vreugdgeschal,
Want róept Uw lokkend lied mij wakker,
Ik vrees, dat ik U volgen zal.

rozen
‘Zij zijn voor sterven en vergaan geboren,’
zo dacht ik vluchtig toen ik bij de rozen was.
Maar schrok, en hoorde dreunen in mijn oren:
wat is u zelve, ijdel mens, beschoren,
zo kort als gij hier wandelt bij de rozen op het gras?
Tuin van Eros (1932)

hartenkreet

de herfst
De herfst talmt nog tussen de blauwe lande' en
buigt over ze met zegenende groet,
als warmte hangt lang over avondstranden
of vreugde nazingt in een klaar gemoed.
Zijn heldre, toch gedempte zegeningen,
doordrenken het hart met zó zoete kracht,
dat het de last der allerzwaarste dingen
voelt slinken tot veerlichte vracht.
De ziel, bevrijd van angsten, rekt haar leden:
zij ademt lichter, immers zij vertrouwt:
zij buigt zich heen over haar eigen vrede
als naar een hemel, die inwendig blauwt.

kind
Zij kwam een poos en zag met open oog
De wereld aan.
Toen is zij heengegaan.
Wij wisten nooit wat haar het meest bewoog.
Soms is het of een kind
Verdwaald is naar het leven.
Het gaat alsof het zich bezint,
En denkt: waar is mijn vroegre huis gebleven?
Wie weet of ik het straks niet vind.
Soms schijnt het bij zijn komst alreeds volgroeid.
Gelijk een zoete vrucht.
Beweegt het schomlend door de voorjaarslucht.
De huid is warm, die een rijp bloed doorvloeit.
Het sterft, zo weinig nog vermoeid?
Maar 't raadsel dat het in zich sloot
Was de nabije dood.
Gevallen in de chaos als een vonk,
Heeft haar gestalte ons kort bekoord.
Een vonk - die weer verslonk.
Nu tasten wij naar verf en woord
En voeden onze herinnering
Met een gedicht of tekening.
De Getilde Last (1929)

roosje
Het Graf sprak eens het Roosje aan:
- Wat moet er met de dauw gedaan,
Waarvan uw blaadjes blinken? -
- En gij, hernam het Roosje toen,
Wat wilt gij met de doden doen,
Die in uw diepte zinken? -
Het Roosje zei: - Ik zal te nacht
De dauw, die mij de morgen bracht,
Tot honigdruppels menglen! -
- En ik, lief Roosje! zei het Graf,
De doden, die de Heer mij gaf,
Verander ik in Englen. —
De dichtwerken (1872)

online shoppenOnline shoppen
De mens heeft geen tijd!
Of wordt gemakzuchtig
en gaat online shoppen
Maar ze vergeten dat de buren
De pakjes aan moeten pakken
Een vrachtvervoerder komt aan de deur
En zo’n man stel je dan niet teleur
Je neemt het pakje aan
Maar jij moet steeds naar de deur gaan
Want er wordt een briefje afgegeven
En zo komen de buren hun pakje bij je afhalen
In het andere geval moet je het brengen
Is dat erg?
Voor een keertje niet
Maar tenslotte ben je geen leverancier van pakjes
En laten al deze mensen voor hun eigen zaken zorgen
Wil je online shoppen
Dan moet je wel met werken stoppen
Zodat je overdag thuis bent
Ja, ik haat al deze zogenaamde naastenliefde
Want je wordt zo tot slaaf gemaakt van je buren
Ja, dat gaat wel wat de ver
U bent heus mijn slaaf niet
Maar indirect word je dit dus wel
De mens vermaakt zich op internet wel
Alle technologie
Zorgt voor allerlei waandenkbeelden
Het normale leven is geheel in de war
En bij menige internetgebruiker vliegt alles naar z’n knar
Want je ziet zoveel
En je denkt dat is makkelijk
Dat wat ik heb gezien wordt mijn deel
Maar de buren zien scheel van de man achter de te bezorgen pakjes
Omdat de mensen houden van hun internet gemakjes!
De bezorger sprak van de week
Zo zijn gedachten erover uit
Hij moest soms wel tien keer ergens bellen
Om de pakjes af te kunnen geven
Want er was een hele straat niet thuis
Ik zou ze allemaal terugsturen
En menigeen moet dan maar zien
Maar dat ging natuurlijk niet lukken
Want hij is het depot
En de pakjes komen uit heel Nederland
Meneer vroeg of ik het vrachtbriefje wilde ondetekenen
Ja zei ik, maar wat heeft dat voor mij te betekenen
Nou, dat u het van mij hebt aangepakt
Anders als het zoek raakt wordt ik gepakt
Ja, dan doe je het maar voor een keer
Maar dit was nu echt de laatste keer
Ook al is het een aardige buur
En je kunt per ongeluk wel eens op pad zijn
Maar voor de rest ophouden met die rotgein!
avondwandeling
Wij hebben ons vandaag verlaat!
Pas bij de laatste brug
Waar 't voetpad tussen 't gras vergaat,
Daar keerden wij terug.
Achter ons dekt de witte damp
De schemerende landen.
Zó zijn wij thuis. Wij zien de lamp
In loveren warande ...
Wat gingen wij vanavond ver,
Het werd alleen tè laat:
Nog verder dan de gouden ster
Aan blauwe hemelstraat!
Zo saam doen twee een korte poos
Over een wijd gebied! ...
Nog liggen wegen eindeloos
Voor morgen in 't verschiet! ...
O konden we eens zo samen staan
Aan de allerlaatste brug,
En saam en blij er overgaan -
Wij kwamen nooit terug!
Vergeten liedjes (1909)

volkren
Volkren-broederbond bevrij
't Mensdom van zijn schande.
Volkren wensen de' oorlog niet
Laat uw Wil beslechten!
Wraak- en roemzucht dreige of vlei' -
Voert de duivel Heerschappij
Als 't hem faalt aan Knechten?
Herfstmaand 1914.
TIJDVERZEN TEGEN DEN OORLOG

ach
Ach waar ik ga en wat ik leve,
En wat ik schrei en wat ik lijd —
ik ben datzelfde kind gebleven
Van vroeger tijd!
Ach ik ken ál diezelfde zonden,
Ach ik lijd ál diezelfde smart —
Diezelfde 'andre kindren' wonden
Mijn kinderhart!
Ach 'k kom die tijd niet meer te boven,
Hoe ik ook doe en wat ik wens —
Ik moet toch altijd weer geloven
In een 'groot mens'!
Ach 'k ben niet voor 'groot mens' geboren,
Ik leef en lijd als in die jeugd —
Ik heb maar één lief ding verloren —
Die kindervreugd!
O! laat mij dan nog 't leven wanen
Zo mooi als 'k toen het leven zag —
En laat mij met die kindertranen
Die kinderlach!
Eenzame liedjes (1906)

vleeshouwer
Onbedacht, Slaat geen acht.
Het Beest treedt in zijn makkers bloed
En weet van schrikken noch van mijden,
Gelijk het onbedacht gemoed;
Al sterft zijn naasten aan zijn zijde,
En dat hij ziet een kwade vrucht,
Noch geeft hij zich niet op de vlucht.

baden
Avondzang aan de rede van Texel
Op! Texelbewoner!
Geen avond ooit schoner;
't Loopt alles ons mee.
Op! jeugdige knapen!
De zon wil gaan slapen;
Kom! baadt u in zee!
Het westelijk luchtje
Doorgolft met een zuchtje
Mijn flodderend haar.
Twee zeeën begroeten
Mijn kletsende voeten;
Ze omarmen elkaar.
Zie 't Noorderzout blinken!
De zon gaat er zinken,
Zie ginds in het Oost
De Zuiderzee dartlen,
De Maan haar ontspartlen;
Zij beeft, en zij bloost.
Rondom zich die glansen
Op zee te zien dansen,
Hoe lacht dit ons aan!
Wat vreugd! onbeladen
In zee zich te baden
Met zon en met Maan!

de dood
Gelijk een man, die van verlangen gloeit,
om bij zijn vriend te zijn,
Die op het land, aan de andre zij des meirs,
zijn stille woonplaats heeft;
op ‘t zien der zee, die hevig bruist en woedt,
Een koude sidd’ring voelt;
zijn angstig oog ziet starend op het schip,
dat sling’rend rijst en daalt;
De stormwind giert en snort door ‘t hoge tuig
en beukt het dond’rend zeil;
De stuurman wenkt – de man verwint zijn schrik,
Hij denkt aan zijne vriend,
en stapt gerust in ‘t worstelende schip,
En steekt naar de and’re zij!
Zo zal ik ook, wanneer de koude hand
des doods, mijn boezem drukt,
een lichte schrik gevoelen in mijn ziel
doch, die verdwijnen zal,
In Jezus onze vriend.
Werken van J. Bellamy (1917)

O
0 ! Ik denk zo innig aan je,
ik verlang zo innig naar je !...
Zeg, voel je 't niet komen,
van verre niet komen
als geuren van bloemen naar je?
Mijn ziel staat open voor je,
mijn armen gaan open voor je...
Zeg, voel je 't niet branden,
niet tintelend branden,
zengezacht op je handen,
op je schouder, je lippen, je tanden,
op je boezem, op alles van je ?
Zeg, hoor je 't niet gaan door de nacht,
aanbruisen tot je door de nacht,
niet gaan door de slapende landen
als 'n warlwind, die opjaagt de tanden,
nu als een juichlied en straks als een klacht?
0! De nacht is zo vol van je...,
heel de wereld is vol van je !...
0 ! Kon nu mijn hart tot je gaan
of ophouden van te slaan...
Zomervlammen (1922)
