Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

berusting

Een gedicht van Hendrik Marsman 1899-1940

Berusting

Tussen dit ogenblik en mijn dood
ligt misschien een lang leven;
ook een groot?
de hoop daarop heeft mij allengs begeven;
maar is het groot of klein niet om het even
voor wie gelooft dat wij pas met de dood
gaan leven?

Verzamelde gedichten (1941)

Geschreven door Dora om 10:12 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

minnelied

Een gedicht van Hadewijch 1225-1275

Minnelied

Al zijn het seizoen en de vogels triest,
toch kan de echte minnaar zich wijden
aan de liefde, gepaard met lijden:
Hij weet maar al te goed
-Zoet en wreed,
lief en leed-
wat de liefde met hem doet.

De trotsen, die daartoe neigen
om ongeremde liefde te bedrijven,
zullen op elke wijze
stout en moedig zijn,
en gerede ontvangen
de troost en de tegenslag,
die de liefde schenkt.

De liefde beleven is wonderlijk
voor wie haar kent en wordt bekoord,
omdat zij het alledaagse verstoord.
Hij kan het amper verduren
wie door liefde wordt geraakt:
Hij smaakt
vele onnoemelijke uren.

Somtijds heet, somtijds koud,
somtijds bang, somtijds boud;
Haar ongedurigheid is veelvuldig.
De liefde zadelt ons op
met schuldbesef
omdat zij de macht heeft
die ons beheerst.

Somtijds lief, somtijds leed,
somtijds ver, somtijds gereed;
Wie de liefde goed verstaat
weet maar al te goed
dat de liefde taant
en kan omslaan
in haat.

Somtijds geloofd, somtijds gehoond,
somtijds verborgen, somtijds getoond;
Eenieder die door de liefde wordt gelaafd
beleeft een groot avontuur,
als hij wordt gegrepen
en de smaak proeft
van de ware liefde.

Somtijds licht, somtijds zwaar,
somtijds donker, somtijds klaar;
In vrije hoop, in bedwongen vrees,
in nemen en in geven
moeten de zinnen,
die dolen in liefde,
hier altijd leven.

Hertaling van Minnelied, http://users.telenet.be/gaston.d.haese/hadewych.html

Uitgave:
Hadewijch, Strophische gedichten, 2 delen (ed. J. van Mierlo). Standaard-Boekhandel, Antwerpen/Brussel/Gent/Leuven z.j. [1942], internet http://www.dbnl.org/tekst/hade002stro01_01/

Hadewijch, Liederen, Uitgegeven, ingeleid, vertaald en toegelicht door Veerle Fraeters & Frank Willaert, met een reconstructie van de melodieën door Louis Peter Grijp, Groningen (Historische Uitgeverij) 2009, inclusief 4 CD's

Strofische gedichten(13e eeuw)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:44 Reageer op dit bericht

avond

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

De avond

Ik heb mijn kleedren uitgetogen
Bij 't dwarlen van de lampeschijn ;
Nu balsemt duisternis mij de ogen,
Ik voel dat wij gescheiden zijn,

Ik en de dag, dat kind, die jongen,
Die vogel met gebroken wiek,
Dat hijgend hert der watersprongen,
Die speelman en zijn fluitmuziek.

Hoe heeft hij mij gelokt, belogen,
Hoe achter wolken week zijn grens,
Hoe ben ik om zijn bloem bedrogen,
Die dorde, en 't eind werd van een wens.

Maar als ik 't hoofd schik op mijn kussen,
Weet ik mij veilig en bevrijd ;
Ook hij, de dag, ligt rustig tussen
Bleke papavers neergevlijd ;

Hij slaapt en droomt, straks zal hij sterven,
Want doodlijk is de kus der maan,
Misschien mag ik nog jaren zwerven,
Doch hij zal nooit meer naast mij gaan.

Het aardsche paradijs (1927)

Geschreven door Dora om 10:35 Reageer op dit bericht

herfstdag

Een gedicht van Frederik Hemkes 1854-1887

HERFSTDAG

Het kerkje heft zijn toren
In 't nevelig verschiet
En uit den hagedoren
Trilt zacht een vogellied.

Er bloeit op veld en wegen
Geen enkel bloempje meer;
De zwarte najaarsregen
Sloeg 't laatste knopje neêr.

Een grijsaard gaat al hijgend,
Met wankelenden voet
Het smalle pad bestijgend,
Het kerkje tegemoet.

De blaadren vallen neder,
De grijsaard zucht vermoeid;
'k Vrees, dat er nimmer weder
Voor hem een bloempje bloeit!

De Banier(1879)

schrijver

Geschreven door Dora om 17:39 1 reactie Reageer op dit bericht

anjelier

Een gedicht van Johan Michiel Dautzenberg 1808-1869

De Anjelier

In een potje voor de ruiten
Kweekt een knaap een anjelier;
Stengels stijgen, knoppen spruiten,
't Bloemke staat in volle zwier.

't Bloemke houdt hem vele dagen
Aan zijn geur en kleur geboeid;
Daar alleen kan 't hem behagen,
Waar zijn anjelier hem bloeit.

Doch eens valt door de open schijven
's Knapen oog op 't wijd verschiet:
Dat, ten berg op, lauwers drijven
Heeft zijn blik al dra bespied.

En hij wil een tak bezitten
Uit het verre lauwerbos,
Wil een lauwertak bezitten
Bij een angelierentros.

En hij snelt en hijgt er henen,
Komt met moeite tot de top;
Plukken mag hij en verenen,
Lauwers groeien er volop.

Rijk beladen keert hij weder,
Waar zijn eerste liefde gloeid'.
Bloem en stengel liggen neder,
De anjelier is gans verschroeid.

Gedichten (1850
schrijver


Geschreven door Dora om 12:53 Reageer op dit bericht

misschien

Een gedicht van E. Laurillard 1830-1908

Misschien te helpen

'Wat scheelt je, Jan? Heb je verdriet?’
’Ja…neen, maar ‘k heb zo’n kiespijn, Piet!’
‘Is ’t kiespijn? Ik beklaag je, man!
‘k Had zelf daar lest mijn portie van.’
‘Zo? En wat heb je er aan gedaan?’
‘Ja- ‘k ben half gek naar huis gegaan,
En ‘k zette naast mijn vrouw mij neer,
Die heel meewarig, lief en teer,
Mij zachtjes streelde langs de wang,
En ‘k zat, ja, wel twee uren lang,
Met mijn gezicht aan haar gezicht:
En ‘k voelde heus mijn pijn verlicht.’
‘Dus is er hoop nog bij dit kruis!-
Zeg, is misschien je vrouw nu thuis?’
schrijver



Geschreven door Dora om 15:51 Reageer op dit bericht

finis

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

Finis

Wij weten niet wat komen zal.
Het hart gedenkt wat is geweest:
De vrede van een stille geest,
Vervreemding, duister, overal.

Maar smart en onrecht zijn voorbij.
Wij keerden weer tot liefdes wijk.
Als kind'ren van Gods koninkrijk
Zijn wij herboren, sterk en vrij.

God boog de rechte lijn; ‘t begin
Raakt aan het eind, de cirkel sluit.
De hemel heeft zijn zaalge buit.
En - harts verlies blijkt harts gewin.


24-04-1934

Kringloop

Geschreven door Dora om 13:03 Reageer op dit bericht

lezer

Een gedicht van C.S Adama van Scheltema 1877-1924

De lezer

Gij die dit boekje zo eens openslaat,
En gij die er in leest, en gij die even
Aan 't lezen en aan 't blaren zijt gebleven,
En die het dan weer vriendlijk liggen laat: —

Ik heb die verzen niet voor mij geschreven
Met al die rijm en moeielijke maat, —
Voor jou — ze zijn voor jou juist kameraad
Met zorg gemaakt, gedrukt, en uitgegeven: —

Ik heb ze zelf duurder dan jij betaald —
Want het kost véél verzen te laten leven —
Ja ééns heb ik er zellefs bij geschreid! —

Ik heb ze zuchtend uit mijn hart gehaald,
Om ze alle lachende aan jou te geven — —
Lees ze dus met een beetje piëteit!

Zwerversverzen (1904)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:14 Reageer op dit bericht

Een gedicht van Karel van Woestijne 1878-1929

Een ster

Een ster: een klompke ijs tusschen mijn hete tanden...
Terwijl ge onzichtbaar zijt, o zee, die nauwelijks hijgt;
terwijl mijn hart gelijk een oude zuster zwijgt,
komt deze stipte oneindlijkheid mijn lippen branden.

– Mijn nachten waren ene mand vol droom aan droom;
mijn dagen, ’t vast getal der appelen die zwellen
in elke boom-gaard en aan elke zware boom.
Ik had geen vingren om mijn weelden aan te tellen.

Thans: ijlt’. De tijd is guur en onberoerd. De tijd
is als de kille en dorre zee, die zwoegt noch krijt.
Ik ben alleen; ik pers mijn strakke lippen samen
op eenzaam deze grote sterre, die ze bijt.

“Verzen aan zee en in een tuin” in Het zatte hart (1926)

Geschreven door Dora om 11:36 Reageer op dit bericht

morgen

Een gedicht van J.H. Leopold 1865-1925

Ik zie de morgen

Ik zie de morgen als een gouden mist
van eigen rijkdom trage wade
een afgehangen web van draden,
en nu in twist
vingertjes vechten, vingertjes vagen
door de ragen,
rafelen, halen de draden aan,
varen er in het losgegaan
weefsel, maken de fijne gazen
een plundering en de gevlochten mazen
wijden zij uit, werken er een begin
van scheuren, totdat er tussenin
blanke kalme handen komen
de edele twee, een gelaten paar,
die van elkaar
de omgeslagen vouwen schoven,
geruste handen langs wier boven -
vlakken in glanzende val afglijden
de ruisende plooien naar weerszijden,
en zo bedaard met een lichte duw
tillen zij nu
het slaapgordijn,
zie, zie, hoe wel de dag mag zijn?

Geschreven door Dora om 13:09 Reageer op dit bericht

grafschrift

Een gedicht van Multatuli 1820-1887 kort maar krachtig

Grafschriften voor Thorbecke

CII.

Nageslacht, ik waarschuw je! Alles saamgenomen,
Hoort er 'n brutale courage toe, na mij ter wereld te komen.

schrijver

Geschreven door Dora om 11:09 Reageer op dit bericht

strand

Een gedicht van Fedde Nicolai

Ik sta aan het mooie strand
En zie de grote wijde zee
Wieg met de golven mee
Mijn voeten zakken in het zand.

Ik geniet van het golven spel
Dat steeds weer anders wordt
Soms hoog en breed, soms kort
Soms langzaam, soms ook snel.

Het blijft mij maar boeien
En vraag me af hoe het kan
Ik krijg er nooit genoeg van
Het water blijft aldoor stoeien.

Prachtig deze grote blauwe zee
Uren kan ik er naar staren
Naar die woelige baren
In gedachten dobber ik steeds mee.

Stil word ik van de grootheid
Van al dat bruisende water
Van het bulderende geklater
En ik denk aan Gods majesteit

God die dit alles gemaakt heeft
Zee, land, lucht en winden
In de natuur is ook Hij te vinden
God is het die ons dit alles geeft.

God zij geprezen dag aan dag
Om Zijn onmetelijke macht
Om Zijn heerlijkheid en pracht
Dat een ieder dit ervaren mag.


Dit gedicht is geschreven door op 23-07-2008
Geschreven door Dora om 19:32 Reageer op dit bericht

mijmering

Een gedicht van W.J. van Zeggelen 1811-1879

Barbiersmijmering

Mijn leven is een molen,
En ik ben 't molenpaard.
Mijn wapen is het scheermes,
Mijn glorie is de baard.
't Is iedre dag het zelfde:
Vroeg op is 't oud parool;
Ik bak vaak zoete broodjes
En ik verkoop veel kool.
Ik kal met oude heren
En scherts met jonge lui;
Ik critiseer de preken
En sla ook menig ui.
Ik jaag op alle nieuwtjes
En vent ze willig rond;
'k Ben rekbaar van conscientie
En dapper met de mond.
'k Streel honderden van kinnen,
Mijn mes is als een zij;
'k Zie honderden karakters
Zich openen voor mij.
Ik schik me naar de opinies
En neem er 't mijne van,
'k Ben ultra of gematigd:
Ik ken zeer gauw mijn man.
Ik weet van alle zaken
Zo wat het hoofdrefrein;
't Gemengde nieuws der kranten
Verwerk ik in mijn brein.
Ik spreek van Japanezen,
Van Holland op zijn smalst;
De paus en Garribaldi
Vind ik om beurte 't malst;
'k Roem ieder Ministerie,
Als 't op het kussen zit.
'k Herkauw het oude zuurdeeg,
En ben een Jan de Wit.
Ik gruw van oude zondaars,
Maar werk hen in de hand;
'k Ben zalvend en lankmoedig,
En toch een stokebrand.
'k Rijt oude wondjes open
En leg er pleisters op;
Hier voel ik jicht en jammer,
Daar dans ik mijn galop.
Ik houd wel veel van schuimpjes
En 'k viesneus van het schuim;
'k Zou graag het land regeren,
Maar 'k draai naar iedre luim.
't Vernuft heeft scherping nodig,
Nog meer soms dan mijn mes;
Ik hoor naar vele namen,
Maar 't meeste naar Jan Kles.
Ach, zepen om de centen,
Daar zit de hele kneep:
Laat ik de klantjes zitten,
Dan ga 'k voor goed om zeep.

De dichtwerken (1886)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:13 Reageer op dit bericht

herinneringen

Herinnering aan Holland


Denkend aan Holland
zie ik brede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
aan de einder staan;
en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een groots verband
de lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.


H . Marsman

--------------------------------------------------------------------

Geschreven door Dora om 19:23 Reageer op dit bericht

zwaard-lelies

Een gedicht Jacobus van Looy 1855-1930

Zwaard-lelies

In de oude, bekende vertrekken
Zij pronken en stralen en strekken
Hun vuur-prachtig rood;

Zij staan voor de ramen te gloeden
Als van kardinalen de hoeden,
Van machtigen, groot;

En staan in de hoeken te vlammen
Als pluimen in hellem-kammen
En vanen in oorlogs-nood;

En schaatren diep en schreeuwen
De kreet stil die ging door de eeuwen
Om Vrijheid en brood;

En sieren door hunne verschijning
Heel 't huis met die donkere schrijning
Van de wieg tot de dood .

Gedichten (1932)

Illustratie: Zwaardlelies of gladiolen

schrijver

Geschreven door Dora om 10:51 Reageer op dit bericht

Oranje

Een gedicht van Willem Bilderdijk 1756-1831
Oranje

Vlecht Oranje om de hoed!
Holland rijst met nieuwe moed
Uit de schoot der waat'ren!
Huppel vrolijk in het rond!
Daver Hollands vruchtbre grond!
Laat de vreugde schaat'ren!

Holland grijpt de wapens aan,
Om de vijand af te slaan;
Plant de leger vanen,
En het uitgetogen zwaard
Zal de fiere Leeuwstandaard
't Spoor der zege banen.

Holland blinkt in 't krijgsgeweer;
Holland vlamt op krijgsmans eer;
't Zal zijn haard bevrijden.
En de God, die wond'ren doet,
Zegent aller brave moed:
Hij zal met ons strijden.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:57 Reageer op dit bericht

zonnebloem

Een gedicht van Frederik van Eden 1860-1932
Zonne-bloem

Ik ken een plant, niet fraai van loof
niet schoon, niet rank gesteeld.
Haar vorm is lomp, haar bloem is grof,
Geen dichter zingt er ooit zijn lof
of nam haar tot zijn beeld.

Toch heeft zij iets wat mij behaagt.
Zij keert zich naar het licht,
van af het eerste morgen-uur
wendt zij naar 't vrolijk zonnevuur
haar groot en geel gezicht.

Ik wilde dat ik als die bloem
naar 't licht mij wenden kon.
Zij draagt de kleur der vrolijkheid
en richt haar kelk ten allen tijd
naar 't helder licht der zon.

Jeugd-verzen (1926)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:55 Reageer op dit bericht

smalle ring

Een gedicht van P.C. Boutens 1870-1943

De smalle ring

De smalle ring, de gouden band
Schendt niet de naaktheid van uw hand,
Gelijk uw stralend lijf niet weet
De schaduw van zijn donkre kleed:

Uw stralend lichaam lijdt noch weet
De schaduw van zijn donker kleed,
Zoals geen lijf of stof bezwaart
De ziel die door uw ogen klaart:

Geen aardse lijf, geen stof bezwaart
De ziel die door uw ogen klaart,
Als smalle ring, als gouden band
Niet schendt de naaktheid van uw hand.

Vergeten liedjes (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:47 Reageer op dit bericht

lente

Een gedichtje van Herman de Gorter 1864-1927
Een nieuwe lente en een nieuw geluidIk wil dat dit lied klinkt als het gefluitDat ik vaak hoorde voor een zomernacht,In een oud stadje, langs de watergracht
Geschreven door Dora om 21:39 1 reactie Reageer op dit bericht

de dood

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

De dood, dat is

De dood, dat is, niet meer de zon zien, is
Niet meer de sterren zien, aan hoge nachten,
De dood, dat is het niet meer mogen wachten,
De ochtendschemering, de duisternis.

De dood, dat is, het niet meer mogen zijn,
De dood, dat is, het niet meer mogen denken,
De dood, dat is, niet meer bewust U schenken
Weg, te worden tot een ander zijn.

De dood, dat is, in stilten liggen, waar
Het ruisen leeft der levens-overgangen,
De dood, dat is, het henenzinken naar
De Chaos, die U eertijds hield omvangen.

De dood, hij is een scheidende, hij giet
Alle gestalten om tot nieuwe vormen,
Hij is de onaandoenlijke, hij ziet
Voorkeureloos de mensen en de wormen.

De dood, met vreemde lach, heeft leven lief,
De dood, hij komt het goede leven halen
En kust het weg; geruiseloze dief,
Sluipt hij de poorten langs en de portalen.

De dood, gij wildet zijn gelaat niet zien,
Maar nu gij hem gezien hebt, werd gij stille,
En legt U heen, en lacht tot hem misschien,
En zijt geworden, tot een zonder wille.

Een lafenis is hij, een goede daad,
Maar een, bij wiens nabij komen wij wenen,
Wanneer zijn hand iets wat ons lief is slaat,
En niet neemt ons, maar wel dit lieve henen.

O dood, neem mij tot U, fluister mij aan
De diepe zin uwer veranderingen,
En laat mij niet uw stilte binnengaan
Voor ik van uwe fluistering mocht zingen.

Van God en van de natuur (1921)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:23 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten