angst

ANGST
ANGST
IS
de dans van de geworden dingen naar het
Ontworden
VLAMMENDE
LOGOS
angst voor de Vlam
EENHEID
vlam
----------------------------------------------
uit: De feesten VAN ANGST en PIJN (1918-1921)

angst
ANGST
IS
de dans van de geworden dingen naar het
Ontworden
VLAMMENDE
LOGOS
angst voor de Vlam
EENHEID
vlam
----------------------------------------------
uit: De feesten VAN ANGST en PIJN (1918-1921)

liefde
De teerste hartstocht, die 't genoegen
Der stervelingen 't meest vergroot,
Staat immer voor het nijpend wroegen
Der redeloze kwelling bloot.
Vrees, moeite en achterdocht bespringen,
Met felle woede, 't minnend hart.
Al vaak zijn kleine beuzelingen
De bronnen van de grootste smart.
Soms zwijgt de sprekendste bewustheid,
Wanneer de vrees haar stem verheft,
Daar 't hart, gefoold door ongerustheid,
Zijn eigen toestand niet beseft.
De Liefde, tuk op veinzerijen,
Die zij zich zelf te ontveinzen tracht,
Heeft zich al menigwerf in lijën,
Door schuldeloze list, gebracht.
ô! Mocht ik iets de hemel smeken!
Ik vroeg niet dwaas om rang of schat;
Maar, om een min , die voor het steken
Der kwelling niets te vrezen had.
Gezangen mijner jeugd en nagelaten gedichten (1790)

afbeelding
door KUILENBURG geschilderd.
Dus trof mij ’t Kunstpenseel van KUILENBURG naar ’t leven.
Naar ’t leven ? — Neen, ô neen, mijn leven heeft gedaan.
Dat heeft met Neêrlands bloei de laastste snik gegeven,
En ’t is geen leven meer, dat thans mijn borst doet slaan.
Vergeefs vraagt ge aan dit oog de kracht van vroeger jaren,
Dat vuur de Jonglingschap dat eens zo flikkrend glom:
Aan ’t voorhoofd, voor de tijd beschaauwd met grijze haren,
’t Verbeeldingrijk vernuft, beroemd bij ’t Dichtrendom.
De mond vergat sinds lang de kunst van ’t hart te kneden,
En de overreding week, die van dees lippen vlood:
De matte boezem zonk; en geest en kundigheden
Verstierven in de klem van d’algemene nood.
Wat zoekt ge, o Kunstvriend, nu, na de uitgeblaakte vonken,
De fakkel nog in de as, die van haar overschiet?
Ach! heeft haar scheemrend licht u ooit in ’t oog geblonken,
Waardeer naar ’t dove stof haar oude luister niet!
’s Gravenhage,
1794.

afbeelding
Mij schonk ’t geboortelot, bij flikkrend Dichtvermogen
Waar ’t oude Griekenland zijn eigen geest in kent;
(Voorvaderlijke vrucht, op d’echte stam geënt,)
Een hart, voor ’t woest gekrijs der menigte onbewogen:
Een ziel, aan tijd, noch lot, noch mensenwaan verkleefd,
Die de Almacht en zich-zelv' alleen tot rechter heeft.

zoeker
Nu ik me in 't reinst van de nacht
Met U vereenzamen mag,
Uit zich mijn twijfel als klacht
Gaf ik genoeg U deez' dag?
Werd mijn geduld en mijn daad,
Al wat ik derfde en dorst,
Sier voor Uw leest en gelaat
Lieflijk juweel op Uw borst?
En het geloof in de droom,
't Schoon waar de zoeker naar zucht,
Kroont het Uw lover, o boom,
Buigt het Uw takken als vrucht?
Weet, want de kostlijkste vreugd
Geldt slechts door 't licht van Uw lach,
Ziel, en het leed wordt tot deugd
Slechts door de troost van Uw ach.
Eens, als mij de ernstige dood
Boodschappend toefluistert: "nu",
Vind ik uit bitterste nood
Vlucht en bevrijding bij U.
Had ik Uw stof niet gevoed,
Nù met het merg van de man,
Nù met de klop van mijn bloed,
Zuster, wat restte mij dàn?
Opvluchten (1922)

sterfdag
Een sombre Zondag in november... Klopt
Een bleke vinger op de glazen deur,
Of is het wenend hemelen-getreur,
Dat lijze uit leiegrijze wolken dropt?
In 't haardvuur smeulen turven, murwe geur
Van rottend loof, dat in den slijktuin sopt,
Dringt door de ruitereten, afgetobd
Kreunt zwak de wind, een kind gesteld teleur.
Een herfstdag en een sterfdag... ik herdenk
De dode, die me, in ver verleden, gaf
Dit droeve leven, 't wanend groot geschenk.
Ik wil 't niet vloeke' en werpen van mij af,
Maar 't zingend dragen, tot de dood mij wenk'
Naar blauwe hemellente of donker graf.

maaier
O, ware ik maar een maaier.
Ik ging waar frisse kruiden staan
'k Zou ze allen vrolijk nederslaan...
Heisa, tjink, tjank, taioh!
Ik droog die rijke bloemenvracht,
Tot haar, die speelt in mijn gedacht
En die misschien mijn wens veracht...
Maar, God, ik ben geen maaier.
Heisa, tjink, tjank, taioh!
O, ware ik maar een jager,
ik trok naar 't geurig groene woud,
Waar 't wild zich vrolijk oponthoudt.
Trarah, pifpaf, haloh!
Ik droeg de tes met venezoen
Tot haar, die, wat ik denk of doen,
Mij nooit zul schenken ene zoen...
Maar, God, ik ben geen jager,
Trarah, pitpaf, haloh!
O, ware ik maar een schipper,
Ik trok dan naar de wijde zee,
En nam het vrolijk meisje mee.
Hiphip, hoezee, hoihoh!
Ik vloog de baren op en af
Met haar, die tot een helse straf
Mij nieuwe liefde in 't herte gaf...
Maar, God, ik ben geen schipper,
Hiphip, hoezee, hoihoh!
'De liefde in het leven' (1870)

dichter
Een gedicht van Victor A. dela Montagne 1854-1915
Er is een dichter gestorven: hij had 'ne goede naam;
nu komen de andre poëten luid jammerend te zaam;
zij strooien as op hun hoofden en zijn in rouw gehuld,
hun oog is met zilte tranen, met weemoed hun hart gevuld.
De dode heette een stumpert en machtloos nog voor één uur,
nu wordt hij op eens bevorderd tot stralend dichterfiguur;
nu wordt hij aanbeên, bewierookt in lijkkrans en sonnet
en nooit genoeg verheven op 't hoogste voetstuk gezet.
Het is een roerende wedstrijd wie 't hoogst hem roemen zal,
van alle harpen gutst er een klagende sylbenval...
Wie ook ondankbaar wezen, geen dichteren gewis:
zij zijn de dode zo dankbaar dat hij gestorven is...

de leegte
Een gedicht van Johan Danser 1893-1920
Eenmaal hebt gij mijn stil vertrek gewijd
Met even uw ontroerde aanwezigheid,
Met tooverklank van zoet-gesproken woorden
En teedere gebaren die bekoorden.
Ik had dat uur in zaligheid verbeid,
Met vreugd gevuld den al te langen tijd, -
En nu: in troeble bitterheid versmoorden
De droomen die me in eenzaamheid behoorden.
Uw afzijn pijnt mij als een staag gemis
Nu'k voelde wat uw lieve wezen is
Temidden van de vaag-beminde dingen.
En alles staat zo nutteloos en stom:
De boeken en de meublen rond mij om
Zijn dof en vreemd, zijn dóde erinneringen.

schepping
Omruist van zangrig bladgefluister,
door 't mystisch spel van licht en duister
omtinteld met een stalenkrans,
komt ge als een nevelschim gegleden,
nog vormloos ver ... maar diep aanbeden
in uw aanstaande schoonheidsglans.
'k Voel uw bezielende adem waaien
van verre. Zie! de bloemen zwaaien
u 't kleurig, reuzig geurenvat.
't Hosannah dreunt van boog tot bogen
of 't woud, in twijg en stam bewogen,
met mij u huldigde en aanbad.
Gij zijt gekomen... heel mijn wezen
trilt vreugdedronken... 'k grijp - gerezen
tot u - naar u, zo trouw verwacht,
ter vuurge omarming... vruchtloos pogen!
Uw vorm is wind... uw schijn is logen...
een hersenschim... een droomgedacht...
O! heerlijk beeld der ijdle dromen!
'k Wil u doen leven, u doorstromen,
u sterken met mijn levensgloed:
mijn vlees zal smelten, 't harte bloeden,
om u te vormen, u te voeden,
mijn eigen kind, mijn vlees, mijn bloed!
en 'k juich, daar de adem mijner longen
uw borst doet golven, - opgedrongen
van al wat mij daarbinnen beeft;
daar u de bloedstraal van mijn harte
dooradert, - u mijn liefde en smarte
en hoger hoop in de ogen leeft.
Uw blik, waar donkre glanzen zweven,
voert op een stroom van wonder leven
mijn ziekelijke schoonheidszin.
Kom! laat het waas van stille dromen
zachtlokkend om uw teerheid dromen
en treê, hooghartig, 't leven in.
Mijn kind! Geen liefde moet ge er winnen:
geen kan u toch, als hij, beminnen,
wiens hart u sprong tot levensbron;
maar, hem begrijpend in uw wezen,
zal m' in uw sprekende ogen lezen
al wat hij-zelf niet zeggen kon.

oktober-rozenknop
De rozen bloze' in 't broze oktoberblauw
En aadmen vrolijk hoop- en zomergeuren.
Eén knop alleen voorvoelt het herfstgebeuren
En wil niet bloeie' in najaars tranendauw.
Die bloem voorvoelt, in pronk van bonte kleuren
Vermomd, verborgen, zwarten bomenrouw,
In vleiend zoeltje, zoenend zonnelauw,
Kil-wrede wind, die ruw haar zal verscheuren.
In 't groene pantser, dat haar eng omkleedt,
Houdt zij beloken, als een kleinood veilig,
Haar smartehartje, zwaar van aardeleed.
De wolken dobbren, bootjes zilverzeilig,
Door 't broze blauw... En de éne bloem die weet
Zal valle' in knop, een jonkvrouw wijs en heilig.
De Gids (jrg 68) 1904

dichtergave
Niets dan woorden kon ik geven?
Vluchtige verganklijkheid
Van wat klanken die verzweven
Wijd en zijd?
En toch heb ik u geschonken
't Zuiverst wat mijn ziel bezat:
Konde van een diepst-verzonken
Schoonste schat.
Dichterwoorden zijn als stralen,
Die van smart noch waan besmet
In der harten afgrond dalen
Onverlet.
Dichterwoorden zijn als tranen
Van wie almaar wenen moet
Om een liefde nooit verstaan en
Toch zò zoet.
Dichterwoorden zijn als lachjes
Van een kindje, zilver-klaar,
Spelensluid of mijmerzachtjes,
Innigst-waar.
Dichterwoorden zijn als draden
Van een fijngeweven werk;
Toch zijn ook hun teerste waden
Wondersterk.
Dichterwoorden zijn als golven,
Nauw genaderd, weer gevloôn,
Rustloos rijzend en bedolven;
Eeuwig schoon.
Dichterwoorden zijn als vlindren,
Dwarlend over bloemenwei,
Wijd-verwaaide windekindren
En tòch vrij.
Zuiver, teder en waarachtig,
Sterk in hun gebondenheid,
Schoon in wissling, maatvol-machtig,
Waan-bevrijd,
Zullen dichterwoorden zingen
Uit de afgrond onzer smart,
Van de schat in aller dingen
Heimlijkst hart.

zee
Wanneer het lekker weer is
De natuur in blijden lach
Haalt pa zijn strooien hoed
En moe haar bloesje voor den dag.
De meisjes maken stijve papiljotjes in d'r haar,
De jongens kopen 'n zwembroekje dan is het zaakje klaar.
Om vijf uur 's morgens is het hele stel al in de weer,
Ze stappen naar 't station en vader zegt: ‘Ach buurtverkeer!’
Zandvoort bij de Zee!
We gaan naar Zandvoort bij de Zee!
Met vader met moeder met broertje en met zusje
Ome Piet tante Griet en het hele familiehusje
Gaat naar Zandvoort bij de Zee!
Nemen broodjes koffie mee,
Oh het is zo'n zaligheid,
Wanneer je van de duinen glijdt,
In Zandvoort bij de Zee.
Mamma zit in een kuil
Die kleine Kees gegraven had
En vader staat te grinniken
Bij het gemengde bad,
Mama zegt dat haar man een ouwe seisieslijmer is,
En tante roept: ‘Schei uit nu zus de zee is hier zo fris.’
Ze plast en tilt met brede zwier haar baaien rok omhoog,
Maar plots geeft z'een gil en schreeuwt: ‘De zee zit in mijn oog!’
Zandvoort bij de Zee!
We gaan naar Zandvoort bij de Zee!
Met vader met moeder met broertje en met zusje
Ome Piet tante Griet en het hele familiehusje,
Gaat naar Zandvoort bij de zee
Nemen broodjes koffie mee,
O het is zo'n zaligheid,
Wanneer je van de duinen glijdt
In Zandvoort bij de zee.
De snobs uit Amsterdam
In 't helder wit flanellen pak,
De ridders van de koude grond
Met 'n kwartje in d'r zak,
Die prefereren Zandvoort want je vindt er meer natuur,
Oostende is te banaal Monte Carlo is veel te duur.
Dies gaan ze naar Zandvoort zo beweren ze met klem,
En zingen keurig met hun halve zachte foscostem!
Zandvoort près la mer!
We gaan naar Zandvoort prés la Mer!
Met papa met mama met broertje en met zusje
Oncle Pierre tante Claire en enfin 't gehele husje,
Gaat naar Zandvoort près la Mer!
C'est très chique la, ce n'est pas cher,
O het is zo'n zaligheid,
Wanneer je van de duinen glijdt,
In Zandvoort près la mer.

de woning
Mijn kleine kamer, mijn laag huis,
Eng en vertrouwlijk als een kluis,
Waarover zich van wand tot wand
De grijsheid van de zoldring spant ;
Buiten de drempel het gebloemt,
Dat 't aambeeld en de hamer roemt,
Het goud, waaruit het is gesmeed,
De vinger, die zijn drift bestreed;
Opwaarts, gebeeldhouwd in het groen,
Een eedle boog, een fier festoen,
Zinvol omslingerd, los en slank,
Door 't krullen van een wingerdrank;
En zo, getooid met tuil en tak,
Welft zich 't lazuur van een licht dak,
Dat omgebogen, rein gerond,
De grens trekt van de horizont.
Hier is het, dat zich voedt en gloeit
De vlam, die uit mijn dromen bloeit,
En lofwerk, wand en koepel wijdt
Tot tempel ijl van eindloosheid.

herfstbos
Ik ril van schoonheid: vurig-wreed doorflitst
Hel geel de doff're kleuren van het woud,
Een stervensgil, een koortsgloed, felle vlek
Van gloeiziek kwijnen in het late jaar.
Schoon sterft het bos, een ridder zonder blaam,
Gedost in geel en hartverheugend rood,
Met helmpluim, die de veed'ren vliegen laat,
En helle lans met wapperende vaan.
Hij is ten dood gewond, maar nag weerklinkt
Zijn wakk're strijdroep, en op steig'rend ros
Rent hij ten aanval aan; en tot den kamp
Zijn krachten strekkend in een laatste vlaag,
Zijgt hij ter aard en spilt zijn schoon rood bloed.

de geslagene
Een gedicht van Johan Danser
Eens was ik jong: 'k begeerde een heerlijk leven,
Een leven als geen ander ooit bezat,
Een kleurig kleed. Nog heugt mij hoe ik bad,
Hoe blij 'k mijn wondre wijl begon te weven.
De tijd vervlood en 't werd een kostbre schat!
Maareens zag ik vlammen opwaarts beven
En in hun gloed mijn zere weefsel sneven, -
Niets bleef van wat ik zo had liefgehad.
En in mijn droefheid die zo diep verwond
De bange last der smart niet meer kon torsen
Zocht ik de wellust als een lage hond, -
Ik, nijvre man die zaaide en maaide en bond,
Doch toen hij trad de schone oogst te dorsen
In zijn garven slechts loze aren vond.

gedachte
o Gij, die 'k met de bittre borst der levens-wijzen,
die 'k voor een eeuwigheid met zwijgen heb gevoed:
wat bate? Geen die goud in uwe diept bevroedt,
noch weet op uw gelaat het uur der vreugd te wijzen...
Geen dageraad zal blijde uw blinde ruit berijzen;
geen zonne die, van vrede-wijdende' avond-gloed,
de moede wingerd om uw drempel blij door-bloedt;
en zelfs geen vriend staakt aan uw open deur zijn reize...
- De hele dag is rein waar gíj zijn wentlen doopt.
De perzik viert een vraag, dat gaaf ze, en ongenoten,
door úwe borst gelijk een zomer is gevloten.
Maar, hoe 'k voor u den angst der hoorders hadd' gehoopt:
nooit gaat uw nodend woord, 'lijk, alle deur gesloten,
de kreits des avond-lichts van lamp tot lampe loopt.

mensenwoorden
De mensen schijnen elkaar zeer te vrezen,
Daar zij zich steeds maar voor elkaar versteken
In woorden-weefsels, die geen hart doorbreken,
En in wier schrift geen mensen-hoofd kan lezen.
Zij liegen, die geen leugnaars willen wezen,
En zelfs, wie moedig wil de waarheid spreken,
Hij voelt de waarheid op zijn lippen breken
Vóór 't spreken zelf, - en is als één van dezen.
0, vloek van 't menslijk woord, dat niet vermag
Der ziele diepst bewegen weer te geven,
Maar steeds een schijnbeeld om die glorie maalt ...
0, vloek, dat mensen-traan en mensen-lach
Diep in ons eigen binnenst blijven beven,
Géén mens, schóón als zijn Zelf, voor ándren straalt.
Verzen (1894)

waarheid
Een gedicht van Gentil Antheunis
Bij een hemelreine bronne,
Eer zij 't groene dal bespoelt,
Heb ik dromende eens gezeten,
En mijn hete dorst gekoeld.
'k Heb het dal doorlopen later,
En gezocht de blanke vliet;
'k Vond er menig klare water,
Maar mijn bronne vond ik niet.
In de drang der eerste liefde,
Blozend, aarz'lend en verrukt,
Heb ik, jongeling, de eerste
Reine maagdenzoen geplukt.
Later heb ik, 't hart vol wonden,
Naar de heil'ge kus getracht;
Nergens heb ik hem gevonden,
Niemand heeft mijn leed verzacht.
Waarheid, uit uw zuiv're bronne
Heb ik mij gelaafd als kind;
Waarheid, maagdenblanke waarheid,
'k Heb als jongling u bemind.
'k Min u steeds nog, 'k wil u vinden,
Rusten, slapen aan uw borst;
'k Voel de twijfel mij verslinden;
Kom, en laaf mijn zielendorst.
Uit het hart! (1874)

smaak
Rijmloze verzen, in het metrum van de Griek,
Zijn lekker als — tabak. Die maakt gezonden ziek;
Wekt walging; ’t koude zweet breekt uit; het komt tot braken.
Maar ’t went wel en begint van lieverlee te smaken.
Ten laatste vindt men ’t heerlijk, en het heet:
'Zo’n fijn sigaartje is ’t keurigst dat ik weet.'
Gedichten III (1905)
