Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

zon

Een hartenkreet van Ria Wassenaar

Zon, zee en strand

Als de zon haar kracht
heeft verloren
maar haar gloed nog even
de rimpeling van de zee
zacht streelt en laat gloren
verdwijnt zij langzaam
achter de horizon
golfjes kabbelen
ongestoord
op het strand
zij wissen alle sporen van de dag
uit het zand
alleen het geluid
van de branding ruist zacht
en de avond gaat
over in nacht

Klik hier voor meer gratis plaatjes

Geschreven door Dora om 10:41 Reageer op dit bericht

1 reactie op dit bericht

Patricia3 juli 2010 om 13:08

Weet dat niks in deze schepping zijn kracht kan verliezen. Mooi gedicht om over na te denken. Heb een aangename weekend.

Want een mens kan u de toekomst niet voorspellen. Bovendien is uw eeuwige toekomst veel belangrijker dan uw korte leven hier op aarde.
</div></body></html>
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Rosa

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

Rosa Luxemburg

Rosa, grootse, eedle, machtige Vrouw,
Met uw klaar verstand, uwe reine liefde
Voor de arbeidersklasse, uwe Geliefde,
Aan welke alleen gij uw leven trouw.

Gij ging zoals een hoge klare ster
De arbeidersklasse voor, uwe Geliefde,
In de strijd, - en uwe klare liefde
Lichtte voor hen uit, ver, alleen en ver.

Gij stierf. Waardoor? Door 't kapitaal vermoord,
Maar ook door de arbeiders die u verlieten,
Die u alleen met uw vijanden lieten,
En niet luisterden naar uw verre woord.
Uw liefde stierf, omdat gij werd verlaten
Door de Duitse arbeiders, die Uw liefde haatten.

Uit de bundel: Liedjes (1930)

Geschreven door Dora om 13:44 Reageer op dit bericht

herberg

Een gedicht van Arnold Sauwen 1857-1938

DE HERBERG

Herbergzaam huis, dat wel een eeuw daar ligt
de landweg langs die leidt naar verre steden,
hoe velen hebt ge, als tot een gastvrij sticht,
uw uitgesleten dorpel op zien treden.

Wie moe zijn stap de avond tegenricht
en loomheid zwaar voelt wegen in zijn schreden,
groet blijder hart van wijd uw lampelicht,
waar zoete nachtrust wacht zijn matte leden.

Wel hem die eens, langs zijne levensbaan,
het huis van zijn verlangen in mag gaan,
waar teedre zorgen zijne komst verbeiden;

waar, als waardin, ten drempel Liefde wacht,
het welkom spreekt bij dis en haard en zacht
haar blanke handen 't warme bedde spreiden.

Uit de bundel: Uren van eenzaamheid, L. Opdebeek, Antwerpen

 

Geschreven door Dora om 15:59 Reageer op dit bericht

vrouwen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Voor andere vrouwen

Eens legt mijn ziel haar last van lijden af,
Maar 't zal niet zijn aleer ik slaap in 't graf.
Dan zingt een vogel, die het oog niet ziet,
Dit moede hart een vrede- en vrijheidslied.
En andre vrouwen ('t smart mij dat ik 't weet!)
Zullen dán lijden wat hun zuster leed.
Zie! voor die andren, die nog tripplen thans,
Met dartle voet, in jonkheids jubeldans,
Het rozenaanschijn in het morgenlicht,
Blijft dichten zoet mij, als een moederplicht.
Blaadren zij later in dit boek van mij,
Wie 't kan ontberen, werpt het wel ter zij,
Doch die geknakt is door de storm der smart,
Die dringt mijn lied wel diep in 't bloedend hart.
Dan wijlt ze een pooze en droomt - en zalvend zal
Haar wonde zijn de zachte woordenval,
De sluizen openend van 't gesloten leed.
Dan zal zij wenen, als ik vroeger deed.
O voor die tranen vol verlossingskracht,
Wil ik nog zingen in mijn lijdensnacht,
Tot zacht de dood zegt: - ‘Kom, nu zijt ge moe’
En dekt mij stil met aarde en bloemen toe.

Uit de bundel: Liederen (1892)

Geschreven door Dora om 11:12 Reageer op dit bericht

hitte

Een gedicht van C.S Adama van Scheltema 1877-1924

Hitte

Hoog staat het stralend witte zonjuweel
En slaat zijn hete licht op 't land te gruis,
De zilvren vlammen laaien uit 't hemelhuis,
De barnende aarde blakert grijs en geel.

Elk buigt zijn rug onder het zware kruis
Van vlammen, een last van vuur, - het lijkt of heel
De wereld brandend draait, - de zon ziet scheel
En kookt het gulzig zweet op 't heet fornuis.

Kon ik die zon aan bei mijn borsten drukken
En drinken van haar licht, dat ik in dagen
Van duisternis de mensen zou verrukken!

Wie dorst zijn ziel in 't barre zonlicht dragen,
Om uit zijn hart voor andren de oogst te plukken, -
Wie dorst om zweet - wie dorst om waarheid vragen?

Uit de bundel: Eerste oogst (1918)

Geschreven door Dora om 22:36 Reageer op dit bericht

loflied

Hier volgt het loflied van de schepselen dat de Heilige Franciscus tot lof en eer van God gemaakt heeft, toen hij ziek lag in San Damiano.

Allerhoogste, almachtige, goede Heer,
u komt de lof toe, de roem, de eer en alle zegen.

U alleen, die de hoogste bent, komen zij toe,
en er is niemand die waardig is, uw naam te noemen.

Geprezen moet u zijn, mijn Heer, met al uw schepselen,
en vooral ook heer Broeder Zon,
die de dag zelf is en door wie u ons verlicht.

En hij is zo prachtig, zoals hij schittert met lichtende stralen,
van u, allerhoogste, draagt hij het heerlijke teken.

Geprezen moet u zijn, mijn Heer, door Zuster Maan en de sterren,
die u aan de hemel hebt gemaakt, als kostbare lichten van verre.

Geprezen moet u zijn, mijn Heer, door Broeder Wind,
door de lucht vol wolken, die ook weer op kan klaren,
door de wisseling van weer, waar uw schepselen wel bij varen.

Geprezen moet u zijn, mijn Heer, door Zuster Water,
die zo nuttig is, zo nederig, zo kostbaar en kuis.

Geprezen moet u zijn, mijn Heer, door Broeder Vuur,
door wie u de nacht verlicht, en hij is zo prachtig en speels, zo stoer en zo krachtig.

Geprezen moet u zijn, mijn Heer, door onze zuster Moeder Aarde,die ons wil voeden en behoeden, die allerlei vruchten voortbrengt en kruiden en bonte bloemen.

Geprezen moet u zijn, mijn Heer, door hen die vergeven om uwentwil  en die ziekten en tegenspoed verdragen.

Gelukkig zijn zij die dit dragen in vrede, want u, allerhoogste, zult hen belonen.

Geprezen moet u zijn, mijn Heer, door onze zuster de Lichamelijke Dood, aan wie geen levend wezen kan ontkomen.

Wee degenen die sterven in een toestand van doodzonde;
gelukkig zijn zij die de dood aantreft in overeenstemming met uw heilige wil, want de tweede dood zal hen niet deren.

Laat ieder mijn Heer prijzen en zegenen,
Hem danken en dienen met grote nederigheid

Klik hier voor meer gratis plaatjes

Geschreven door Dora om 22:23 Reageer op dit bericht

café

Een gedicht van Jacobus van Looy 1855-1930

Café

Waar, vlam-rood, rozen in de rooie zalen
Bloeien in kronen en 't goud rommedomt,
In spiegel-wanden duizendvoud weerómt,
Komen we, nachtvolk, op het licht aandwalen.

Dan in geroes van vele vale talen,
In spraak-gewar dat Babylonisch gromt,
We hurken om tafels, naar elkaar gekromd,
Als om een vuur, doende ónze buit-verhalen.

Daar zitten we onder zuilen als in dag,
Stoer lijf bij lijf, elkaar, wijl de uren vliegen,
Vertrouwelijk van 't leven te beliegen.

De vrouw-gerokte kellners brengen ons drinken.
Hóór, door de rooie rook joelt onze lach...
De zaal 'n burcht is... de klare glazen klinken.

Uit de bundel: Gedichten 1884-1925

Geschreven door Dora om 23:42 1 reactie Reageer op dit bericht

zwerven

Een gedicht van Arnold Sauwen, 1920

ZWERVERSLEVEN

Wat norse wrevel legde in uw borst
die wondre drang om, met uw kinderbende,
jaar in jaar uit te zwerven zonder ende,
uw orgel draaiend voor de schrale korst;

Gij die u nooit aan werk of tucht gewende;
met onbezorgdheid uw bestaan omschorst,
en willig op uw sterke schouders torst
de jammerlast der dagen van ellende?

Van d'arbeid wars, trekt gij door dorp en steê
en speelt uw lied en voert uw have mee,
uw dempig peerd en uw gehuifde wagen;

En vraagt der wereld niets dan 't bedelbrood
en 't plekje gronds waar, bij elk avondrood,
voor éne nacht uw tent wordt opgeslagen.

Uit de bundel: Uren van eenzaamheid, L. Opdebeek, Antwerpen.

Geschreven door Dora om 12:05 Reageer op dit bericht

late

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

De late chariten 2

Aan u, die 'k heb bemind om 't water van uwe ogen,
fontein die zindert in de zonne van de smart,
- gij die het martlen kent van 't dorre mededogen
en 't hunkren naar de liefde in hoogmoed uitgetart;

Aan u, die 'k heb bemind om 't vlammen van uw handen,
- o vleien om het vlees dat als een beek vervliedt;
o reiken van 't gebed dat slechts in de ijlt' kan branden;
o wegen in de schoot die 't leven wepel liet; -

Aan u, die 'k heb bemind om de urne van uw lenden
te zuchtend vol, helaas, of al te huilend ijl;
om uwe leên die 't leeg bedrog der reize kenden;
om uwe borst die leed de pijn van voedend heil;

Aan u, aan u vooràl, die buiten zelf-misleiden,
uw star vermogen mat aan de eige' onroerbaarheid:
schoonste, dewijl ge zelfs om schoonheid niet zoudt lijden;
hoogste, dewijl ge zelfs u-zelve onreikbaar zijt;

- Veelvuldige, die 'k, bang voor hopen en verlangen,
wou steunen als een man en troosten als een kind:
aan U, de Vrouw, 't geheim van dees verzwegen zangen,
Gij die 'k beminde; Gij die míj níet hebt bemind.

------------------------------------------------
wepel: ledig

Uit de bundel: Het zatte hart (1926)

Geschreven door Dora om 11:35 Reageer op dit bericht

zonen

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

MIJN ZONEN of RAMPSPOED GEEFT RECHT OP DRONKENSCHAP

Haast al mijn haar is al grijs,
Vol rimpels mijn gezicht.
Toch is het mij goed gegaan :
Geen dochter heb ik en vier zoons.
Maar allen haten papier en penseel.

A Sjoe is achttien,
AIleen in luieren is hij een meester.
A Sji An doet zijn best,
Maar in zijn hart haat hij de Letteren.
Yoeng Twan is dertien,
Maar kan geen zes van zeven onderscheiden.
Toeng Tse, toch al negen jaar,
Heeft alleen verstand van lekker eten.

Waar de hemel mij zo misdeelt,
Heb ik geen recht diep in het glas te zien?

Uit de bundel: Yoeng Poe Tsjoeng (1930)

 

Geschreven door Dora om 11:27 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

Dropsteen

Bij 't rossig, zwaaiend schijnsel der flambouw,
Welks walmen tranen teelt bij 't krinklend stijgen,
Zie 'k spichtig kegels stijgen, pegels nijgen,
Wier blijde blankheid werd tot wenend grauw.

Het dropt, het dropt, van spits tot spits; aanschouw,
Hoe langzaam droppen door de droppen zijgen,
En vallend leven geven aan het zwijgen,
En worden tot een zuil bevrozen dauw.

Wat daalt, zoekt wat daar rijst, en welhaast zullen
Zij, samengroeiend tot een eeuw'ge zuil,
Elkaar omhelzen, en met schors omhullen.

Zó gaat het morgen in het gister schuil;
Zó kwam Mathilde mijn gemoed vervullen,
En kreeg mijn ganse ziel daarvoor in ruil.

Uit de bundel: Mathilde, een sonnettenkrans

Geschreven door Dora om 11:08 Reageer op dit bericht

vaderhuis

Een gedicht van Arnold Sauwen

HET VADERHUIS

Ginder in de delling
onder 't blaârgeruis
van die hoge beuken,
ligt mijn vaderhuis.

Lang reeds dood is mijn vader,
moeder wordt zo oud,
en de ganse hoeve is
mijner zorg vertrouwd.

Gij, de bloem der meiden,
knap, van leden struis,
wilt gij met mij wonen
in mijn vaderhuis?

Moeder heet u welkom
aan de stille haard;
gans mijn liefde zijt gij,
hare zegen waard.

Ligt de hoeve verre,
van het dorp zo wijd;
strekken rond de velden
eenzaam, wijd en zijd;

'k Voer u met de huifkar
naar de kerk ter mis,
als de klokken luiden
en het zondag is.

'k Leid, bij stille avond,
u ter loverbank,
als de velden slapen
van de meidauw blank.

Als de hoge beuken
stil, met zacht geruis,
rond de gevel wiegen
van mijn vaderhuis.

Uit de bundel: Gedichten (1890)

Geschreven door Dora om 10:48 Reageer op dit bericht

ingetogenheid

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831

Ingetoogenheid

Dat we ten minste beminnen, indien we niet mogen genieten!
Andren genieten? - welaan: 'k draag hun gene afgunst, geen nijd. Vruchtloos verteren ze in kwelling, die 't heil van een ander benijden, Venus vergunt het genot, die zij begunstigen wil. Andren verkleven aan 't purper van knijpende, zuigende lipjes; Leppen het tederste zoet uit een bekoorlijke mond:
Scheppen de brandendste kusjes van blozende, gloeiende wangen, tergen het zwoegend albast van een aanbidlijke borst: blijven op 't dons, door de wellust, aan poezele tedere leden samengeschakeld, geklemd, boezem op boezem gedrukt: daar de begeerlijkste weelde, bij 't zuizende lippengemurmel, 't lichaam naar 't kittlen der smart slingert, en buigt, en verwringt:
Zinken in koesterende armen, bij 't plukken der maagdelijke rozen; ploegen de lieflijke beemd, d'akker, aan Cypris gewijd: vellen de drillende thyrs in de bloeienden hof van Kupido: drinken het vuur met het oog, boezem, en lendenen, in: zweten een vruchtbare daauw op Venus wellustige gaarden:
Zwijmen, van oogleên en ziel even vermoeid en vermast:
Deze, en nog andre, nog meer, nog onuitspreekbrer genuchten,
Zijn aan de zulken vergund, wie Cytheréa bemint!
Minder gelukkig dan zij, ô genieten wij 't ijdel genoegen
Van ene onvruchtbare minn', zo ons 't genot is verboôn.

Uit de bundel: Mijn verlustiging

Geschreven door Dora om 10:21 Reageer op dit bericht

zang

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

Eerste zang

Ik droomde 't Leven als een groot, groen Bos,
De vogels zwegen en het loot hing stil,
De beken vloeiden niet, geen windgerucht
Voer door de takken - en het gras boog niet, -
Eenzaam lag ik daar, tussen zwijgend loof,
Het was een bange droom, - want alle dingen
Die ik toch schoon wist, waren mij zo vreemd,
Spoken van schoonheid in vaal schimmenlicht. -
Toen zag ik dalen, in een aureool
Van cirkels blauw en goud, een witte duif,
En met die brak ook 't zon-goud over 't al,
Kwam wind aanruisen, en het woud werd vol
Vogelenstemmen en zacht beekgezang,
Zodat het eenzaam Schoon dier dode dingen,
Opvonkelend in blij en levend licht,
Leefde te saam in 't allerhoogste Schoon.
Gij, Liefste! zijt het sneeuwwit middenpunt
Van mijne wereld, en in U vereend
Worden de stralen van mijn Lichtbestaan.
Gij, liefste! zijt mijn bloeiend akkerland,
Waarover wijd Gods blauwe hemel straalt.
Hóóg spruit het heerlijk-gouden graan, dat zijn
Uw heerlijk-gouden woorden - en daarin
Zie ik de bloeme-sterren hemelblauw,
De blauwe vonken van Gods heil'ge Liefde. -
Stil ga ik 't smalle pad, zon in mijn hart,
Licht is mijn voet, de korenhoofdjes strelen
Mijn blijde wijde handen en ik fluit, -
Hoe is de zon zo licht! mijn Lief zo goed!

Uit de bundel: Ellen, een lied van de smart

 

Geschreven door Dora om 14:59 Reageer op dit bericht

soul

Een gedicht van Paul van Ostaijen, 1916

Sous les Ponts de Paris

Van alle plaatsen waar Gij uitgestald zijt
over de bezette stad schreit Uw triestigheid

men heeft U aan alle hoeken opgehangen
om in een offerblok senten te vangen

Nog hebt Gij de kommunie met het volk gevonden
het steekt zijn armen in uw warme wonden

Wij steken ons handen in Uw wonden doof
en blind zijn wij in ongeloof

Priesters en papen hebben Uw Kadaver geschonden
geleerd te geloven ons tastende handen Uw wonden

Men heeft U kerken gebouwd
van de wanden zijkt het zilver en goud

Ons geloof is zo klein en zo mat
als voor uw beelden de dansende vlam

Aan elke hoek werd gij uitgestald HARLEKIJN
van goedzakkigheid en begrijpelike pijn

Gij zijt weer onder ons in al Uw beelden Eén
met de bezette stad Uw wenen maakt een put in de steen

Onder Uw beeld ik weet wel het water van de goot
maakt een put in de steen maar dat is ook Uw droefenis

Gij zijt herworden onder ons
gepijnigde Harlekijn Uw Moeder een schreien geschokte
slons

Wij kunnen slechts zien een God gelijk een Harlekijn
onze tijd is zo zat van leed en van pijn

Uw laatste menswording is voor het janhagel alleen
ik heb U zien deserteren het front

Men heeft Uw weggeworpen wapens niet saamgelezen
Heilige Deserteur, dees relikwie kwam niet van pas

Al de kerken zouden moeten tonen op dit uur
Uw weggeworpen wapens en Uw deserteursfiguur

Ik heb U zien schommelen onder de bezetting van stad
tot stad

flets en flauw uitgetobd en afgemat

Ik heb U gezien in mijn bezette stad
in een danszaal de muziek zweeg toen Gij binnentrad

haar trage wals het ritme van Uw gezicht was sterker ZO
in triestigheid dan een gebroken cello

en de gigolo's en de hoeren dansten hun trage WALS licht
enkel op het triestige ritme van Uw GEZICHT

Ik heb U gezien in een stinkende slop
Gij waart met Landsturmman samen

Gij stond onder de opgeëiste werklozen
naar Duitsland gingen lange treinen van havelozen

Boven op de dijk houdt Gij mee de wacht
met kille hoeren in de regenende nacht

Nu zijt Gij moe en afgetobd
de triestigheid in U weer volgepropt

de regen druipt van Uw vuile kletsnatte hennepbaarden
over de stad

Droppelt samen met de regen over
alle drek van de stad Uw schokkend ritme mee

Uit de bundel: Music-hall

 

Geschreven door Dora om 10:47 Reageer op dit bericht

geluid

Een hartenkreet van Peter van der Ven

Hemels geluid

Ze pakt haar gitaar
alsof het haar baby is en
begint met heldere stem te zingen.
Haar hemelse geluid
maakt de donkere deuren
van mijn hart open.

Haar gitaar streelt ze
met grote liefde en
haar liedje maakt
de kamer tot een
stille oase van muziek
vol met al het zoet
van bloemen.

De witte zonnestralen
in de kamer lijken wel
op haar gitaar
bespeeld te worden.
En diep in mijn hart
fluistert een stem van
oh, wat mooi en de stem
vliegt door de kamer
naar het raam
richting horizon.

                                                                                                       Klik hier voor meer gratis plaatjes

Geschreven door Dora om 10:30 Reageer op dit bericht

ziekte

Een gedicht van Karel van de Woestijne

Ziekte, oude troosteres

- Ziekte, oude Troosteres, wier woorden wégen...

- ‘O Gij, mijn zoon, die duldig leven mag
van 't glooiënd denken aan een verre liefde-lach:
ik zie hoe in uw oog dromen als zwanen zegen.’

- Ja, ik ben goéd. Maar 'k wilde vrédig zijn...

- ‘Mijn leéuwrik! Gij, die door de nachten heen-gedrongen,
de vreugd van de enig-eeuw'ge zonne hebt gezongen,
draagt ge de rúst niet meer van de een'ge zonneschijn?’

- Maar ik ben moé: 'k wou in uw woorden slápen...

- ‘Mijn lome bloem in avond-water; o mijn kind;...
ik zal u sussen; gij zult rusten; gij zúlt slapen,
gij, die de Liefde draagt die niemand heeft bemind.’

Uit de bundel: Verzen eener ziekte (Het Vaderhuis 1903)

Geschreven door Dora om 11:15 Reageer op dit bericht

klokkenklank

Een gedicht van Arnold Sauwen 1920

KLOKKENKLANK

'k Zit zo vaak in 't avondgrauwen
over 't veld naar u te schouwen,
waar ge nog in gouden schijn
ligt te scheemren, dorpje mijn!

Boven uwe rode daken
zie 'k uw hoge toren waken,
die de schaduw van zijn kruis
afwerpt op mijn vaderhuis.

'k Hoor van ver uw klokken galmen,
feestlijk soms als vreugdepsalmen
en soms klagend, naar en droef,
als toen men mijn kind begroef.

Klokken, over weide en akker
luidt ge mijne jonkheid wakker,
luidt ge in klanken, droef van zin,
mij uw stille weemoed in.

Wen uw bronzen stemmen, klokken,
't landvolk naar zijn haardsteê lokken,
is 't als riepen zij mij mee
naar mijn dorp, in de avondvreê.

Moeder wachtte eens op de drempel
daar van 't huis, haar liefdetempel...
Wie heet mij nog wellekom,
vader, in dat heiligdom?

'k Ben als een die, 't land ontweken,
weerkeert ongekend ter streke en
vóór geen vriendenhuis of hut
't stof van zijne voeten schudt.

Liefde, vriendschap... zij verdorden...
Dorp, ik ben u vreemd geworden;
maar uw verre klokkenklank
roert me diep, mijn leven lang.

Uit de bundel: Uren van eenzaamheid, L. Opdebeek, Antwerpen

Geschreven door Dora om 10:38 Reageer op dit bericht

memoriam

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

In memoriam

Er is een schaduwspel van twijgen
en knoppen over 't zonnig grind,
en bloemengeur en licht en wind
verzaligen het grote zwijgen.

Het is zo stil, dat het bewegen
van 't licht wordt of een ver geruis
van vleugelen ging door het huis
en of zich engelen om u negen.

Het is zo stil en wit dit rusten.
Zo slapen enkel Gods gekusten,
zo vredig licht en grondloos diep.
De tijd valt lang voor hen die waken.
Maar God zal samen wakker maken,
die Hij gescheiden tot zich riep.

Uit de bundel: Verzamelde gedichten I (1931)

Geschreven door Dora om 12:36 1 reactie Reageer op dit bericht

man

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Van de wilde man

't Was of in visioen ik zag
Een wonder dat ik u nu mag
Vertellen, zodat gij 't zult verstaan.
Mij docht ik was uit spelen gegaan
Met mijn gezellen in een woud,
Toen ik zag komen uit het hout
Een jonkvrouw, zonder honden,
Die bracht gevangen en gebonden
Een wilde Man.
Daar ik haar kende sprak ik haar an
En vroeg wat zij met hem woude.
Ik zei dat ze hem niet houden zoude,
Dat zij bedrogen uit zou komen:
Hij was te wild, wie had ooit vernomen
Dat zulk een zich temmen liet door een vrouw.
Zij lachte zacht, zij zei: ik hou
Van deze juist als ik hem vond;
Ik zocht hem lang; dat ik hem bond
Was zeker wel het grootste wonder.
Wat baat het of gij u verwonder;
Ik houd van deze: wild of tam;
Voor u een leeuw, voor mij een lam.
Zij schreden heen en ik stond stom.
Toen keerde ik peinzend wederom,
Te zien waar mijn gezellen waren,
Als eensklaps door de schuddende blaren
Klonk met een zware en blijde stem -
En ik wist, dat was een lied van hem,
Van de wilde Man die aan haar hand
Meeliep in zijn lichte band:-
'Ik was wild, ik ben gebonden,
Dat heeft mij een meisje gedaan,
Met de band van haar Minne omwonden.
Ik was wild, ik ben gebonden,
Ik vlucht niet ofschoon ik het konde,
Ik wil wie mij won niet ontgaan.
Ik was wild, ik ben gebonden,
Met de band van haar Minne omwonden...'
Toen wachtte ik weer, en dacht: geen koorden
Binden zo stijf als zachte woorden,
Gesproken door een schone mond:
Zij komen het hart uit, snoeren zich rond
Het hart van hem die ze raken:
Zij kunnen leeuwen tot lamm'ren maken.

Uit de bundel: Van mens tot mens (1909)

 

Geschreven door Dora om 22:53 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten