Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

thuis

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Thuis.

Is de schotel ook wat schraal,
Is de brand wat bijster krap,
Zijn de kleertjes al wat oud:
Liefde houdt de plunje knap.
Liefde saust het sober maal,
Liefde warmt nog meer dan hout, —
Liefde draagt malkanders kruis....
Liefde vind-je niet, dan thuis!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:33 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Benjamin

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

 

Benjamin–af

Haast ben je niet meer Benjamin,
Dan neemt een ander je plaatsje in,
    Mijn lieve, kleine jongen!
Dan zet je moeder je neer op de grond,
Dan zegt je vader: loop heen, loop rond –
Je wordt door een aapje verdrongen.

Haast ben je niet meer Benjamin
Dan krijg je niet altoos meer je zin,
    En moogt je fortuin gaan zoeken,
Dan eet er een ander de kaas van je brood,
Dan heerst er een ander op moeders schoot –
Een koninkje in linnen doeken.

Dan sta je gelijk, jij, met je andere broers,
En maak je spektakel, men noemt u jaloers,
    Men lacht om uw gramschap, klein wichtje!
Dan, wie er je soms nog beschermen moog –
Een ander heeft ieders hart en oog,
    In spijt van je lieve gezichtje!

Ja, haast ben je niet meer Benjamin,
Je rijk heeft uit en een nieuw neemt begin,
    Zo gaat het met de aardse rijken!
’t Is goed dat je dit nu maar vroeg ondervindt:
Het loopt in de wereld niet anders, lief kind!
    Dat zal je licht later blijken.

Eerst wordt je vertroeteld, eerst ben je de man!
Maar denk je, dat het lang duren kan?
    Wel neen, slechts een poosje, mijn baasje!
Dan komt er een wolkje in ’t verschiet...
Dan komt er een aapje, dat je eerst niet ziet...
    Hij schreeuwt en zit op je plaatsje!

Dichtwerken (1869)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

de pauw

Een gedicht van Francois Pauwels 1888-1966

DE PAUW

De pauwe staat
in pronkgewaad,
ruisend rillen z'n veren,
hij schudt z'n pracht
alsof met kracht
wind er langshenen kwam scheren.

De fijne kop
bloeit als een knop
dicht aan de waaier van ogen,
die bont en rond
tot op de grond
sierlijk is uitgebogen;

en als een vorst
zwelt hem de borst,
groen en wiss'lend van glansen,
geheven koen,
als fier blazoen
tegen der zonne lansen.

Zo staat hij daar
en heel de schaar
needrige duiven en hennen
is voor de vang
dier steerte bang,
vliedt de pralende pennen.

Plots valt de vracht
der vederen zacht,
zacht naar achteren bijénen,
en als in rouw
gaat nu de pauw
stil op zijn schubbige tenen,

naar 't grote hok
met haan en klok,
zijn parmantige woning,
en 't is alsof
de ganse hof
treurt om een dode koning.

Verzamelde gedichten (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:20 Reageer op dit bericht

voorschrift

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1944

Voorschrift

Trek de woestijn in,
laat de karavaan
de groene rijkdom der oasen,
u zij de dorre oceaan
van zand; goud en topazen
bewaart ge niet,
die zijn voor uw vriendin,
de koningin van Scheba;
de stierenvechter laat ge de arena,
de volkstribuun
het duizendvoudige gehuil
van de hyena's
die beurtlings ‘kruist hem’
en ‘hosannah’ roepen;
gij gunt de boetprofeet
zijn sprinkhaan en zijn kemelshaar.
ontgin, waar niemand
vruchtbaarheid vermoedt,
elke woestijn heeft zijn wel;
geloof onafgebroken:
hier móet water zijn;
uw enige toeverlaat
zij het woord:
‘o, bolwerk, o, citadel,
bekleed mij met
een nieuwe mantel,
laat het firmament
mijn huis zijn,
zorg, dat mij niemand kent.’
vraag elke dag
een witte keursteen
en het onbeperkt gezag
van een nieuwe naam.

