Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

memoriam

Een gedicht van Reinier van Genderen Stort 1886-1942

In memoriam patris

O vader, die ik nimmer heb gekend,
Die in de schoot verzonken zijt der aarde,
Voordat ik werd geboren, toen de lent’
Wederom ontbloeide in Hollands weide en gaarde.

De zorgen, die mijn moeder sindsdien gaarde,
Zij raakte daar wel nimmer aan gewend,
Terwijl voorts ik haar leed en kommer baarde,
Hetgeen ik pas veel later heb erkend.

Zal ik u eenmaal beiden wedervinden,
Waar ook mijn ziel de vrijheid zal verwerven
En waar geen lichaam haar meer kan bederven?

Daarginder worden ziende alle blinden,
Daarom zal het wellicht hier niet geschieden
En dorst ik vaak naar hemelse gebieden.

Rijmproeven (1937)

Geschreven door Dora om 19:21 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

kou

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

In winteravondkou

In winteravondkou, in het groot open
van het blauwvloeiende belopen
roestrandig staal,
spichtig, onzichtig nu de nieuwe maan
als een fijn edel veertje, als een losse haal
en dun getogen.


Rondom vochtig staan
de zwarte sparren, lorken gril verwezen,
verzameld onderhout, somber en nors,
maar onder de donkerte der schors
is helder al het jonge sap gerezen.


Onder de nevels in de vert'
het bronzen roepen van een hert.

 

Geschreven door Dora om 18:29 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van Eduard Brom 1862-1935

In zulk een nacht...

In zulk een nacht, - als waarvan Shakespeare zong
In 't toovrig beurtgezang 'in such a night',
Van 't stralende Venetiaanse spel, -
In zulk een nacht, waarvan dàt lied nòg klinkt,
Is àl de schoonheid van de klare dag,
Verinnigd en vertederd en de droom,
En àl de klaarheid van de schone nacht,
Tezaamgevloeid tot die betovering
Die is Venetië's ziel en innigst leven:
De wonder-tedere melancholie
Die aantrekt, aantrekt en niet los meer laat
En, waar zij smarten gaat, weer stil verijlt,
Uitvloeiende tot dromen van verlangen...
In zulk een nacht...

Geschreven door Dora om 18:31 Reageer op dit bericht

vriend

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Aan een vriend

o, Vraag mij niet, vraag mij nooit naar mijn smart!
Kondt gij mijn leed en mijn jammer waarderen?
'k Zou slechts de maat van uw droefheid vermeeren;
Gij hebt genoeg voor een menselijk hart.

Wat mij de wang reeds zo ras heeft verbleekt,
Wat mij de kruin reeds zo vroeg deed vergrijzen,
Zou, zo gij 't wist, u te duidelijk bewijzen,
Dat zich het noodlot meedogenloos wreekt.

Lang waart gij reeds uit uw dromen ontwaakt,
Toen mij der jonkheid begooch'ling nog streelde,
Nog bood de jeugd mij de beker der weelde,
Toen gij reeds de Alsem der smart had gesmaakt.

Vaak waart ge reeds van de doornen gewond,
Toen 'k nog de rozen slechts kende van het leven;
Lang had de lach reeds uw lippen begeven,
Voor nog één zucht ze verjoeg van mijn mond.

Toen kwam het leed, waar gij vruchtloos naar vraagt;
Gij zijt niet rijker aan heil dan te voren,
Maar zo geducht is het wee mij beschoren,
Dat ik benijd, die ik eerst heb beklaagd.

O vraag mij niet, vraag mij nooit naar mijn smart,
Kondt gij mijn leed en mijn jammer waarderen,
't Zou slechts de maat van uw droefheid vermeeren,
Gij hebt genoeg voor een menselijk hart.


1834.

Geschreven door Dora om 11:18 Reageer op dit bericht

lijsterbessen

Een gedicht van Rutger Kopland

Lijsterbessen

De dichtkunst beoefenen is
met de grootst mogelijke zorgvuldigheid
constateren dat bijvoorbeeld
in de vroege morgen
de lijsterbessen duizenden tranen dragen
als een tekening uit de kindertijd
zo rood en zo veel.

Uit: Geluk is gevaarlijk.
Een keuze uit de gedichten 1999-2005
Rainbow Essentials, 4e vermeederde druk, april 2005.

Geschreven door Dora om 13:50 Reageer op dit bericht

wezen

Een gedicht van Willem Kloos 1859-1939

Ik weet heel goed, dat ge, in 't diepst van uw wezen

Ik weet heel goed, dat ge, in 't diepst van uw wezen,
Mij met een koele vergetelheid haat,
En dat, wat ik zing, als gij 't leest, u gaat
Als een sombre windvlaag voorbij, gerezen

Uit verre streken, waar zeer lang voor dezen
Gij mooglijk getoefd hebt, maar waar nu staat
Geen enkle gedachte uwer ziel meer, kwaad
Dat nog dat Verleên een Toekomst wou wezen...

Maar toch wil ik zingen, opdat uw oor
In streling gewiegd op weeldrige tonen
Iets waarlijk-waarachtigs op de aarde hoor'!

Want 'k zweer, dat 'k waar ben, als geen die hier wonen,
Opdat wat gij hoort, in mijn Lied, van 't Schone
Op uw verdre tocht door 't Leven u schoor'!

-------------------------
uit: Verzen II (1902)

Geschreven door Dora om 14:01 Reageer op dit bericht

geloof

Een gedicht van Jam van Nijlen 1884-1965

Geloof

Nu alles faalt, heeft dit alleen nog waarde
Voor mij, die nooit één waarheid heb ondekt,
Ik zal van U niet scheiden als deze aarde
Mijn pover lichaam dekt.

Ik heb maar één geloof: nooit gaat verloren
Wat eens de liefde zalig heeft bevrucht,
En waar er twee elkander toebehoren
Is zelfs de dood geen vlucht.

Gedichten

Geschreven door Dora om 11:46 1 reactie Reageer op dit bericht

menselijk

Een gedicht van P.A. de Génestet 1829-1861

MENSELIJK

Helaas; de zwakke mens in dit weemoedig leven,
Hij heeft een weinig vreugd zo noodig voor zijn hart:
Wij hijgen ras naar ’t eind van dorre lijdensdreven,
En spoedig al te lang valt ons de nacht der smart.

Ook, Heer, wij trachten wel te bidden dat Uw wille
Geschiede! – doch vergeef onze arme kindertaal,
’t Bedroefde hart, bij ’t vroom gebed, vraagt nochtans stille:
Mijn God, geef mij een bloem en zend me een zonnestraal!


1860

Laatste der eerste

Geschreven door Dora om 19:24 Reageer op dit bericht

drie

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

Drie verzen voor een dode II

Een middag blind van zon. bloemen en dieren
rekken en wentlen zich in het verblindend licht.
over de heuvelen aan d'einder der rivieren
koepelt en straalt een blinkend vergezicht.

maar hier, achter een koel en lieflijk glinstrend water,
waaraan het middaglicht een groene schaduw gaf
liggen de doden zij aan zij in de geschroeide aarde:
een dezer steenen dekt uw jonge graf.

misschien — denk ik — misschien zullen wij later
als engelen met heerlijkheid bekleed
te samen klinken, in hetzelfde water
twee golven klinkend tot in eeuwigheid.

wij zullen vredig dwalen door de bloemen
ontdaan van hartstocht en van schuld bevrijd
in argeloosheid en een niet te noemen
zwevende, zwevende gelukzaligheid ...

maar waartoe vóór mijn dood dit heil te roemen?
ik ben een prooi der wisselvalligheid:
soms zoek ik vrede, soms is het zwartst verdoemen
mij liever dan uw blanke zaligheid. —

zo nu. — waarom verrijst gij niet? ik kan
bij zulk een zon de dood niet lang gedenken;
sta op; opdat ik u een heerlijkheid kan schenken
heller en lieflijker dan uw onsterflijkheid!

Porta Nigra (1934)

 

Geschreven door Dora om 10:35 Reageer op dit bericht

kwatrijnen

Een gedicht van Erich Wichmann 1890-1929

KWATRIJNEN

Een vroege herfst blaast door het dunne lover,
alweer een jaar is bijna zinloos over.
De schemer valt, ’t al om ons heen vervalt,
wij werden zwakker, suffer, blinder, dover...

Wij sterven, en ons Land sterft om ons henen...
Niets bleef dan regen, dorre bladen, dode stenen,
de wind rukt aan de bladen en de bomen…
Kilte en mist, ons eigen eenzaam wenen.

Geschreven door Dora om 12:22 Reageer op dit bericht

moeder

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1908

Aan mijne moeder

Wat ik in 't diepst der ziel gevoelde,
Wat mij verkwikt heeft of gedrukt,
Wat zorg en vrees mijn hart doorwoelde,
Wat vreugd en hoop mij heeft verrukt,

Mijn denken, doen, geheel mijn leven,
Heb 'k aan deez' blaadjes toevertrouwd,
Ze spreken van mijn geest en leven,
En zijn met tranen soms bedauwd.

'k Leg, moeder! in uw handen neder
Wat 'k heb gedacht, wat 'k heb gedicht,
En 't is me nu, of nog eens weder
Mijn hoofd aan uwen boezem ligt.

En is het u misschien bij 't lezen,
Als voelt ge iets , u van ouds bekend,
Denk dan: de kussen zullen 't wezen,
Die, met dit boek, mijn kind mij zendt.

Voorwoord bij 'Lessen en liederen eener moeder' (1882)

 

Geschreven door Dora om 11:35 Reageer op dit bericht

zonden

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1936

Ik drink mijn zonden op als rijpe wijn

Ik drink mijn zonden op als rijpe wijn
Waar een kap'laan zich heim'lijk aan bedrinkt: –
Hij feest zijn oog aan 't glas, dat halfvol blinkt
Binnen de lichtkring van de lamp, wier schijn

Wemelt rondom en scheem'ring wordt in 't klein
Vertrek, waar vóor hem zich een heir verdringt
Van dromen, tot zijn hoofd halfdromend zinkt:
Hij prevelt stukjes van een vroom refrein:

Hij droomt zich Kardinaal of Paus, maar houdt
De grendel op de deur – zijn pausschap komt
Niet verder dan de drempel van zijn cel:

De andre dag treedt need'rig en devoot
De priester, die in 't oud gewaad zich kromt,
Voor 't altaar en hij leidt de ritus wèl...

Mephistopheles Epicureus, II

Geschreven door Dora om 16:41 Reageer op dit bericht

avond

Een gedicht van Johannes Reddingius 1873-1944

Avond

Daar branden lichten in duister -
de gouden-gele,
die lichtlijk dansen vol luister
door 't windespelen.

Door straten rammelen nog karren,
waar hoeven klinken ;
aan hoge hemel de starren
zo stille blinken.

Goud-licht aan alle de zijden,
omhoog, beneden -
het doet mij leven in tijden,
lang, lang geleden.

 

Geschreven door Dora om 12:09 Reageer op dit bericht

januari

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1908

JANUARI

Dik ligt de sneeuw in veld en woud
En 't Noorden huilt zijn somber lied:
't Is alles doods en vaal en koud
En levensteek'nen zijn er niet.

Geen levensteek'nen? Richt uw oog
Naar 't klein vertrek daar ginds, bestraald
Door zachte glans, die van omhoog
Rooskleurig door de venst'ren daalt.

Nieuwsgierig staat een kinderpaar
Dicht bij de wieg; ze tillen 't kleed
En zien op 't wicht, dat, - wonderbaar! -
Bij hen in huis zijn intree deed.

Dus mocht dan toch bij 't stormgegier,
Zo koud, als de adem van de Dood,
Een levensknop zich oop'nen hier,
Tot vreugde en wee, tot lust en nood.

Geschreven door Dora om 11:37 Reageer op dit bericht

vogels

Een gedicht van Anton L. de Rop 1837-1895

Mooie vogels

Kalkoenen en fazanten,
Maar pauwen nog het meest,
Zijn steeds zo mooi, als moesten
Zij daaglijks naar een feest.

Geen kleur is te bedenken,
Geen glans heeft schoner gloed
Dan die van deze vogels
De veêren schittren doet.

Roodgoud met groene weerschijn,
Azuur en hemelblauw,
Paars, violet en purper,
Die kleuren draagt de pauw.

Bloedrood van hals, de snavel
Lichtgeel als een citroen,
Sneeuwwit geschulpt de slagpen,
Zo tooit zich de kalkoen.

En als een kleed, vervaardigd
Uit paarlemoer en kant,
Zo is de dos der pluimen
Van d'edele goudfazant.

Geen wonder dat die vogels
De hof tot sieraad zijn,
Waar ze op het grasperk wandlen
In zomer-zonneschijn.

Geen wonder dat hun veêren,
En 't eerst die van de pauw,
Zeer dikwijls moeten dienen
Tot waaier voor mevrouw.

Maar ook dat men ze sierlijk
Naast pluimen steekt van 't riet,
Tot pronk der schoorsteenvazen;
Want rijker kan het niet

Wol en dons (1885)

Geschreven door Dora om 11:10 Reageer op dit bericht

dauwdrop

Een gedicht van Felix Timmermans 1886-1947

De dauwdrop

God rolt de zonnen door Zijn handen
zoals de boer het zaad.
De ruimte kent geen randen
en eindloos staat
de sterrentuin te branden.

Als dauwdrop aan der aarde bloeme
weerspiegel ik het Al.
Ik hoor de sferen zoemen.
Gans 't sterrendal
probeert Uw naam te noemen.

't Geheim blijft tot de nacht behoren,
waarin ik ben ontstaan,
tot, opgeslorpt, in schijn verloren,
in 't licht vergaan,
in U ik word herboren!

Geschreven door Dora om 13:14 Reageer op dit bericht

dood

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Dood

En statig dalen, slank in blank gewaad,
Maagdengestalten, in de maneschijn,
Van brede marmertreden, tot waar staat
Een blanke baar, - in 't kistje een kindekijn.

't Ligt wit en weerloos op het wit satijn,
Een sneeuwwit rozenkransje om 't lokkenblond.
De stille glimlach van wie zalig zijn
Trilt, als een vlinder, om zijn vredemond.

De blanke maagden naadren, éen voor éen,
En kussen 't kindje en geven 't elk een palm
En gaan dan heen, met klacht en zacht geween,
Achter een zwarte voorhang. - Nu is 't kalm...

En zeven kaarsen branden in de zaal
En zeven lelieën bloeien om de baar.
En ver, in 't woud, weeklaagt een nachtegaal
En weent een vedel: ze antwoorden elkaar.

De Gids jaargang 1892

Geschreven door Dora om 22:13 Reageer op dit bericht

denken

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

IK DENK AAN U

Ik denk aan u zoals gij waart, toen de eerste maal
ik uw gestalte donker op zag komen tegen
het licht gewemel in de feestelijke zaal,
en ik van uw gelaat mijn welkom heb gekregen.

‘k Hoor van uw woorden nog ’t beminnelijk onthaal,
ik zie, bij ‘t golvend gaan, de ranke leest bewegen,
en dat gebeiteld schoon, dat in ’t rijk gestraal
der luchters blonk, de rand van uw gewaad ontstegen.

De schouders glooien op. De hals, een blanke zuil,
gaat in ’t gedreven licht der tedere lokken schuil
die, fel doorschitterd, er de matte glans van doven:

Zo smelt voor ’t middagvuur de witte wolk. Zo laat,
wanneer de morgenbleekte in ’t eerste goud vergaat,
de lucht haar vochtig waas zich van de zon ontroven.

Tochten (1911)

Geschreven door Dora om 21:47 1 reactie Reageer op dit bericht

afgeluisterd

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1908

Een afgeluisterd gesprek

In de tram wordt plaats genomen
Door een man, die hijgt naar lucht,
En wiens ademen 't geluid maakt
Van een diep en zwaar gezucht.

In haar Amsterdamse taaltje
Zegt alras een burgervrouw:
"Uwé schijnt benauwd te weize!"
En de man zegt: "Ja, juffrouw."

"Jonges, jonges", spreekt ze verder:
Wat 'n mins wel geife sou,
Om van sou ies of te komme!"
En de man zegt: "Net, juffrouw."

"Maar der is niet heil feul baat vour",
Zegt ze; "Sou gefatte kou
De oorzaak zijn? Je kan niet weiten."
En de man zegt: "Nee, juffrouw."

"'k Heb 'n swager, net as uwé,
Die s'n borst is ook sou rouw;
En wat heb die al verdokterd!"
En de man zegt: "Zo, juffrouw."

"Onlangs had ie nog so'n vleuchie,
Dat j'ies beiters wachte sou;
Maar 't is nou al weir feul slimmer."
En de man zegt: "Toch, juffrouw?"

"Sie je, ik denk, de doud is 't endje,
Wat je ook al prebeiren wou!"
En de man stapt uit de wagen,
Met de groetenis: "Dag, juffrouw !"

 

Geschreven door Dora om 21:20 Reageer op dit bericht

duinen

Een gedicht van Augusta Peaux 1859-1944

In de duinen

Daar is het blanke zonlicht overal
en vult de dag zijn beker tot de rand .
Hij spiedt de kleuren, die in 't fijn kristal
spelen, als in een kelk van diamant .
Lichtdruppen storten in een parelval ;
hij ziet niet, hoe zijn achteloze hand
de blanke lichtdauw spilt, een zilverval
van zon op witgrijs zilvermos en zand .
Stil ligt hij in de diepe duinendel
- een krekel sjirpt, blank zaagje, fijn getand -
Hij ligt te turen naar het kleurenspel
en 't dof oud-zilver van de schaduwkant

Geschreven door Dora om 15:37 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten