de wijze

De wijze
Mijn huis is vuil, mijn kinderen, talrijk, krijsen.
De varkens wroeten ronkend in de hof.
Maar bergen, blauw en ver verheven, eisen
Mijn aandacht op, die stijgt uit stank en stof.
Yoeng Poe Tsjoeng (1930)

de wijze
Mijn huis is vuil, mijn kinderen, talrijk, krijsen.
De varkens wroeten ronkend in de hof.
Maar bergen, blauw en ver verheven, eisen
Mijn aandacht op, die stijgt uit stank en stof.
Yoeng Poe Tsjoeng (1930)

waterlelieRijzend uit donker-koele vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.
Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...
Frederik van Eeden
Uit: Van de passielooze lelie,
W. Versluys, Amsterdam, 1901
zomernacht
De blanke mane
Licht overal
De donkre lanen
Staan langs de wal.
Boomtoppen drinken
Het zilvren licht
Beneden zinken
Schaduwen dicht.
Maar midden in de
Betovering,
Waar beuk en linde
Te dromen aanving
Dalen drie zware
Klokslagen neer
De kimmen klaren ...
De dag keert weer ...

het levenHet leven
Het leven wordt
vaak aangevallen
Van buitenaf
of aan de binnenkant
Het leven is maar even
Maar de mens heeft maar
één streven
Dat is voor zichzelf
het zoeken naar
een aangenaam leven
Maar niets is minder waar
Steeds is er een schaar
Die al het wat gevonden is
weer doorknipt
Het is vaak de egoïst
Die heen en weer tript
Die niemand een fijner leven gunt
Want die heeft met de jaloezie
het altijd op de ander gemunt
Van binnenuit klinkt er een luidt
Een luidt geschreeuw
Waarom doe je toch als een dwaas
Heel even heeft de egoïst een waas
Een waas van woede
Wees met egoïsten altijd op je hoede
Hij valt aan terwijl men het niet denkt
En zo weer een portie verdriet
bij de ander schenkt
Maar o wee als je bij de egoïst
een haar krenkt
Dan breekt er een hel uit!
tirolerlied
Een gedicht van Gentil Antheunis 1840-1907
Ik vlucht mijn leger, mijn vreedzame dakje;
'k heb hond noch geweer, door de nacht loop ik heen,
Mijn boezem doorwoelt een knagende smart,
En waar ik ook vlucht, zij volgt mijne schreên.
Voor mij geen rust,
Geen hoop in 't verschiet;
Want zij die ik bemin
Bemint mij toch niet.
Hier eenzaam gezeten op 't hoogste der bergen,
Op rotsen zo woest, dat geen wild ze betreedt;
Hier zing ik mijn leed de onpeilbare afgrond,
De spraakloze nacht zing ik 't grievende leed.
De diepte en het duister
Aanhoren mijn lied;
Maar zij, voor wie ik zing,
Zij luistert toch niet.
Daar klimt uit de diepte een geheimvol gefluister:
‘Wat baat u het leven? Kom, rust in mijn schoot.
En zij die gevoelloos uw jeugd zag verkwijnen,
Zoekt morgen met angst en beweent uw dood.’
Heel 't dorp zou mij zoeken
Met klemmend verdriet;
Maar zij, voor wie ik stierf,
Zij komt toch niet.
Uit het hart! (1874)

tijden toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder
dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven
zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt
naar iets in zichzelf, iets ziet daar
wat het meekreeg
zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten
van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat
een verte voorbij onze ogen
het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken
dat ooit niemand meer zal weten
dat we hebben geleefd
te bedenken hoe nu we leven, hoe hier
maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder
de echo's van de onbekende diepten in ons hoofd
niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachten is geen tijd
we stonden deze zomer op de rand van een dal
om ons heen alleen wind
Rutger Kopland,
uit over het verlangen naar een sigaret,
Uitgeverij van Oorschot , Amsterdam 2001
verwachting
Hou op, mijn ziel, 't Heelal te vragen,
Hoe, waarom, wat, en wie gij zijt.
De nevelwolken die u dragen,
En, speelbal van d' onzichtbre tijd,
Door de eindeloze ruimte jagen,
Doorscheemren wel van bliksemslagen
Wier flikkring door de scheuren splijt;
Maar, ziet gij uit naar 't morgendagen,
Die afstand is uw oog te wijd.
Wij hobblen door de mistdampbaren
Naar 't worstlend bruisen van haar vloed,
Onzeker waar we heen vervaren,
In 't buldrend onweer dat er woedt.
Wij laten de ogen om ons waren;
Maar vruchtloos is dat ijdel staren
Naar 't vonklen van een flauwe gloed,
Die 't dompig nachtzwerk op deed klaren
Dat afschrik en verdelging broedt.
Dees dichte sluier door te boren
Hangt aan geen sterfelijke macht.
In helse duisternis verloren,
Geteeld tot broedsel van de nacht,
Gedoemd, in deze damp te smoren,
Waartoe een donkre trek te horen
Die naar 't ontwijkend daglicht tracht?
De schrikbre noodstorm moet bezworen
Door Goddelijke wonderkracht.
Of voelt ge u in dit woest geslinger
Uws ondanks, machtloos meegesleurd;
Beseft ge, wiens ontzagbre vinger
De schepping uit haar naven beurt;
Ontwaart ge in u de Aldoordringer,
De nacht- en nood- en helbedwinger,
Wiens lichtstraal aard en wolken scheurt;
Die één, en zonder mededinger,
Ook u Zijn zorgen waardig keurt?
Laat dan 't Heelal verwoesting loeien;
Wees kalm, en vraag niet; maar verbeid!
De golven die er om u vloeien,
De neevlen, om u uitgebreid,
De bliksemstralen die er gloeien,
De donders die de wolken schroeien,
Verzwelgen in de Oneindigheid,
En haasten 't slaken van de boeien;
Waarin gij om verlossing schreit.

poëzie

appelboomIk kwam thuis, het was
toen werd het langzaam weer te mooi
om waar te zijn, de dingen
van de dag verdwenen voor de geur
van hooi, er lag weer speelgoed
in het gras en verweg in het huis
lachten de kinderen in het bad
tot waar ik zat, tot
onder de appelboom
en later hoorde ik de vleugels
van ganzen in de hemel
hoorde ik hoe stil en leeg
het aan het worden was
gelukkig kwam er iemand naast mij
zitten, om precies te zijn jij
was het die naast mij kwam
onder de appelboom, zeldzaam
zacht en dichtbij
voor onze leeftijd.
Rutger Kopland
uit: Onder het vee,
Van Oorschot, Amsterdam 1966
bakenDe zee is één,
de branding is één,
de rots is één,
de vrouw is één.
Opgelost is haar verlangen
één van twee te zijn.
Eén in zichzelf geworden is zij,
twee in één.
Sterk als de rots,
onafwendbaar als de branding,
groots als de zee.
© Marianne Som
Uit: Een leven lang eeuwigheid, 1998
dichterGras... en voorbij het grazen
© Gerrit Achterberg
Uit: Eiland der ziel
Opgenomen in Verzamelde gedichten
Querido Amsterdam 1963
schemeringsoms voelt ruimte
aan als leegstand
en zie ik ieder ander
niet meer als verwant
verblijf dan in de stoet
van zwijgende ogen
schuifelend meegezogen
en waar de richting
er niet meer toe doet
het duidt op dwalen
in stuurloos denken
ik even niets meer
in woorden kan vertalen
waarbij gevoelens ook
nog eens onduidelijk wenken
in deze schemering
is men des te meer
de geboren eenling
zo de mens eigen
keer op keer
land
ik zie
O ik zie de mooiheid van
al alle dingen
Drìngende òp in mijn arm
mens brein
zijn
Mens wil ik voor alles, alles
mens zijn.

vader
poëzieDichters
Vele dichters
Maakte de letteren op
Toen stond de wereld nog niet zo op z’n kop
Er was vreugde en liefde
Het leven was vergenoegd en een genot
Als ze vandaag zouden terugkeren
Dan zouden ze zich lelijk aan deze wereld bezeren
Er valt geen regel meer te schrijven
Want allen op de aarde zijn oude mannen en wijven
De jeugd zijn ze in de zonde verloren
Het nieuwe kon hen niet bekoren
Men hoeft nu niet te morren
Want ze hebben de tijd met
hun rampzalig gedoe verloren
pijnenKrom
Krom liggen van de pijn
In het hoofd of in het lichaam
Je voelt alles samentrekken
Het leven is even een hel
Wat frisse lucht...
Wat een toevoer van zuurstof geeft
Het leven is dan nog wel geen feest
Maar de hevigheid is voorbij
Dan ben je na een ernstige pijn
Weer ontzettend blij
Je bent niet meer gebonden
Maar je kan weer vrij
Opstaan en verder met het
dagelijks leven gaan
ik
over
Een hartenkreet van J. Quekel
Toen werd hij kwaad,
Maar was dat adequaat?
Als je wilt reageren,
Moet je je realiseren,
Waarover het gaat.
Anders maak je onderhand
Van een mug een olifant.

hitte
Hitte
De hitte is brandend
De zon is als een vuurbal
Alleen geeft het nog geen knal
Het onweer kan naderen
Maar voorlopig zijn de aderen
Vol van heet bloed
Het zweet druipt van de toet
Oh…wat is de zomer zoet
Of hadden we zoiets niet in gedachte
Dan moeten we nu weer
Op koeler weer wachten
Een glaasje water is het advies
Maar op den duur smaakt
het ook niet meer
Morgen is het misschien beter
Hopelijk wordt het dan niet meer heter!
Want een mens z’n lamp zou
er van uit kunnen gaan
En dat heeft dan de hitte
gedaan!