Verzamelde gedichten (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:32 Reageer op dit bericht

verjaardag

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1885-1968

Een verjaardag

Nooit hebben de rozen zo schoon gebloeid,
Nooit zag ik den heel zó blauw,
Nooit was het gras zóó blij getooid
Met diamanten van dauw.
Ik had een rose kleedje aan,
En stond bij 't struikgewas.
Een vogel zong een lied.  Hij dacht,
Dat ik een roosje was!

Nooit heb ik het veld zó onrustig gezien.
Ik liep door het golvende graan,
Daar heb ik de brievenbesteller ontmoet;
Ik sprak hem even aan....

Ik had een rode blouse aan,
Met grote, zwarte das.
Er was een kleine bij, die dacht,
Dat ik een klaproos was!

Nooit is mij de eenzaamheid zó zoet,
Zo vol vertroosting geweest,
Ik stond alleen in de maneschijn
Na afloop van het feest.
Ik had een wit japonnetje aan
En stond in 't hoge gras.
Een vlinder kuste mij goede nacht
Alsof ik een lelie was!

schrijver

Geschreven door Dora om 22:02 Reageer op dit bericht

hulkje

Een gedicht van Hajo Spandaw 1777-1855

Het hulkje der liefde

Aan mijn gade



Dierbare! op de reis van 't leven
mijn getrouwe tochtgenoot!
Die me in 't moeilijk voorwaarts streven
steeds uw raad en bijstand bood!
Lieve! in voorspoed en gevaren
voer ge nu reeds zes paar jaren
welgemoed en rustig mee
in het hulkje van de liefde,
dat de vlotte golven kliefde
van de onzeekre huwlijkszee.

Vrouwen, zegt men, zijn niet moedig,
siddren bij 't geringst gevaar;
doch ge leerde mij al spoedig,
dat die uitspraak laster waar:
niet slechts onder 't spelevaren
op de gladgekamde baren
roeiend met de ranke boot;
ook bij 't huilen, koken, woeden
van de stormen, van de vloeden
waart ge een trouwe reisgenoot.

Zagen we, onder 't woest geklater
van 't geweldig golfgeklots
nu 't verderf in 't peilloos water,
dan de dood op klip of rots;
gierde en kraakte want en steven,
konden wij geen zeil meer reven,
brak de branding 't ankertouw;
moest het scheepje schokken, slingeren,
slipte 't roer mij uit de vingeren...
Gij, ge bleef onwrikbaar trouw.

Ja! uw trouw is mij gebleken
meest in 't barnen van de nood:
ach! ik was voor lang bezweken
zo ge mij geen bijstand bood.
Blijf het moedig met mij wagen!
En... God! is 't uw welbehagen
haar, die mij uw liefde gaf
van mijn zijde weg te rukken...
Brijzel dan mijn hulk aan stukken!
Red er slechts mijn kindren af!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:16 Reageer op dit bericht

blijf

Een gedicht van Abraham van Collem 1885-1933

Blijf vrolijk, of het sneeuwt of regent

Blijf vrolijk, of het sneeuwt of regent, weest
Geneigd, u aan de blijdschap weg te geven,
De blijdschap is een kruid dat u geneest,
Wanneer gij vol en zat zijt van dit leven.

Ge moest zijn beker drinken tot de grond,
Maar ’t was niet louter wijn, dat gij mocht drinken.
Steek dan de vinger diep in uwe mond,
En werp uw inhoud weg met hoge krinken.

En kijk uw beker aan, zoals hij kijkt,
Die had te diep in ’t grote glas gekeken,
En wie een glimlach het gelaat bestrijkt,
’t Was wrang – en ’t had hem toch zo zoet geleken.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:24 Reageer op dit bericht

Pasen

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Pasen, Pasen

Pasen, Pasen,
luide klinke
nu de slag van
lerke en vinke,
nu de stem van
mense en dier! 
Pasen, Pasen,
wijd het vier, 
wijd het licht en
pin de lampen,
laat de verse
wierook dampen:
Hallelujah,
't jok is af 
van de dood en
van het graf! 

Pasen, Pasen,
opgestanden,
is de God, die
boze handen
hadden aan het
kruis gedaan: 
Pasen, Pasen,
vrij voortaan, 
heeft Hij hout en
steen en ijzer
overwonnen,
die, Verrijzer,
Hallelujah,
één uit al, 
leeft en immer
leven zal! 

Pasen, Pasen,
dwaze mannen
dachten Hem in 't
graf te spannen,
met Pilatus'
zegelmerk: 
Paaschen, Paaschen,
ijdel werk, 
ijdel waken:
God almachtig
is verrezen,
eigenkrachtig,
Hallelujah,
dóór de steen, 
eer de zonne in
't Oosten scheen. 

Pasen, Pasen,
luide klinke
nu de taal van
lerke en vinke,
nu de taal van
mense en dier! 
Pasen, Pasen,
wijd het vier, 
wijd het licht en
spijs de lampen,
laat de blauwe
wierook dampen:
Hallelujah,
God is groot: 
Overwinnaar
van de dood! 


1890

schrijver

Geschreven door Dora om 19:43 Reageer op dit bericht

druilende dag

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Druilende Dag

Binnenvaartscheepjes met zwart-glanz'ge rompen
Liggen te domm'len langs de kade-lijn
In regenschemering, als donk're klompen,
Die kinderlijk getuigd met lompen zijn.

Een vlagje rook, van diep ultramarijn-
Blauw, dat de vochtbezwaarde nevels dompen
Waar 't even wappert, wimpelt uit het stompe
Vierkanten houten schoorsteenpijpje; een klein

Bruin glimmend schipperke loopt langs de boord
Van 't schip, blaft naar zijn buurman, om gestild
Druilstaartend, 't trapje af naar de roef te gaan.

Dan valt de nacht; de schipper hijst aan 't koord
Het mastlicht op, dat vreedzaam medetrilt
Met stadslantarens, die op schildwacht staan.

Gedichten (1918)

schrijver

Geschreven door Dora om 00:00 Reageer op dit bericht

vrijdag

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

o Vrijdag, die de mens gemaakt

o Vrijdag, die de mens gemaakt
ons voorhoudt, in de bladen 
van Gods eerweerde daden, 
als kind van stof en aarde, en iet
dat Gods aanbidlijk wezen ziet:
zij God in u geprezen 
en Zijn almachtig wezen! 

o Vrijdag, die het kruis geplant,
die zaagt het heilig stromen 
eens, aan de boom der bomen, 
van Jesu Bloed, dat Adams ras
en schuldig bloed genezend was:
zij God in u geprezen 
en Zijn bermhertig wezen! 

o Vrijdag, goede Vrijdag, eens
zag Brugge uw zonne dagen, 
door listen en door lagen 
van slavernij en vreemd geweld
benauwd, gekrenkt, omneergeveld;
maar eer zij was volrezen, 
vrij, Brugge, mocht gij wezen! 

Vrij, Brugge, waart ge, en vrij voortaan,
door Breydel en de Coninc; 
in 's Vlamings vrije woning 
blijft nog door 't Vlaamse volk gevierd
de dag als hem verlossing wierd,
en als het vrij mocht wezen, 
door 's Heren Bloed geprezen! 


1887

Tijdkrans

schrijver

Geschreven door Dora om 17:11 Reageer op dit bericht

vers

Een gedicht van J.W.F. Werumeus 1891-1959

Een oud vers

Wat ik betreur te hebben niet bezeten
Is het geluk van menig burgerman:
De vrede van het huisgezin, en van
De kinderen, die mee aan tafel eten.

En ik weet wel, dat in mijn arm gelegen
De liefste is bezwijmd van zaligheid,
Dat ik de stem ken van de eeuwigheid,
En van het hart, dat mijn hart is genegen.

