berusting


Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924
Berusting
In dit spel van wind en water
Schouw ik peinzend heel de dag
'k Vraag niet meer naar toen en later
Ik draag wat er komen mag.
Kwatrijnen
berusting

Een gedicht van Jacob Israël de Haan 1881-1924
In dit spel van wind en water
Schouw ik peinzend heel de dag
'k Vraag niet meer naar toen en later
Ik draag wat er komen mag.
Kwatrijnen
mensen

Een gedicht van Alica Nahon 1896-1933
De mensen van voorbij,
ze blijven met ons leven.
De mensen van voorbij,
ze zijn met ons verweven
in liefde, in verhalen,
die wij zo graag herhalen,
in bloemen, geuren, in een lied,
dat opklinkt uit verdriet.
De mensen van voorbij,
zij worden niet vergeten.
De mensen van voorbij,
zijn in een ander weten.
Bij God mogen ze wonen;
daar waar geen pijn kan komen.
De mensen van voorbij
zijn in het licht, zijn vrij!
Ach

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903
Ach, blijf met Uw genade,
Heer Jezus, ons nabij,
opdat ons nimmer schade
des boze heerschappij!
Licht Gij ons met Uw stralen,
o, Licht der wereld, voor,
opdat wij niet verdwalen
of struik'len op ons spoor!
Vervul dan met Uw zegen
onze armoe, rijke Heer,
en zend op onze wegen
Uw kracht en goedheid neer!
Neem Gij ons in Uw hoede,
onoverwonnen Held;
beteugel satans woede
en 's werelds boos geweld!
kindje

Een gedicht van Erdward Koster 1861-1937
Kindeke, bloeiend in 't zonnelicht,
Lachend en kraaiend met je olijk gezicht,
Knippend met oogjes en grijpend met handjes,
Knikkend het hoofdje boven de kantjes,
Boven de licht-blauwe, zijdene bandjes
Van je wit, gebold japonnetje,
Kindje, lachend in het zonnetje!
Kindje, spartelend met je beentjes,
Marmer-rozig en zo kleentjes,
0 wat trek je een guitig bekje,
Schalks en schaat'rend schuldloos gekje!
Jongen, wat kijk je me snuggertjes aan,
En toch kan je er geen woord van verstaan:
Lieflijke naampjes, die ik je geef,
Kindje, mijn kindje, waarvoor ik leef,
Neen, je weet er geen sikkepit van,
Kleine, gelukkige, lachende man!
Kraai maar en woel maar, mijn aardig lief kind,
'k Wed dat je 't later zo prettig niet vindt;
Laat nu je tinklende lachjes maar klinken,
'k Hoop dat ze nimmer in tranen verdrinken; —
Guitje, schavuitje, zeg lach je nu weér ?
Straks is het huilen en lach je niet meer!
Tonen en tinten (1900)
grafschrift

Een gedicht van J. Antonides van der Goes 1647-1684
Treed zachtjes, wandelaar; neen, treed vrijmoedig aan.
Gij hebt geen nood van hem te wekken,
Want ook al hoorde hij u op zijn grafsteen gaan,
Hij zou het tóch in twijfel trekken.
kern

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947
De kern van alle dingen
is stil en eindeloos.
Alleen de dingen zingen.
Ons lied is kort en broos.
En donker zingt mijn bloed,
van heimwee zwaar doorwogen.
Ik zeil langs regenbogen
Gods stilte tegemoet.
Met U zijn er geen verten meer
en alles is nabij.
Des levens aanvang glinstert weer,
geen gisteren en geen morgen meer,
geen tijd meer en geen uren,
geen grenzen en geen muren;
en alle angst voorbij,
verlost van schaduw en van schijn,
wordt pijn en smart tot vreugd verheven!
Hoe kan het zo eenvoudig zijn!
Hoe kan het leven Hemel zijn,
met U, o kern van alle leven!
Ik weet het niet, ik vind geen naam,
ik krijg het met geen woorden saam
wat er nu omgaat in mijn ziele.
Is het soms blijdschap? Is 't verdriet?
Of allebei? En ook weer niet ...
Ik kan slechts zwijgend knielen.
Adagio
spin

Een gedicht van Anna Blaman
Die zilveren deinende schoot,
mijn liefste, dit maagdelijk gave net,
dit gruwelijk schone huwelijksbed,
dit vangzeil van de dood -
ik heb het gesponnen tussen de bomen
en tussen de zon en de aarde
en al waar ik ontwaarde
je zoet-zoemende dolersdromen.
Ik vang je op in mijn wiegelend bed
O wond in mijn maagdelijk net
O liefste verloren in mijn schoot
O worsteling in liefdesnood -
ik wikkel je in mijn zijden geweld
ik houd je met duizend armen omkneld
ik verstik je in een cocon van gloed
ik drink je zachte blanke bloed
dat rinnend gulpt en schreit -
en volgedronken op het kruis
van mijn geschonden dodenhuis
ik lig gebroken en bevrijd.
-----------------------------------------------------
uit: ‘Letterkundig Maandschrift’ nov. 1939, 1e jrg.
tweeEen gedicht van Marie Boddaert 1844-1914
De lucht is zo helder, het windje zo warm,
- Hij stiet zijn tuindeur open,-
‘Kom, vrouwke, een toertje!’ en hij bood haar zijn arm,
‘Al ’t groen is uitgelopen.’
Zo gingen zij saâm, op hun krukskens geleund,
Langs sappig groene blaren,
Langs ’t bos, waar de merel zijn liedeke dreunt
En kleurige vlinders waren.
Heel langzaam… Zij spraken niet veel daarbij,
Hij dacht: ’Alweer een jaartje;
Daar had ik niet op gerekend!’ – En zij:
‘Een oud maar gelukkig paartje.’
verjaardag

Een gedicht van Hendrik Tollens 1780-1856
Nimmer moegerende Tijd,
Voerman, die de wagen rijdt
Over bergen en door dalen!
Laat mij, laat mij adem halen:
Waar toch jaagt gij in galop?
Voerman, hou eens even op.
Welk een onafzienbaar end
Hebt gij rustloos afgerend,
Zonder pleistren, zonder pozen,
Over dorens en langs rozen,
Onverdacht op weg en spoor,
Tusschen klip en afgrond door!
Vijfentwintig jaren lang
Holt gij met gezweepte gang,
En vergeet uw span te stallen,
Door wat noodweer overvallen!
'k Zit te duislen van d'orkaan...
Voerman, leg eens even aan.
Sneller dan een bliksemschicht
Snort mij alles voor 't gezicht;
Wat zich opdoet aan mijn ogen,
Is als rook voorbij gevlogen;
Waar ik ginds de blik op sla,
Laat ik aanstonds achterna.
Gistren joeg uw dolle vaart
Toomloos door een rozengaard,
Waar ik bloemen vond te plukken;
Maar gij bleeft mij voorwaarts rukken:
Ik vertrad de schoonste knop,
En de doren greep ik op
Toef eens, keer eens, zwenk eens vlug,
Voerman, langs uw baan terug:
'k Heb op reis zo veel vergeten,
En verloren en versmeten;
Hou eens op toch! keer eens weer!
Maar gij hoort of keert niet meer.
Waar toch met die drift naar toe?
Jaagt gij dan uw rossen moê
Om de slagboom te eer te winnen,
Waar ons rusten zal beginnen?
Waar dan (zeg het) stuit uw draf?
En gij antwoordt: ‘Aan het graf.’
Daar, helaas! en daar alleen
Loopt dan 't hobblig rijpad heen,
Dwars door bui en onweersvlagen;
Daar eerst einden pijn en plagen
Daar ontsluit de rust de poort...
Voerman! rij in Godsnaam voort!
Gezamelijke dichtwerken (1855)
bladeren

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947
De blaadren rijzen door de stugge nevel
er zijn geen klanken meer, er is geen lied
slechts in het dorre riet een vroom geprevel…
Nu komt de tijd dat men naar binnen ziet.
Want wij zijn arm, en knagen aan ’t verleden,
en spelen met de kaarten van verdriet.
Het schoonste sprookje stelt ons niet tevreden,
en door de nevel lokt de toekomst niet.
Het leven vlood en d’ as blijft in onz’handen
’t verlangen stijgt om mede te vergaan
Doch in de weemoed blijft één lichtje branden,
het licht dat w’in de zomer overslaan
waarvoor wij slechts, tot onze scha en schande,
rondom de wintertijd om olie gaan
Adagio (1947)
drinken

Een gedicht van Carel Vosmaer 1826-1888
De donkre aard drinkt vochten,
Uit d’aarde drinken bomen,
De zee drinkt uit de wolken.
Het zonlicht drinkt de zeeplas,
De maan drinkt uit de zonne,--
Wat laakt gij mij dan, vrienden,
Die ook verlang te drinken?
Gedichten (1869)
boom

Een gedicht van Alice Nahon 1896-1933
Wie zal 't u aanzien
die leproos van voet
diep met uw wortels
in verrotting wroet
dat gij nog 's avonds klimt
langs weke bladertrappen
en boven uw mizerie
met de sterren staat te klappen?
Wie zal 't u aanzien,
uitgestoten mens,
die op uw schande wankeldoolt
tot leste grens
terwijl ons onbarmhartigheid
uw zondenmantel zoomt
dat gij langs drasse weg
van witte heirbaan droomt?
Wie zal 't u aanzien?
God en enklen maar.
Ach, wisten al de mensen van elkaar
't geheim beluik
van 's harten loense wijken
waarin de trappen staan
die naar Gods liefde reiken.
uit de bundel: Schaduw
Rip

Een gedicht van Guido Gezelle
Rust in vrede, rust in vrede,
gij die, wandlend, zijt van hier
voorwaards- en voorbijgetreden,
onder Christi kruisbanier;
die naar 't land zijt, het verdoken,
waar de koninklijke staf
ligt bij 't naamloos stof gebroken,
van 't onedel werkmansgraf;
waar geleerdheid niets kan baten,
weet men Christi lessen niet,
waar men geld en goed moet laten,
waar geen schoonheid overschiet.
Rust gij, leraar en geleerde,
rust scholier en schoolregent;
rust, die elke ende een vereerde,
rust, die niemand heeft gekend.
Rust, die 't zelfste bloed in de aderen
droegt misschien als ik; en gij,
vrome zielen onzer vaderen,
rust, en dat u vrede zij!
Moge God u ruste geven,
die begonnen, die volend,
of die, midden in het leven,
wakend hebt de dood gekend!
Rust in vrede, rust in vrede,
jonge en oude, groot en smal,
rust en, in Gods zaligheden,
rust, gij afgestorv'nen al.
Rust in vrede, rust in vrede,
u nog eens vaarwel gezeid,
eer ik weg en thuiswaards trede,
rust... tot in der eeuwigheid!
Amen.
November 1862
bessenBes
De bes van de vuurdoorn of een klimplant
Heeft een bepaalde aantrekkingskracht
Als het weer buiten in de herfst zeer zacht is
Dan wil je die bes beter bekijken
En je maakt er wat foto’s van om naar ze te kijken
Ze hebben voor veel vogels een specifieke aantrekkingskracht
Die in de koude of winter hun honger verzacht
Zodra het weer mooi is
Dan is er in je tuin een gemis
Je ziet geen vogel meer komen
Ze zitten ergens anders tussen afgevallen blad te dromen
Zou er nog wel eens een droom voor mij komen?
En zo zie je nu de wintertijd aan komen!
eenzaamheid
Een hartenkreet van Hans Uding
Venijn in het zijn
wat voel ik mij klein
de dageraad keert weer
een dag verschijnt
de duisternis verdwijnt
de haat verscheurt intens
het is de plaaggeest van de mens
maar blijft een onuitwisbaar feit
het leven staat bij ons in het krijt
verdoemden doemen steeds weer op
getallen groot met vele cijfers
radicaal, funest in grote ijver
plotseling slaat de tijdwijzer vast
wij verkeren in het duister op de tast
velen tarten anderen in afgunst
maken hiervan een grote kunst
mededogen wordt uitgeroeid
veel verkeerds is hier uit gegroeid
besef verdwijnt op de achtergrond
het niets wordt nietsontziend
tot in de vroege morgenstond
onbekend het falen der getijden
in alle geledingen niet te vermijden
verschroeide aarde complex gegeven
in deze eenzaamheid moeten wij leven
die hulpeloosheid iedere keer
waar ik nog steeds van leer
de dageraad keert weer
een dag verschijnt
de duisternis verdwijnt
schoon

Een gedicht van Paul van Ostaijen 1896-1928
Een schoon gezicht heeft de dagblad-postiche
CREME LA NYMPHE
zij zou zeer schoon zijn indien
zij geen sproeten had
Hoe jammer wanneer een zo schone vrouw sproeten heeft
zomersproeten
zoals bij deze postiche het geval is
gebekt haar
de boog van de wenkbrauwen
en de lieve mond
en de volle wangen
en de kuiltjes
doch zoals gezegd
hoe jammer die zomersproeten
Nochtans heb je
CREME LA NYMPHE
hoofdapotheek bijhuizen overal verkrijgbaar
het jammer kan worden verwijderd
dank zij de hoofdapotheek en de bijhuizen
zijn er op de wereld geen sproeten meer
en u
allerschoonste met gekruld haar en verlokkelike lippen
u
die prijkt op de laatste bladzijde
van het laatste nieuws
kan ik beminnen
omdat gij dank de nimfezalf
voortaan zult zijn
zonder sproeten
of zomersproeten
Nagelaten gedichten
schemer

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939
In de schemering
Is er een fluisteren:
Lieveling, lieveling!
De hemelen duisteren,
Maar klaar glanst hopen en herinnering:
Lieveling, lieveling !
Kom in de schemering.
Handen zullen teer strelen,
En aan uw oor de hele
Hele stille fluistering:
Lieveling, lieveling!
En aan mijn wang uw hoofd gevleid.
Om mij de warme zaligheid
Uws adems ; en een tinteling
Licht in uw ogen.
Lieveling !
In de schemering,
Als alle dingen duisteren,
Heerst -dit lichte fluisteren:
Lieveling, lieveling!
De overgave (1919)
muziek

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881
De klanken, die u van de vingers vloten,
Als droppen rozengeur....
herfstregen

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema
De regen kust mijn vensters weer,
De donkre winden sollen
Het droeve liedje van weleer
Langs alle huizebollen;
Een dorre tak gaat heen en weer,
En van zijn blâren rollen
De natte tranen telkens neer -
Altijd weer volgezwollen.
0: met de zon om 't hoofd gewonden,
Met geld en goed en zoet-gezind -
Wie heeft de Mei geen vreugd gezonden?
Maar in de Herfst, bij regenwind -
Zeg: heeft er één de moed gevonden - -
Ach! 'k weet - ik ben een heel laf kind!
Eerste oogst (1912)
liefde
Een hartenkreet van Hans Uding
Met stralen warmte geven
in bundels helder zijn
schijnen volop duurzaam
voor een gegeven leven
je bent niet alleen
begin nu met licht te geven
verrijk je met het schijnen
al is het maar met kaarslicht
probeer de zon te evenar
en
terugblik van een mens
een liefde waard