mensen

Mensen begin en einde
Wij eindigen zoals wij zijn begonnen:
Kaal en onmondig en sentimenteel.
Alles wat leeft keert weer naar de oude bronnen
Van 't paradijs. En dan? Ach, weet ik veel.

mensen
Wij eindigen zoals wij zijn begonnen:
Kaal en onmondig en sentimenteel.
Alles wat leeft keert weer naar de oude bronnen
Van 't paradijs. En dan? Ach, weet ik veel.

komieken
Het pond is een gewicht
Het heeft ook een gezicht
Het is geen zwaargewicht
Daarvoor is het te licht
Maar met een pond kan de
weegschaal al doorslaan
Naar een hoger gewicht
En dan weegt de mens zich nog een keer
Ja, elk pond doet soms zeer
Je wil er vanaf
Soms is het een hard gelach
Maar ineens weeg je niets meer
Niets is meer doorslaggevend
Je bent gestopt met ademhalen
En je vertelt nooit meer je verhalen
Zoals twee mensen die leut maakten
Alles is vergane glorie!
De herinnering zal wel blijven
Maar ook dat gaat in de toekomst verstijven
Alles verliest zo zijn glans
Wat dan is de volgende generatie die danst
Of wat het ook mag zijn op het toneel
Je hebt je leuk vermaakt
Maar als er niets meer was dat het hart
echt heeft geraakt
Dan ben je gestorven kaal en naakt
En behoor je bij de doden
Ja, je kunt ook opgaan in het verafgoden
Het verafgoden van mensen
Die plezier maakte om dat het publiek dat wenste
En toch was er ook wel altijd humor in gelegd
Maar het is goed als je het verder naast je neer legt
Je moet er niet mee of van willen leven
Want clowns zijn er maar even!
En dat waren die twee mannen toch
Verder waren het net twee kleine kinderen
Die ook andere mensen konden hinderen
Met hun levensdoel
Ja, en nu is dit ook weer voorbij
Straks zien we weer de volgende rij
Het gewicht komt en het gewicht gaat
Maar het gaat er om heb ik me ook Jezus vermaakt
Want als het leven staakt
Dan is Hij de mantel die je naaktheid bedekt
Het was Zijn dood die je dan tot zegen strekt!
Jezus leven van mijn leven
Jezus dood van mijn dood
Dat is wat mij brengt in
Vaders schoot!
maar...
Maar in Vlaanderen ben ik geboren, waar de nevelen domen,
In een klein dorp, waar achter de beteerde muren,
Onder stormende luchten, geladen met as van de rokende vuren,
Nog arme, maar koppige varenslui wonen.
Mijn jeugd heeft ze gekend, helaas maar al te goed:
De donkere moerassen, de sombere bossen en naakte velden,
Grijze november die slierten van regen komt melden,
Zwart-ebben dageraden en avonden van roet.
Aldoor woelde in mijn geest de geweldige Schelde!
Hoe was ik gelukkig en blij, en toch vol vrees die mij kwelde
Bij winter, wanneer de sterren glinsterden in de schollen,
Krakende bergen die naar onheilszeeën rollen.
De masten die des zomers van de verre einders naderen
En aan wier toppen kleurige wimpels waaien,
Zij trilden minder als het kloppen in mijn aderen,
Een brand, die voor de strijd of voor mijn lot weer op wil laaien.
De zwervende nevels en het wolkengeweld
Hielden mij sterk in hun grepen gekneld,
En mijn ganse wezen is zich zó gaan ontvouwen
Dat ik vurig mocht leven bij hun drukte en hun grauwen.
O gouden landen met uw stralende luister,
Mogen uw bossen, uw dalen, uw vlakten en stranden
Nog mijn dromen bekoren, mijn zinnen ontbranden…
Naar mijn liefde voor Vlaanderen heeft mijn hart steeds
Geluisterd.
Vertaling van: Les Plaines (1911)

tochten
En verre tochten gaan en zullen gaan...
En schepen varen heen en zullen varen...
En ogen staren na en zullen staren...
't Slaat wild, mijn harte, en wilder zal het slaan!...
Geen woud, doorkruist van wegel, baan en laan,
- een oerwoud!... Ach! een droom, die op kan klaren,
en is geen droom; vervulde wensen baren
steeds nieuwe wens, en 't kan niet stille staan,
mijn hart, en 't gaat en gaat van in der eeuwen,
en bouwt en bonst en breekt en bouwt, en tart
al wat gewoonte en wisheid tegenschreeuwen.
zoekt smart en vreugde en dan weer vreugde in smart,
- week kinderhart, ontembaar hart der leeuwen,
mijn mensenhart, - o mensdom in mijn hart!...
1892
Verzen (1918)

kerkhof
Zo daar ooit een blomke groeide
over ‘t graf waarin gij ligt,
of het nog zo schone bloeide:
zuiver als het zonnelicht,
blank gelijk een lelie blank is,
vonklende als een rozenhert,
needrig als de needre ranke is
van de winde daar m' op terdt,
riekend, vol van honing, ende
geren van de bie bezocht,
nog en waar ‘t, voor die u kende,
geen dat u gelijken mocht!
------------------------------------------------
daar m' op terdt: waarop men trapt
geren: graag
Kerkhofblommen (1858)

pelgrim
Al was het maar een koele Dronk
Van water, uit oprechter harten,
Waar gij eens pelgrims dorstig smarten,
Om Jezus' wille mee beschonk,
Gij zult uw loon dan niet verliezen,
O, vriendelijk en hemels woord,
Van zulk een ware mond gehoord,
Wij willen u tot Heer verkiezen.
Een kleine dienst en grote loon;
Voor water, wijnen, nooit volprezen,
En heilig Bloed, van hemels wezen,
Der klare Liefde. Och! hoe schoon!
Ach Jezus! Welbron aller vreugde,
Fontein van alle goed en zoet,
Ontsluit en open in 't gemoed
Den Bron der aangename deugden.
Dorst gij, naar onze broederplicht,
Van trouwe liefde te betonen,
En wilt een waterdronk belonen,
Met zegen van een groot gewicht,
Wy dorsten ook naar uw genade,
Als naar een levende fontein
Van heilig water, hemels rein ,
Waar 't zielenvuur zich wil verzaden.
Uw zoetheid werkt in ons een dorst
Door zoveel honingzoete woorden,
Die wij van uwe liefde hoorden,
Gelijk een kind aan 's moeders borst.
Wij denken aan die schone rede,
Die eens die vrouw van u vernam ,
Toen zij om Jacobs water kwam,
Zo ver van huis en stad getreden.
Zij wist niet wie den eiser was,
Tot uw genade haar kwam leren
Het levend water te begeren,
Dat hete zielendorst genas.
Dat water van het eeuwig leven,
Dat uit uw heilig hart ontspringt,
En 't bange levensvuur doordringt,
Wil uw gena ons eeuwig geven.

herfstliedje
De takken zijn dun,
Ik ruik de run
Van de eiken, -
De berken zijn wit,
Op een bank zit
Ik te kijken.
Daar klautert het licht
- Wat mooi gezicht! -
Door de takken naar boven:
't Is allemaal louter
Goud, o! je zoudt er
Wel van willen roven!
De wind zit in de
Gele linde
Wat te vertellen, -
Kijk! die kastanje:
Daarvan kan je
De blâre' al tellen!
0! o! daar begint
Die woelige wind
Ze te vergaren - -
Goud! goud! is het ooft.
Over mijn hoofd
Rollen de blâren!
---------------------------------------------------
run: gemalen schors van eik gebruikt als o.a. strooisel
Eerste oogst (1912)

rustig
Wilt gij een hups, een rustig wijf?
Neem eerst uit Nederland het lijf,
Neem dan nog tot zo weerde pand
Het aangezicht uit Engeland,
En vorder nog, geloof je mij,
Een tong uit Brabant dient er bij,
En doe er toe een Hollands hert,
Dat niet te licht verslingerd wert;
Maar zo je wilt de hoogste prijs,
Zo haal de billen van Parijs,
Voeg dit bijeen, geminde vriend,
Zo heb je een wijf, gelijk u dient.

gras
Over het gras en over het water
dwaal ik achter de beminde
die ik vroeg en die ik later,
die ik nimmer, nimmer vinde.
Smalle schelpen zijn haar handen
om een eeuwge zee te horen,
in zijn wieg en broze wanden
zingt haar hart mijn wee verloren.
Handen die mijn hoofd niet koelen
met hun sneeuw, de lichte, zachte.
Hartklop die ik niet zal voelen
onder stergoud, al de nachten.
Over het gras en over het water
dwaal ik achter de beminde,
tot ik aanzie - later, later,
in een licht dat mij hervinde.
Tuin van Eros (1932)

gras
Over het gras en over het water
dwaal ik achter de beminde
die ik vroeg en die ik later,
die ik nimmer, nimmer vinde.
Smalle schelpen zijn haar handen
om een eeuwge zee te horen,
in zijn wieg en broze wanden
zingt haar hart mijn wee verloren.
Handen die mijn hoofd niet koelen
met hun sneeuw, de lichte, zachte.
Hartklop die ik niet zal voelen
onder stergoud, al de nachten.
Over het gras en over het water
dwaal ik achter de beminde,
tot ik aanzie - later, later,
in een licht dat mij hervinde.
Tuin van Eros (1932)

ochtend
't Is vroeg. Ik sta voor de open deur,
Nauwelijks bewust, in stil verpozen,
en mijmerend drinkt mijn blik de kleur
Van anjers, leliën en rozen.
Dan, vredig, fluistert hart naar geest
(Zo leest een vrome zijn getijden):
'Alles is rein, en alles feest,-
Het wenkt ook ons nog tot verblijden.'
OPWAARTS(1920-1945)

gij
Gij hebt gezegd: „de vrouw
Wier ogen in Uw ogen lezen,
wier lippen bloeien op Uw mond
en door Uw wezen schijnt verwezen
en slechts Uw taal en zin verkondt,
heeft dag noch uur gekend de trouw
en was U nimmer tot Uw heil;
haar voze hart is vuig en veil;
zij heeft Uw geld en goed verdaan
en alle glans Uw naam ontnomen.
Dus droomt gij schoonheid van een waan,
laat mij U wekken uit dit dromen
wijl 'k mij Uw vriend beschouw"
— „Is dit het weten, dat gij biedt ? ...
Ik heb haar lief, dit schone kind
en nimmer smart daarin gevonden
al is 't mijn min, die 'k bij haar vind,
waarmee 'k haar hart heb teer omwonden,
Haar stem is zacht en zoet haar lied,
het leven wend mij schoon en licht
door d' onschuld van haar aangezicht
en 'k dacht mijn eenzaam hart verstaan.
Gij zegt: „dit al is niets dan dromen
en rukt mij of de schoonste waan ... .
maar wat heeft zij me dan ontnomen ?
Vriend, ik dank U niet."
Parijsche Verzen (1923)

zon
Stralen
Als de zon aan de hemel staat te stralen
Op de dag waarop de zon volop mag schijnen
En we zien alle mooie herfstlijnen
Wat gebogen of krom
De bladeren zijn het die alles versieren
Ja, de zon is gezond voor hart en nieren
Zonder zon is het somber in het leven
Dat er nog zulke mooie dagen worden gegeven
Waar we allemaal nog van mogen opleven
Voordat de winter in gaat treden
Dan is lente, zomer herfst een waar verleden
Er komen nieuwe tijden aangetreden
Zo zien we steeds uit naar een volgend seizoen
Maar als de zon zijn stralen
Over ons heen laat gaan
Dan kunnen we weer doorgaan
Zonder licht hebben we
geen bestaan
bloesems
Sterren en bloesems, en het zoele suizen
Van lentewind; en, uit de wijde nacht,
Langs kleine tuinen tussen stille huizen,
Geur van belofte voor een hart dat wacht.
Rijk hart, in 't eeuwig keren der getijden
Eenzaam wellicht, maar wonderlijk gerijpt,
Dat, lijdend al wat Leven géeft te lijden,
Nochtans zijn grootheid, in geluk, begrijpt.
OPWAAARTS(1920- 1945)

Si-Chy
Si-Chy, uw handen zijn als lotusbloemen,
Uw ogen zijn twee maanbeschenen meren,
Wanneer gij lacht is het of blanke peerlen
Wonderlijk glanzen in de maneschijn...
Uw leden zijn uit bleek ivoor gesneden,
Uw voetjes zijn nog vlugger dan der hinde,
Uw rode lippen zijn als arabesken,
Die een fijn kunstenaar kleurde op witte zij...
Uw haren zijn elastisch en zij blinken
Gelijk in sterrelicht het loof der wilgen,
En uw borstjes: twee satijnen appels,
Die blozen in het vers bedauwde gras...
Waarheen gij gaat volgen u zoete geuren,
Die dromen doen van hartstocht en van strelen,
En wie het wuiven uwer vingeren ziet,
Voelt in zijn hart de windzucht van een waaier.
Chinesche verzen (1916)

uitstel
Wat doe ik met mijn leven?
Uitstellen.
Ik denk lang en diepzinnig na,
stel dezelfde vraag,
krijg hetzelfde antwoord
en denk weer na.
De zon komt op, een merel zingt.
En als ik het nu eens niet meer uitstel... denk ik.
Die gedachte is onverdraaglijk.
Er schuift een wolk voor de zon
en in de verte slaat een klok -
ik stel mijn vraag,
zoals altijd voor het laatst.
---------------------------
uit: 'Wie A zegt', 2003.

sterfbed
Met zorg hield ons bedroefde kring
De adem in, om acht te geven
Hoe in haar borst de stroom van 't leven
Nog flauwtjes op en neder ging.
Elk onzer fluisterde zo zacht,
En stond zo machtloos op zijn benen,
Als hadden we elk zijn eigen kracht
Haar tot de doodstrijd moeten lenen.
Door vrees en hoop werd evenzeer
Ons hart misleid, bij 't pijnlijkst wachten.
Zij sliep. Wij zeiden: "Ze is niet meer."
Zij stierf. Toen sliep zij, naar wij dachten.
Want, toen de morgen koud en nat
Te voorschijn kwam met regenvlagen
Hield zij haar oogjes toe. Zij had
Een schoner dag zien dagen.
Madelieven (1870)

GodIk kijk achterom
Achterom naar de jaren terug
Er waren vragen van ‘waarom’
Soms waren de jaren stug
Ik kijk terug naar mijn verleden
Wat er allemaal is gebeurd
Mensen overleden…
De tijden waren een poosje verkleurd
Ik kijk naar voren
Naar jaren voor mij heen
Ik heb het niet verloren
Want ik ben niet alleen
Ik kijk naar de toekomst en wil verder
Tijden van onzekerheid zullen misschien nog komen
Maar God is mijn Herder
Die zal mij geleiden naar zeeg’nende waat’ren der stromen
spreken
Zo spreke en
zo denke en
zo dichte en
zo doe'k!
1879-80
Gedichten, gezangen en gebeden (1879)

zielenleven
Nadat de zonne slapen ging,
Zien wij uit hare sluimering
Des morgens haar ontwaken:
Legt ons ook de Engel van de dood
Te slapen in des aardrijks schoot,
God zal ons wakker maken.
Dan staan wij voor des Heeren troon
Tot onze straf of tot ons loon,
Voor al ons goede of kwade.
De braven zien hun vrienden weer,
De braven zien ons lieve Heer,
En danken zijn genade.
De boze kindren zien hem niet,
Hoe menig traan hun oog vergiet,
Maar blijven 't kwaad herdenken,
Door hen bedreven. Kind, welaan,
Doe andren wat ge u wilt gedaan,
En God zal ginds u wenken.