Maar dit is alles niets, al deze dingen,
Gezegend, en te min; 't is eens niet meer;
Men hoort de vogels in de bomen zingen,
De jaren gaan, de winter keert steeds weer,
De sterren staan. Ik heb niet goed gekozen.
Wat doet een bedelaar met rode rozen?

Dagelijksch brood (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:25 Reageer op dit bericht

zingen

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

Zingen

Gij leeuwrik en gij nachtegaal
Al zingt gij heel verscheiden
Toch hou ik van u beiden
En hoor graag naar uw zoete taal
Wanneer ik dwaal
Door bos en veld en weiden! -
En naar uw juichen en geklag
Mocht ik wel luistren nacht en dag.

Gij leeuwrik stort in mijn gemoed
Een lust en kracht tot leven
Tot werken en tot streven
Wanneer gij juichend d’ eerste gloed
Des morgens groet...
En, wàt mijn hart doe beven,
't Is of ge er vrede en rust in giet
Zacht-kwelend nachtegalenlied!

Gij beiden leerdet me overlang
Al wat de borst doet jagen
Of zuchtend doet vertragen
Dat uit het bèst zich in de drang
Van zoet gezang
Met juichen en met klagen: -
En iedre toon van vreugd en smart
Vindt bron en weerklank in het hart.

Volksdichten (1884)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:54 Reageer op dit bericht

christenen

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

Christenen, Joden, Parsen, Moslemin

Christenen, Joden, Parsen, Moslemin
zij dolen allen; voor wie toe wil zien,
vervalt de ganse mensheid slechts in tweeën,
twee soorten enkel worden er ontdekt:
intelligente mensen zonder vroomheid
en vrome mensen zonder intellect.

Oostersch III (1926) (Verzen naar Perzische en Arabische dichters)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

konijnen

Een gedicht van René van Genderen Stort 1886-1942

Ik zie in mijn verbeelding de konijnen

Ik zie in mijn verbeelding de konijnen
Weer sluipen door de helm en door het zand,
En duinrozen ontbloeien en weer kwijnen,
Terwijl de golven breken op het strand.

Gij, mollig diertje, bedeesd is ook uw wezen,
Uw vacht wordt zacht door zon en wind gekoosd,
Uw bout, gekruid, is wellicht onvolprezen,
Gedijen moge steeds uw willig kroost.

Ge zijt heel anders dan uw neef, de haas,
Want vreedzaam kunt gij toeven in een kooi,
Daar zijt ge veilig, wordt ge vet, gij dwaas,
En valt ge niet des jagers strik ten prooi.

Doch liever zie ik u in een warande,
Omheind gebied, en waar ge holen graaft,
Daar zijn ge saam met duiven en fazanten,
In de Natuur, die allen voedt en laaft.

Najaarsvruchten (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:54 Reageer op dit bericht

melancolie

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Melancholie

Melancholie van scheiden en hervinden,
Stadig verliezen en verloren gaan,
Van binden en gebonden zijn; beminden
Aan dood en leven eeuwig af te staan,

Hoe komt ge mij, waar bitse winterwinden
Hun ijzige gesels op de woning slaan,
Door leed geboog'ne en door liefde verblinde,
U weer te melden met Uw oud vermaan!

Altijd in 't leven als 'k Uw bijzijn duchtte
Wist Gij mij te hervinden, waar 'k ook vluchtte;
Nu vond ik heil als nooit te voor verwacht,

En tòch hebt gij óók déze weg gevonden
En doet bij regensneeuw en storm de ronde
Waar 'k wakker lig de lange winternacht.

Ad interim, jrg. 4 (1947)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:43 Reageer op dit bericht

lome

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Ter lome zee met slappe zeilen

Ter lome zee met slappe zeilen
onder eenzelfde lamme zon,
en steeds het onveranderd-ijle
aan elke nieuwe horizon;

aldóor de dagen áldoor varen
een onverschill'ge avond toe,
en eindeloos het loom verzwaren
der lamme leden, hooploos-moe;

en nimmer, nimmer slapen mogen,
maar steeds naar horizonnen spiên
met starre en pijnlijk-sperrende oogen
die zelfs de zwarte nacht niet zien...


1912

Verzen van 1899-1914

schrijver

Geschreven door Dora om 22:54 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Hendrik Tollens 1780-1856

 

Aan Filira.

Wat tooit ge met benijde vingren
Die schone boezem schoner op?
Wat vlecht ge blaadje, bloempje en knop,
En doet ze óm ‘t  fladdrend rokje slingren,
Terwijl ge 't haar met loof borduurt,
En spieglend in het vlietje gluurt?

Hou op! de tooi, waarmee ge u siert,
Verbijstert en verblindt mij de ogen!
Hou op! zo ge eens nog schoner wierd!...
Ik zou niet langer 't harden mogen.
Hou op! mijn boezem jaagt... Laat af,
Of zoveel schoonheid wordt me een straf.

Waartoe die dartle toverpracht?
Of eerde ik niet genoeg uw macht?
Beheerst gij niet genoeg mijn zinnen?
Och, spaar die praal, mijn liefde een hoon:
Gij maakt wellicht u meerder schoon,
Maar nimmer kan ik u meerder minnen.

Een twaalftal minneliedjes.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

wanklank

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Wanklank

Dagelijks meer eerzuchtig
En minder in staat tot iets groots,
Telkens wanhopender roepend
Om kracht of de kalmte des doods,
Dagelijks vuriger wensend
Naar schoonheid, gezondheid en vreugd,
Dagelijks ouder en bleker,
En verder van blijdschap en jeugd -
Ik zit in de bloeiende velden,
Die schittren van zonneschijn,
En alles is jeugdig en vrolijk -
Ik schaam mij hier buiten te zijn!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

de lente

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

  

De lente - ik sta midden in haar -

De lente - ik sta midden in haar -

o daar komt ze daar daar
daar vliegt ze op mij aan, ze zoent me,
ze zoent me, ze zoent me en ze noemt me
haar zoete ademen, woord voor woord;
o en daar vliegt ze voort
de honnege fladderende lente,
daar naar de verte, daar naar de horizonnerige tenten,
de zilveren, zilvervoetige, zilverhandige lente,
de zomerige lente.

Kijk nu, ze strooit de zomer rond
die vliegt om haar rond
uit haar mond,
rond haar boezem, haar gladde rug, haar benen
zo donslicht omschenen,
ze gaat langs de horizonnen
maar aldoor omme,
ze heeft toch zo veel, ze kan geven
wel, zie het lichte sneven
van al dat kwijnende levende stervende opflikkerend licht
en daar midde' in haar gezicht
zie je het wel, zie je het wel -
hoe licht hoe wit hoe goud hoe schel,
hoe kunnen we het toch verdragen
van ochtend tot avonddage,
kom weer, kom bij me weer
gij mijn lieve, mijn lieve, lieve, lieve ogenbegeer.

O ze valt op mijn borst,
haar mond midde' in de dorst
van mijn mond, haar rode zachte weke punttong -
't is of ze helemaal in me drong.

Verzen (1890)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:30 Reageer op dit bericht

winteravond

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

  WINTERAVOND

Ook nu het avond wordt,
Heer blijven we op U hopen,
Het winterdaglicht kort,
Hoe traag de dagen kropen.

Het water is zo diep
En donker, de lantaren
Beschampt de oeroude baren,
Waarin de wereld sliep.

En als de smalle boot,
Waarin ik word gedrongen,
Van levens wal afstoot,
Hoe hoog de golven sprongen,

Van u komt heil en heul,
Mijn lamp blijft helder branden,
Uw olie drupt een geul
Van rust tot aan Uw stranden.

Het westen is al nacht,
Maar ’t Oosten vlamt van vuren.
Ik weet, ik word verwacht,
En blijf bij U, zolang Uw dag zal duren.

De Stille Tuin (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:42 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten