Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
lezen
eer


rouw
schande

En zoveel schande werd in liefdes naam
En zoveel schande werd in liefdes naam
Met rein gelaat, gemeen gemoed bedreven,
Dat ik mij vaak genoeg voor liefde schaam
En walging mij belt om voor te leven.
Een felle blos, een bloedgolf stijgt naar ‘t hoofd,
het wordt mij beurtlings rood en zwart voor ogen.
Ach, alles wat geluk is wordt geroofd,
Bevochten op almachtige gier en logen.
Maar voor een ogenblik bezinning keert,
Men weet weer de verruklijke engel veil
Voor alles wat zij maar op aard begeert,
En reinheid zoekt weer in verdriet zijn enig heil.

land

Kent gij het land?
Kent gij het land, waar de citroenboom bloeit,
in 't donker loof de sinaasappel gloeit,
een zoele wind de blauwe lucht doorgeurt,
de mirte groeit, de lauwertak zich beurt:
kent gij het wel?
Dáárheen, dáárheen,
richt ik met u, Geliefde, mijn schreên.
Kent gij het huis? Op zuilen rijk en hoog
verheft de zaal haar trotse, brede boog.
Het marmer leeft, de beelden zien mij aan:
wat heeft men u, onschuldig kind, aangedaan?
Kent gij het wel?
Dáárheen, dáárheen,
richt ik met u, Beschermer, mijn schreên.
Kent gij de berg met 't steil en kronklend pad?
Het muildier baadt zich in der wolken nat:
in holen woont der draken zwart gebroed,
de rots stort neer en over hem de vloed.
Kent gij het wel?
Dáárheen, dáárheen,
gaat onze weg, mijn Vader! Kom, dáárheen!
Nogevolgde leideren. X. Mignon's lied. Spohr; opus 37. Goethe.

rumoer

RUMOER.
Het leven is te hard van geluiden,
De mensen doen te druk:
Om een ander wat doms te beduiden
Verpraten ze hun eigen geluk!
In plaats van de vruchten te smaken,
Gooien ze elkaar met de schil,
Ze praten om maar leven te maken
En de wereld is zelf toch zo stil!
Ze konden het eindelijk wel weten
Dat geeneen het in woorden vindt,
En dat, waar ze hun woorden vergeten,
Het leven pas waarlijk begint!
Uit stilte en strijd (1909)

onrecht

Een gedicht van Emanuel Hiel 1834-1899
Daar, waar het onrecht troont.
Daar, waar het onrecht troont,
Klinkt luid de stem des Dichters,
Waar waarheid wordt gehoond,
De baak der volksverlichters...
Waar men de frisse jeugd
Vertrapt, als 't rein gebloemt,
Waar men de logen roemt,
Waar men bespot de deugd...
Daar klinkt zijn stem, met macht,
Vol kracht:
Godsloochenaars gedoemd!
Waar men een neerstig volk
In schandejuk doet draven,
Tot de vernielingskolk
Het rukt als bende slaven...
Waar men geen ziel ontziet,
In vrucht of jong gebloemt;
Waar men op geilheid roemt;
Waar men 't gevoel bespiedt,
Daar donder 's Dichters stem,
Met klem:
Volksmoordenaars, gedoemd!
Waar men de Moeder-Maagd
Van hare reine troon smijt,
Daarop een schepsel draagt,
Dat 't leven slechts in hoon slijt...
De kuise jonkheid dwingt
Te strooien fris gebloemt,
Met 't wierookvat beroemd,
En 't vuil gediert bezingt...
Daar vloekt de Dichter luid:
Hieruit!
Eermoordenaars, gedoemd!

altijd

Altijd en overal
Schoon Lief, ik voel u overal:
In dorrer vlakten zengend branden,
In stille koelte zilter stranden,
Op hoge alp of diep in 't dal;
Ik hoor u in des bergstrooms val,
Die klatert langs de rotsge wanden,
In 't ruisen door de lage landen
Van brede vliet of beken smal.
Gij zijt de gloeinde dadenlust
Des Morgens en de koele rust
Bij 's Avonds vredevolle duistren;
'k Weet oovral uw aanwezigheid,
Wààr ook verdoold en te allen tijd
Voel ik uw âem en hoor uw zoete fluistren.
Onze Eeuw, Jrg. 13 (1913)

ballade

Ballade aan de maan
Wij zijn te zamen maar alleen,
mijn bleke liefde, en over tijden
en ruimten gaat mijn mijmring heen
met u door lege luchten glijden;
daar kan geen tegenstand ons beiden;
gij ziet mij van de hemel aan,
als vroeg gij: waarom al dit lijden?
....Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.
Ik ben maar liefst met u getweên,
gij zijt althans niet van de blijden,
gij kunt begrijpen, dat ik ween,
wen gij uw tere glans gaat breiden
en dromen weeft om dorre heiden,
een parel tovert in een traan....
Gij zoudt mij willen leeds bevrijden?
....Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.
Hoe dikwijls, ach, hoe dikwijls scheen
mijn wezen ook, van de aard gescheiden,
niets, niets te blijven dan alleen
een oog dat schouwde, een oog dat - schreide....
Mijn arm verlangen, dat bij zijden
verheven machteloos blijft staan,
heet gij vergeten, heet gij mijden?
....Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.
Ook gij....toch moet ik U benijden:
gij drijft, een glimlach, rond uw baan....
Begeer ik ook zo stil te weiden?
....Zwijg stil, zwijg stil, mevrouw de maan.
De Beweging, jaargang 8 (1912)

jaar

Dat Jaar.
Dat jaar, dat onvergeetlijke
Kan nimmer keren,
Dat gaf de ziel haar zo onmeetlijke
Vreugd na begeren...
Kus mij nog eens, geef 't onuitspreeklijke
In één Vaarwel...
Dan breke, wat scheen 't onverbreeklijke,
... En 't breke snel.
Gedichten (1918)

aan zee

Aan zee
O te luistren naar de zee,
Tot de ziel ga fluistren mee:
Tot haar zwijgen
‘t Wonderwoord
Uit zijn diepten stijgen
Hoort!
Alle malen, hartezwaar,
Kere ons zoekend dwalen naar
‘t Bruisend breken
Van de vloed
Waar de ziele spreken
Moet.
't Lichte zingen van de zee
Draagt de ziel op zwingen mee
Waar zij dichter
Bij de poort
Zachter spreekt en lichter
Hoort.
Alle smarten, iedre vreugd,
Wat voor eeuwig harten heugt,
Al verblijden,
Elk verdriet,
Levens ongezeide
Lied;
Wat, verward en onverwoord,
Zielen deelt en harten moordt,
Wat, gevonden
En verstaan,
Zalig maakt van stonden
Aan:
Licht verwoorden het de twee
Die behoorden ‘t lied der zee:
‘t Lied dat blij na
Droef berecht,
‘t Lied dat alles bijna
Zegt!

wereld

DE WERELD IS EEN ZEE
Beminde echtgenoten
De wereld is een zee
vol wilde en woeste baren,
daarop eenieder zal
te schepe gaan en varen.
Daar zijnder die alleen
die zee bevaren moeten;
daar zijnder die de vaart
door meegezelschap zoeten.
Gij lieden zijt, getweên
in ‘t Sacrament gebonden;
zij heeft de bruidegom
en gij de bruid gevonden.
Ons Heere wilde ‘t zo,
gelukkig zijt gij, beiden:
en die u heeft gescheept,
zal zelve uw reis geleiden.
Voorspoedig zij de reis
het weder en de winden;
en moge uw vrouwe, en gij,
de goede haven vinden!
Dat wense ik u, van herte
en ziele toegenegen,
daarbij een volle vrecht
van zoeten kinderzegen.
En, als gij, oud en strem
eens zijt, van lang te leven,
dan zij, voor eeuwig, u
Gods zaligheid gegeven!
Gods zaligheid zij u,
met al uw kinders mede;
en - in een enkel woord
is ‘t al gezeid - : Gods vrede.
19/10/1897

afgoderij

Afgoderij.
Hoe buigt zich, met verdwaald gebaar,
D' Afgoderij voor 't blind Altaar!
Hoe zwaait ze wierookvieren,
Wier stank de ware God verveelt,
Terwijl men zijne glorie steelt,
En schenkt aan stomme dieren!
Zo doolt men zeker al te wijd.
Dees godvergeten dolheid smijt
De wet uit Mozes' handen.
Ontzinde mensen, laat u raên:
Gij stookt de helse vlammen aan
Met heilloos offerbranden.
Gedichten, deel 3 (1735)

volkslied

Wij zijn kindren van ons land.
Volkslied.
Wij zijn kindren van ons land,
Vrije Batavieren!
Bloemen van de waterkant
Ons de hoed versieren.
't Water dreigt, maar krijgt ons niet
Achter onze dijken,
En de verste zeeplas ziet
Onze vlaggen prijken.
Dankbaar dienen we onze God,
Eren onze koning;
Slechts op trouw aan 't hoogst gebod
Wachten wij beloning,
Helden zijn wij voor het recht;
Niet in 't oproer schreeuwen;
Aan de Oranjevaan gehecht,
Nederlandse leeuwen.

vrijerstarief

Een gedicht van Jacob van Lennep 1802-1868
Vrijerstarief
Schone Fillis, altijd schrander
Als ze een goede ruil kon doen.
Eiste van haar lief Silvander
Dertig schapen voor één zoen.
's Daags daaraan – 't zijn vreemde dingen –
Schonk zij aan de herdersknaap
Zonder loven, zonder dingen.
Dertig zoenen voor één schaap.
's Daags daaraan – wat werd zij milde! –
Schonk zij hem, zodra hij kwam.
Zoveel zoenen hij maar wilde;
En zij eiste zelfs geen lam.
's Daags daaraan, door min gedreven.
Had zij kudde en hond en staf
Voor een enkele kus gegeven
Dien hij Kloë gratis gaf.

onontbeerlijk

Onontbeerlijk.
Mij kan geen donker leed genaken,
Mij kan geen lichte vreugde ontvliên
Zolang gij over mij blijft waken
En ik naar U, naar U mag zien.
Gij zijt als brood mijn leven nodig,
Wat regens zijn voor 't dorstig land;
En, wordt mij alles overbodig,
O, nooit de handdruk van úw hand!
O! nooit de gloed der stralende ogen,
Die in des Levens hooggetij
Mij zegge' als woorden 't nooit vermogen:
'Hoe onontbeerlijk zijt ge ook mij!'

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932
Zwartgroene populier.
Zwartgroene populier,
Die in de zonne klettert,
Wat wil dat wild getier
Daar uwe kruin van schettert?
Wat is er dan met haast
Zo dievelings vergaderd?
En rept en roert en raast
In 't ronkende gebladert?
Daar woelt en walewiept
Een wereld kleine gekjes;
En piepe-tjiepe-kriept
Met schrille snebberbekjes.
Meteen een dof gezoef,
Bijwijlen aan 't versterken
Door hier en daar een roef
Van openslaande vlerken.
Al vogels, links en rechts,
Die snoepend, ondertussen,
Pikpikken als de spechts,
En moorlen als de mussen.
Als vogels in uw muit
Fliefladdrend op en neder.
Geen ééntje valt er uit
Of toont me kop of veder.
Doch langer niet, o boom,
Verdraagt gij al dat leven.
Gij schiet uit uwe droom
En al uw bladjes beven.
Gij schuddebolt... en... schuift!
Al schreien en al schreeuwen,
Neer uit uwe kruine, stuift
Een dikke duizend spreeuwen.
dood

Gij draagt het gladde mom der dood
Gij draagt het gladde mom der dood;
uw oog is groot van lijden;
het naaste naken van de nood
heeft uwe mond gescheiden.
Reeds is het, of het laatste woord
uw lippe gaat verpaarsen.
Gij spert uw vingeren, doorgloord
van eeuwig licht, als kaarsen.
Uw glimlach voert het bijster beeld
der eeuw'ge ontvangenisse.
Het lam des offers is gekeeld,
o gij, zijn blanke nisse.
Gans uw gedaante is als verklaard;
uw gang is eêl en zedig:
gij zijt gezuiverd, of gij waart
van zekerheên volledig.
En waar mijn eigen leên en brein
van levens-koortse dorden,
is 't, of mijn weiger medelij'n
mag eindlijk liefde worden.

blond

Blond boven Bruin
Ruil nooit uw zachte kleur, bekorelijke Blonden!
Voor harde verf of bruine kuif;
De lof der bleke roos klinkt toch uit duizend monden,
En zoet is 't blinkend sap der muskadellendruif;
De zachte perzik is het sieraad van de hoven,
Zij wint het van de kers in geur;
De lommerrijke linde, in blonde tooi, praalt boven
De hagedoren, bruin van kleur.
Natuur hult all' wat schoon, beminlijk wordt gevonden,
Steeds met een zachte en blonde huif. -
Ruil nooit uw blanke kleur, bekorelijke Blonden!
Voor harde verf of bruine kuif.


