Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

laatste

Een gedicht van Jaco Slauerhoff 1898-1936

DE LAATSTE HERFST

Ver stond de strakke lucht
Als een grijszijden scherm
Gespannen voor de dood.
Aan deze zijde een vlucht
Vogelen met gekerm,
Onze hoofden over, vlood.

De grond bekroop wat groen.
Schril staken stengels riet.
De wereld stond ontbladerd
Uitstervend in seizoen,
Dat zon voorgoed verliet,
Weer tot de maan genaderd.
Wij vonden nog een zoen.
Ergens zijn wij ons toen
Ontweken of genaderd?

schrijver

Geschreven door Dora om 15:32 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

zomerdood

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

Zomerdood

O herfstvertedering in het stille woud,
Waar bruine blaadjes rusten op de poel,
Of langzaam drijven zonder lust of doel
En bomen prijken met het som'bre goud

Waarmede 't bos om zomerscheiden rouwt,—
0 bruin-bestrooide lanen, leeg en koel,
En vale bermen, kalme mijmerstoel,
En blaad'renweb, waardoor de hemel blauwt!

Sterf rustig, zomer, prijk uw leven uit
Met droeve dos van bruin en glans van rood,
Bekrans met vallend geel uw eigen dood,

Geef willig de aarde uw bladertooi ten buit,
Der voedster, uit wier schoot in 't jonge jaar
Gij schoon zult rijzen van uw stervensbaar.

Tonen en tinten (1900)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:07 Reageer op dit bericht

voorzang

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Voor­zang

Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren,
was stil, daar 't in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust­-gewelfde blâren.
­- Ik was een kind, en mat het leven aan de lach
van mijne moeder, die niet blij was, en aan 't waren
der schemeringen om de bomen, en der jaren
om 't vredig leven van de roereloze dag.

En 'k was gelukkig in de schaduw van dit leven
dat naast mijn dromen als een goede vader ging...
­- De dagen hadden mij de vreemde vreugd gegeven
te weten, hoe een vlucht van grote vooglen hing,
iedere avond, in de teedre zomer­luchten
die zeegnend om de ziel der needre mensen gaan,
als de avond daalt, en maalt in avond­-kleur de vruchten
die rustig­-zwaar in 't loof der stille bomen staan.

...Tóen kwaamt gij zacht in mij te leven, en we waren
als schaemle bloemen in de avond, o mijn kind.
En 'k minde u. -­ En zo 'k véle vrouwen heb bemind
sinds dien, met moede geest of smekende gebaren:
ú minde ik; want ik zag uw kinder-­ogen klaren
om schuine bloemen in de tuine', en uw aanschijn
om mijn eenzelvig doen en denken tróostend zijn,
in 't huis mijns vaders, waar de dagen tràge waren...


1900

schrijver

Geschreven door Dora om 11:13 Reageer op dit bericht

kindje

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

Slaapliedje

Slaap, kindje mijn,
Sluit je lipjes fijn,
En doe je ogen dicht, mijn ogenlicht;
Nu je zo warmpjes nederligt,
Moet je rustig zijn.

Nù ben-je klein:
Ik hou je hoofd en je lijfje zoet,
En je wilde voetjes stil en goed
In twee handen mijn.

Eens zul-je groter zijn:
Dan lig je niet meer in mijn armen neer,
Dan stap je door 't land als een hele meneer;
Eens zul-je groter zijn....

Lipjes van karmijn,
Kon je voelen mijn kussen je leven lang...
- Als wereld boos is en 't leven bang,
Zal ik niet meer zijn.

Oud in lang wil 'k niet zijn!
Moedertjes hart is sterk en warm...
Zwak is en arm, wie geen kindje warm
Kijkt in de ogelijn.

't Hart zal zangster zijn...
Mijn leven lang... elk woord een zang,
Een beê tot God, dat Hij zacht je omvang',
Moogt Gods eigen zijn...
Slaap... kindje... mijn..

Serena (1898)

Illustratie: Moeder en kind door Gustav Klimt (Wenen 1862-1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:28 Reageer op dit bericht

tijd

Een gedicht van M. Vasalis

Tijd

Ik droomde, dat ik langzaam leefde ....
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte of beefde,
wat stil lijkt. 'k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen .....
Ik zag de tremor van de zee,
zijn zwellen en weer haastig slinken,
zoals een grote keel kan drinken.
En dag en nacht van korte duur
vlammen en doven: flakkrend vuur.
- De wanhoop en welsprekendheid
in de gebaren van de dingen,
die anders star zijn, en hun dringen,
hun ademloze, wrede strijd ....
Hoe kón ik dat niet eerder weten,
niet beter zien in vroeger tijd?
Hoe moet ik het weer ooit vergeten?

-------------------------------------
uit: 'Parken en woestijnen', 1940.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:32 Reageer op dit bericht

goed

Een gedicht over de gewone dingen van het leven
Je komt mensen hier en daar tegen
Veel dingen kunnen zwaar wegen

Goed

 

Gaat het goed?

Ja, het gaat goed!

Wanneer zeg je dat het niet goed gaat!

Soms kunnen heel veel mensen klagen

Of ze luisteren niet naar klagen

Ja, zo zit het in onze dagen

Er zijn nog maar weinig oprechte vragen

Mensen kijken naar elkaar

De één doet raar

De ander is afstandelijk

Weer een ander is koud

Och ja, we leven toch in een dor woud

Niemand die het nog begrijpt

Hoe en het waarom in onze tijd

Je ziet toch dat alles afglijdt

Maar wat maakt het uit

Eén ding is zeker, de tijd!

De tijd die vooruit gaat

Zonder dat je er wat aan kan doen

Ieder wandelt door het leven

Met zijn eigen gedoe

Veel mensen zijn misschien wel geestelijk moe

Moe van alle veelheden

Die het leven heeft gegeven

Toen het simpel was

Wilde men graag meer

Maar alles neemt een keer

Of het is een keerzijde

Van teveel

Ja, zo staan we in dit veelvoudige geheel

Ieder mens ontvangt vroeg of laat z’n deel

 

Geschreven door Dora om 13:28 1 reactie Reageer op dit bericht

najaarsblad

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Een najaarsblad

Ik zing tot prijs en eer...
In roodgoud najaarsweer
Werd zó mijn geest bevrijd
Van een krankzinnigheid:

Ik raapte een donkre steen,
En dacht, ook ik ga heen
En lig zo zwaar en zwart
Der aarde aan 't ijskoud hart.

Toen daalde een purper blad,
Dat Hij beschreven had,
Mij ritslend in de hand
En stak mijn hart in brand.

Ik voelde zwéven weer
Mijn hoop op brede veer,
Ik wierp de dode steen
In 't meer, waar zon op scheen.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:32 Reageer op dit bericht

handen

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933

Onze handen

Eenvoudig als onze handen zijn
bij vaal verdriet en gulden feest,
zo zijn wij, lieve, met elkaar
zelden geweest.

Tussen der woorden hovaardig spel,
ons handen, zij alleen,
die wisten van elkander wel
’t geheim van ons getweên.

Die hebben ’t schoonste deel gekend
van ’t heimwee waar een mens in mint;
die wisten niet waar waken endt
of waar de droom begint.

En wijd van alle valse schijn,
zo zonder teken, zonder woord,
hebben ze, zuiver als ze zijn,
elkander toebehoord.

Mijn jongen, toen uw leste kus
vaarwel zong door mijn blonde haar,
deden ons beider handen nog
van komen 't schoon gebaar.

En toen de leste trein vertrok,
wuifden zij nog elkander toe,
die zwijgend hebben liefgehad,
die minnen elkaar voorgoê.

Och, mochten, moe van dool en pijn,
wij eens, aan avondraam,
eenvoudig als ons handen zijn
zwijgend tesaam.

schrijver

Geschreven door Dora om 15:00 Reageer op dit bericht

stilte

Een hartenkreet van An Terlouw

In stilte loop ik naast je!

Een hart onder de riem wil ik je steken,
een arm om je schouder wil ik leggen,
een schouder wil ik je lenen om te huilen,
een zakdoek om je tranen te drogen.

Een bemoedigende glimlach wil ik je geven,
mijn oren om naar je te luisteren,
mijn hart om met je mee te voelen,
maar de weg, die voor de je uitgestippeld is,
moet je alleen gaan, alleen:

in stilte loop ik naast je!

schrijver

Geschreven door Dora om 09:51 Reageer op dit bericht

klokken

Een gedicht van Pol de Mont 1857-1931

De klokken luien.

O Klokken in de najaarsavend,
wat luidt uw luien lief en lavend!
O Klokken in de winternacht,
wat luidt gij als een jammerklacht!

* * *

O Klokken in de najaarsavend!
Met liturgieën, klagend teder,
als priesters, 't dode loof begravend,
dat langzaam zwijmlend dwarrelt neder;

op goud en purperen avondluchten
stort gij uw ziel uit, najaarsklokken:
die zweeft tot mij, met stenend zuchten,
een bleke maagd, met waaiende lokken,

met waaiende lokken en doodse wangen
en ogen, waarin tranen beven....
Die zingt heel droef, en - in haar zangen
herleeft, één stonde, 't ganse leven,

het leven van de zoete maanden
der bloemen - en der minneweelden,
toen geur en kleur zoo machtig streelden
dat wij ons weer in Eden waanden.

* * *

O Klokken in de najaarsavend,
wat luidt uw luien lief en lavend:
O Klokken in de winternacht,
wat luidt uw luien als een klacht!

Uw luien luidt als 't bange klagen
van kindren, in het bos verloren....
Uw luien luidt als 't smachtend vragen
naar 't zijn, ons na dit zijn beschoren....

Uw luien luidt als 't hooploos snakken
van stervenden, die willen leven....
Uw luien luidt als 't ‘ach’ der zwakken,
die willen maar niet kunnen sneven....

O Klokken in de winteravend,
terwijl de vlokken vallen, vallen,
heel de aarde in hunne wâ begravend,
laat gij uw de profundis schallen....

In hagelbui en windorkanen
stort gij uw ziel uit, winterklokken;
die waart dan, wild, langs veld en banen,
Erinnys, zij, met slangenlokken.

Haar jammeren beheerst de stormen:
wie 't hoorde, heeft de slaap verloren.
In 't bos verdort het braam en doren,
in 't graf versteent het zelfs de wormen;

haar ogen gloeien, roodbekreten,
door mist en damp; het bloed golpt rood
uit haren boezem; opgereten
met drakenklauwen is haar schoot....

* * *

O Klokken in de najaarsavend,
wat luidt uw luien zacht en lavend....
O Klokken in de winternacht,
wat luidt gij als een lange klacht....

------------------------------------------
wâ - wade - kleed
Erin(n)ys - één van de Wraakgodinnen (Furiën): ze zagen er afschrikwekkend uit. Hun haar bestond uit slangen, uit hun ogen droop bloed.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:27 Reageer op dit bericht

dichten

Een gedicht van Albert Verwey 1865-1936

't Liefste wat ik weet is dichten

't Liefste wat ik weet is dichten,
Dat is: van de innerlijke gezichten
Woorden maken.
Die doen ontwaken
In andren wat ik zie; —

Zodat van vreemd en menig
Wij worden vriend en enig:
Zielen raken
Elkaar en slaken
Een zucht, een melodie.

Het blank heelal (1908)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:44 Reageer op dit bericht

herfstwind

Een gedicht van Jacob Slauerhoff 1898-1936

Herfstwind

Herfstwind verdrijft de witte wolken,
Ganzen trekken langs het lege zwerk,
Nog geuren chrysanten en bloeien orchideeën,
Kon ik mijn vroeger lief nu vergeten,
Bijna was ik gelukkig,
Met mijn bloemenboot op de Fen-rivier,
Wit schuimt de stroom langs de boeg,
Fluit en trom houden maat met de riemslag,
Onder 't rumoer broeden sombre gedachten,
Jeugd jaagt voorbij, dood staat onwrikbaar.

Yoeng Poe Tsjoeng (1930)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:36 Reageer op dit bericht

najaar

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

Najaar III

III

'k Geniet met dankbaarheid de zachte dagen
En de geleidelijke gang der weken,
Waarin geen stoot de teed're rust komt breken,
Geen winterleed de najaarsstilte plagen.

'k Hoor nòg in 't hout der woudduif innig klagen,
En dool gelukkig langs de bocht'ge beken,
En in mijzelve loop ik zacht te spreken
Bij schoon herdenkens weeld'rig welbehagen.

'k Doorleef het alles weer, de stille weg,
Omgroeid met wazig-blauwe slee, de heg,
Waardoor zich 't rood gestip van vruchtjes wond;

Ik treed weer in gedachten langs de grond,
Waar stapklank zich in 't fulpig gras verloor,
Doorgroefd van 't diepe, zwarte wagenspoor.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:05 Reageer op dit bericht

najaar

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

Najaar II

II

De meeuwen scheren langs 't verlaten strand,
Hun witte buikjes glimmen even op,
En nederwaarts gestrekt met spitse kop,
Zo laten zij zich vallen op het zand.

De najaarsstilte ligt al over 't land,
Het bos vergoot zijn loof, als drop na drop
Van bloedend blad vervloot, wijl groene knop
Zich zwellend zette aan ronde takkenrand.

De zee is eenzaam, slechts een vage schim
Van zeilend schip staat tegen lichte kim,
En gaat, nauw-merkbaar glijdend, zacht vooruit.

De zee lacht zilvergrijs getint,
Met zoet bekoren van een spelend kind,
Zacht boezemdeinend als een blanke bruid.

Tonen en tinten

schrijver

Geschreven door Dora om 11:17 Reageer op dit bericht

uchtend

Een gedicht van Louis Couperus 1863-1923

Uchtend

De mist, uit zilverpeerlen als geweven,
laat in de rozige uchtendschemering,
de helling langs der grauwe heuvelkling,
zijn golvend waas naar 't Westen toe verzweven.

Ter kimme heeft, uit donzen wemeling,
een rozewolk heur gouden wiek geheven.
Door 't dorre hout, waarin de druplen beven,
schiet de eerste schicht zijn schelle schittering.

En sidrend beuren slanke populieren
zich op uit kille dauw, die langs de vliet
in flarden zijn sluier af laat slieren.

Geen leeuwrik orgelt er een morgenlied;
op loden vleuglen schijnt de stilt te hangen;
slechts in de verte ruist de zee haar zangen...

schrijver

Geschreven door Dora om 11:14 Reageer op dit bericht

najaar

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

NAJAAR I

I

De zon bestraalt het rosse beukengoud,
Dat in het water glanst met felle pracht,
En beukenstammen in licht-grijze dracht
Verheffen schitt'rende armen boven 't woud.

Zie hoe de wolkeloze hemel blauwt,
En door 't verwelkend takkenweefsel lacht,
En zomerdromen weer to brengen tracht,
Beloften, o hoe gaarne nog vertrouwd!

Maar 't vreemd geheimvol-stille van den tijd,
Der voog'len zwijgen en de diepe rust,
Die als een angst beklemmend alles sust,

Doen voelen dat een macht'ge wordt verbeid,
Die langzaam nadert, en de vlammendos
Verniet'gen zal van 't nu nog pralend bos.

Tonen en tinten

schrijver

Geschreven door Dora om 12:20 Reageer op dit bericht

eenheid

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Eenheid

Hoe helderder licht, hoe duisterder.
Hoe duisterder hoe meer sterren.
Hoe meer sterren hoe groter heelal.
Hoe groter heelal, hoe leger.
Hoe leger, hoe stiller.
Hoe stiller, hoe nader het midden.
Hoe nader het midden, hoe meer leven.
Hoe meer leven, hoe sterker hart.
Hoe sterker hart, hoe aardser.
Hoe aardser, hoe verder van het midden.
Hoe verder van het midden hoe duisterder.
Hoe duisterder, hoe dichter bij de zon.
Donker en licht, aarde en hemel is één.

Ruischende bamboe (1937)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:02 Reageer op dit bericht

morgenroep

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Morgenroep

Ik bid U, vriend, maak mij niet wakker,
Wanneer gij vroeg, in lentetijd,
Met snelle tred voorbij mijn akker,
en juublend langs mijn drempel schrijdt.

Mijn van de arbeid bloed'ge handen
Hebben dit hechte huis gebouwd,
Ook deze groene korenlanden
Zijn mijne tot waar de einder blauwt.

Ik ben ze moe die verre tochten,
Slechts met ons hart als reisgezel,
Waar waaiend stof bleek wat wij zochten,
En ieder welkom een vaarwel.

Ik bid U dus, mijn jonge makker,
Stap zacht en demp Uw vreugdgeschal,
Want róept Uw lokkend lied mij wakker,
Ik vrees, dat ik U volgen zal.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:06 1 reactie Reageer op dit bericht

rozen

Een gedicht van Jan Engelman 1900-1972

Bij de rozen

‘Zij zijn voor sterven en vergaan geboren,’
zo dacht ik vluchtig toen ik bij de rozen was.
Maar schrok, en hoorde dreunen in mijn oren:
wat is u zelve, ijdel mens, beschoren,
zo kort als gij hier wandelt bij de rozen op het gras?

Tuin van Eros (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:44 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten