eieren

Een gedicht van Gerrit van de Linde 1808-1858
Eieren
Ofschoon men natuurlijk voor eieren eer naar een hen zou gaan,
Krijgt men echter geen goede eieren zonder een haan.

eieren
Een gedicht van Gerrit van de Linde 1808-1858
Ofschoon men natuurlijk voor eieren eer naar een hen zou gaan,
Krijgt men echter geen goede eieren zonder een haan.

feest
Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928
FEEST

draag
Een gedicht van August van Clauwewaert 1885-1945
Draag me zacht: door al mijn leden
Klopt het baemren van uw voet:
Draagt me zacht: bij iedre schrede
Drupt mijn klare, levend bloed.
Draag me zacht: door de ijle landen
Waait de nijd'ge wind zo koel;
Of zijn 't al uw kille handen,
Dood, die 'k om mijn slapen voel.
Draag me zacht, gelijk een blanke
Lampenvlam in woel'ge lucht,
Eer dees kostbaar-laatste spranke
Leven dove met een zucht.
Draag me zacht: hoe daalt zo dicht en
Hel de hemel over mij....
Ben ik reeds de sterrenlichte
Poort der eeuwigheid nabij....
Liederen van droom en daad (1918)

vrede
Een gedicht van C.S Adama van Scheltema 1877-1924
Vrede spreid gij uw zachte vleugels
Over de donkere aarde heen -
Over de moede en de gewonden,
Over de duizenden, die verzwonden,
Over al de snikkende monden,
Die verbleekt zijn van geween!
Vrede daal gij uit de lichte sferen,
Waarheen gij vluchtet voor deze wereldsmart,
Daal over hen, die u hebben verraden,
En over de dwazen, die op u smaadden,
En over de blinden, die om u baden,
Daal - daal gij weder in ons hart!
Opdat uw liefde daar weder wone,
Opdat uw liefde ons weer genas -
Liefde bove' onze ijdele wensen,
Liefde over alle ijdele grenzen,
Liefde alleen, van mens tot mensen,
Die eindelijk leerden wat liefde was!
Zingende stemmen (1916)

vuur
Een gedicht van Carel Scharten 1878-1950
Ik min u, smeulend vuur,
ik min uw stille dichtheid,
waarin het sluim'rend licht leit
te wachten op zijn uur!
Ik min u in de morgen,
die in het Oosten staat
met aarzelend gelaat
en houdt haar gloed verborgen.
Ik min u in de avond,
die sterft in lang verbloeden,
met diepe en diep're gloeden
zijn duistre moorder lavend.
Ik min u in de zang,
die in zijn klare kracht
betóómt de zware pracht
van Hartstochts hoog verlang.
Ik min u in de kleuren,
beslagen van de gloed
die hen versmelten doet;
en 'k min u in de geuren,
die zwemen van een mond,
dat rood en vochtig ooft,
wanneer Zij om mijn hoofd
de schuchtere armen rondt...
Ik min u, smeulend vuur,
ik min uw donker branden,
dat achter bleke wanden
waakt en wacht op zijn uur!
1910

rots
Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876
1.
Een rots in 't hart der zee,
Die, hoe de branding slaat,
Onwrikbaar tegenstaat;
Zó zij uw hart in 't kwaad!
2.
Eéns effent zich de zee,
Eéns wijkt gevaar en nood;
En 't loon der deugd is gróot,
In leven of in dood!
Al de volksdichten, deel 2 (1865)

sonnet
Ik ben geen Hollander, ik ben een mens
en alle mensen zijn mijn landgenoten,
ik voel mij niet door band of boei omsloten
dan door der Liefde wijd-getrokken grens,
mijn oog verdraagt geen microscoop, geen lens
die 't enge beeld onmatig zal vergroten
en van de wentelende wereldkloten
ken ik alleen de wereld van mijn wens!...
Er is geen kleur van huis, noch vreemde taal,
wij sterven allen aan dezelfde kwaal
die tussen dood en leven wordt gesponnen
en waar het eenzaam hart in wanhoop slaat
daar is het land waarin mijn vaandel staat
en waar de strijd in vrede wordt gewonnen! -

ach
Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899
Ach, hemellawerke, waar zit-je gij dan
zo luide en zo lange te preken,
waar dat ik met de ogen niet achter en kan,
al hebbe ik zo dikkens gekeken?
o Mocht ik u volgen en, vleriken aan,
lijk gij, in de hemel, de hoge,
te choore met de andere veugelen gaan,
en vluchten de mensen hun ogen!
Dan zonge ik, o vogel, en schaterde ik blij,
en niemand en zou het mij weten,
terwijl ik, aan 't zingen en 't preken, lijk gij,
waar' hoge op de wolken gezeten!
Hei, hemellawerke, mij liefelijk dier,
o, mag er een mens u wat heten,
kom neder, kom neder, kom nader, kom hier,
kom, wil toch een stondeke beten!
Verstond-je mijn tale zo 'k de uwe verstaan,
gij kwaamt en gij liet mij... Wat baat het?
Gij zingt, en mijn klachte ze en gaat u niet aan,
gij zingt en al 't ander - gij laat het!...
------------------------------
Hemellawerke - Leeuwerik
31 Maart 1859

zaterdagavond
Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924
Avond; aan de bleke blauwe lucht, zie
Hoe 't bloeisel van de sterren stil ontspruit,
Ach: nu vieren vromen de Sabbath uit
Met wijn en wierook, licht en melodie.
Mijn Vader schenkt de wijn over de randen
Van zijn beker, teken van overvloed;
Hij ruikt de specerijen scherp en zoet,
En zegent het licht met geheven handen.
Dit is zijn bede: ‘Die 't onheilig scheidt
Van 't heilig hoede ons in zijn veiligheid,
Vermere ons als sterren in 't nachtgetijde.’
Vader, Vader, hoe fel heb ik geleden
Sinds ik uw zegen schond en uwe beden
En 't heilig niet van 't heilloos onderscheidde.

gij
Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929
Gij wast aan mij gelijk de winde
die wentelt om een koren-aar;
dra zal ik aan mijn wang bevinden
de zoete streling van uw haar.
Dra zult gij 't glanzend voorhoofd beuren
tot waar mijn slapen komm'rend staan:
zo ziet men, wild, een winde geuren
naast 't wegend rijpen van het graan.
o, 'k Ben geen sterke; moe-gedragen,
verzwaart vaak de angst mijn levens-last;
maar 't is mij waar 'k uw wasdom schrage,
of blijde een échte steun me omwast.
Zo reikt de liefde, o mijn beminde,
verrijkt me uw liefde in vreze en vaar,
- gelijk een geur'ge wentel-winde
die sterkt en loont haar koren-aar.
Liederen voor een kind (1911-1912)

mensen
Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687
Wonderlijk zijn Gods almachtige werken;
Maar wij verzuimen der wel op te merken.
Treed op een mier, het en schijnt niet met al,
Evenwel in deze mier is het al
Wat w’in een machtige olifant vinden:
’t Schepsel is schoon, maar de mensen zijn blinden.

wijzen
Een gedicht van Heiman Dullaert 1636-1684
Gij die, gewoon omhoog met uwe geest te zweven,
de voorbeduidselen des Hemels, eer het daagt,
met gouden letteren op bruin azuur geschreven,
de op- en ondergang der aardse rijken vraagt:
Wat hope is uwe kunst van boven toch gegeven,
waardoor gij hier beneên zo zware landreis waagt?
Wat is er dat uw hart, door weetlust aangedreven,
uit uwe morgenstond naar deze middag jaagt?
Ja, wereldwijzen, ja, die reden is gevonden.
Terwijl uwe ogen vast de Hemelen doorgrondden,
verslingerde uw ziel op zoveel heerlijkheid.
En speurende uit het licht van een genadesterre,
dat hier de leidstar was, die derwaarts aangeleidt,
zo volgde uw graag geloof haar heilrijk spoor van verre.

stem
Een gedicht van Abraham van Collem 1885-1933
Er is een stem gekomen uit de stemmen
Veler vogels, zingend in de morgen,
Uit de klankroepers van de hoge dag,
Uit de kleurzaaiers op de witte ruimte,
Uit de verheugden is een lied ontstaan,
En kleine mensen op de aarde horen,
En kleine stappers op de bergen zien,
Zij zien het zwevende alom ontstijgen,
Zij worden zelve zwevenden, die stijgen,
Zij worden zelve zingenden, die zaaien,
Zij horen in het aanstormende koor
De stem des mensen schrijden, stem van God.
Van God en van de natuur (1921)

haven
Een gedicht van J.P Heije 1809-1876
Een scheepje in de haven landt
Gevuld met specerijen;
En menig flinke, jonge kwant
Met buidels, vol tot aan de rand,
En harten, vol verblijên.
Wel geurig kruid, wel blanke munt,
Wat zult ge nu gaan dwalen;
't Is, of ge nimmer einden kunt,
Zo komt, van ieder hoek en punt,
Een ieder van u halen.
Maar... als dan 't schip is leeggehaald,
Vindt Koopman en vindt Reder
Zijn specerij met goud betaald:
Doch - als uw zilver is verdwaald
Matroos!... waar vindt ge 't weder?
Een béétje pret, ná leed en last,
Wie zou het u misgunnen?
Maar - niet de zeilen vòlgebrast...
Toe! leg een reefje, waar het past:
Het zou eens s t o r m e n kunnen!
Al de volksdichten, deel 1 (1865)

smaakmaker
Een gedicht van Hilarion Thans 1884-1963
Nog houdt de omheining, als weleer
– een hoge muur – de hoven dicht.
De middag groent in schemer neer:
een loof-getemperd bovenlicht.
Dezelfde mooi-gebogen dreef
koel, zwijgend, als een kerkenbeuk.
Mijn tuinbank – of ze wachten bleef
verscholen onder rode beuk.
De merel, in de koepelkroon,
fluit bij deze avond als van oud?
Weer schakelt ginder toon in toon
het torenlied zijn keten goud.
Hier woonde ik, uur gewaar noch dag,
verloren in diep droomprieel –
tot ik veel vreemde steden zag,
en nam van ‘t grote leed mijn deel.
Ik weifel bij de tuinbank die ‘t
geheim van diepe stonden weet…
Was dit wellicht mijn laatste lied
van eigen lief en eigen leed?…
Verloren stroom (1920)

als
Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929
Als, bij moe-tanend avond-lichten,
angst daalt in onze aanwezigheid,
zijt gij 't, die voor onze aangezichten
de vreê der avond-lampe breidt.
Wij zitten en ons leden wegen,
zwaar van stil-naedre dage-dood;
gíj hebt zacht woorden die verplegen,
en breekt het vredige avond-brood.
En wij, die uwe gaven eten,
wij rusten in uw blijde haard,
en zien, ons leed bijna vergeten,
uw hand die stil de kruimels gaart;
en slapen in uw tere zorgen,
en raden niet, hoe troost-gewijd,
gij, voor u zelf misschien verborgen,
van lijde' een béetre liefde zijt.
Vader-huis (1903)

geduld
Een gedicht vasn Hilation Thans 1884-1963
Gelijk Gij niet gezegd hebt, toen Ge zocht
mijn ziel, verloren schaap, in bitter lijden -
een lijden met U groeiend door de tijden,
en dat zich, slinger-rank van doornen, vlocht
rondom uw huivre leden, tot het mocht
als dolken-kroon u door de slapen snijden:
‘genoeg! ik deed genoeg u te bevrijden!’ -
maar lijdend gaaft uw laatsten ademtocht;
zo schrei ik ook niet, 'schoon mijn klein geloven
wou dat uw hand de taaie rank besnoeit
die enger, hoger, om mijn lenden gloeit:
‘genoeg! ik deed genoeg uw Naam te loven!’ -
maar zwijgend dulden tot volgroeide pijn
zal kroon van doornen, kroon van glorie zijn.
Verloren stroom (1920)

vers
Een gedicht van J.W.F. Werumeus van Buning
Wat ik betreur te hebben niet bezeten
Is het geluk van menig burgerman:
De vrede van het huisgezin, en van
De kinderen, die mee aan tafel eten.
En ik weet wel, dat in mijn arm gelegen
De liefste is bezwijmd van zaligheid,
Dat ik de stem ken van de eeuwigheid,
En van het hart, dat mijn hart is genegen.
Maar dit is alles niets, al deze dingen,
Gezegend, en te min; 't is eens niet meer;
Men hoort de vogels in de bomen zingen,
De jaren gaan, de winter keert steeds weer,
De sterren staan. Ik heb niet goed gekozen.
Wat doet een bedelaar met rode rozen?

winter
Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1877-1924
Stiller, stiller, stiller zakken
Nacht en dagen om mij heen –
Als de sneeuw de dorre takken
Dekken zij ’t verleên.
Doch hun hout wacht, diep verborgen,
Menig, menig wederkeer,
En mij komt de jonge morgen
Nimmer, nimmer weer!
Wie gebloeid heeft en gedragen,
Houdt herdenking tot genoot –
Hij heeft God niet meer te vragen
Dan de stille dood.
De keerende kudde (1920)

geboorte
Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939
[Maria-lied]
Toen het kleine kindje was geboren,
Bleef er in het hart van zijn verkoren
Moeder slechts een moeheid, en ze leed.
En ze lachte smartlijk, toen zij even
Weer terugdacht aan het eerste beven
Van zijn leven in haar, en ze kreet.
Nu begon voor beiden het gescheiden
Wezen... en zijn zijden kopje vlijde
Ze aan het snelle hijgen van haar borst.
En haar liefde en het angstig kloppen
Van haar hart vervloeide in de droppen
Van de lafenis voor zijne dorst.
En ze wist: nu had ze hem verloren,
En ze hàd geen kind, was maagd gelijk te voren,
Want haar diepe liefde was te klein.
En ze schrok, en zag in zéker weten,
Hem wéér liggen op haar schoot... verreten...
Dan zou zij zijn gróte moeder zijn.
