Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

hand

Nog een hartenkreet vandaag...in zulke heb ik een behagen als je
weet dat je door de Troost bent gered en wordt gedragen! Dat is voor een
ander mens dan die onzichtbare hand!
Dat is de ontfermende Vader hand! Waarmee je gaat naar het Beloofde land!

Schrijver Hans Uding

EEN TROOSTENDE HAND

Een troostende hand zegt vele malen meer
dan ontelbare goedbedoelde woorden
het gevoel heeft het gehoor overtroffen
in het leven kan je toch nog boffen

weggehaald voor de poorten van de hel
dat beseft hij nu zeker wel
dit was het verhoren van zijn gebed, maar
die warme troostende hand heeft hem gered



Geschreven door Dora om 10:57 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

vrede

Een hartenkreet van Anke zij is voor mij een onbekende maar haar
gedicht is er één van een bekende!

Vrede

Als Jezus in mij geboren wordt
heeft heel mijn wereld vrede.
Dan kom ik God in mensen tegen
en dat betekent: geen tekort.

Als Jezus in mij geboren wordt
kan ik de waarheid uit gaan dragen.
En antwoord geven op wat vragen
geboren heelheid groeit dan voort.

Als Jezus in mij geboren wordt
zal ik bedoelingen begrijpen
en kan ik groeien en gaan rijpen
dan is er weinig, wat me stoort.

Als Jezus in mij geboren wordt
heeft heel mijn wereld vrede.
Dan kom ik God in mensen tegen
en doe ik niemand iets tekort.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:48 Reageer op dit bericht

vlinder

Een gedicht van Prudems van Duyse 1804-1859

De vlinder en de mier.

Bij het lachend morgenkrieken
Zeide een vlinder, hups en fier
Aangesneld op bonte wieken,
Aan een arbeidzame mier:
‘Zie mijn vlerken!
Blijf maar werken;
Nergens zijt ge wellekom.
Waar ik vliege,
En mij wiege,
Volgen de ogen mij alom.’

't Miertje zweeg; maar, toegesprongen,
Greep, met rapgesloten hand,
Naar de vlinder reeds een jongen,
Roepend: ‘Ha, ik ving u, kwant.
O, hoe vonkelen
En hoe kronkelen
Al die kleuren onder een!
Welk een buitje!
Aardig guitje,
Gij ontvlucht me niet, o neen!’

't Miertje, onder 't kruid verdoken,
Sprak, wanneer 't de vlinder zag
Met een spelde 't lijf doorstoken:
‘Kan een kind zo wreed zijn, ach!
Wie zijn schoonheid
Zo ten toon spreidt,
Vaart ellendig menig keer.
Ik leef rustig,
Ik werk lustig;
Wat verlange een miertje meer?’

Gedichtjes voor kinderen (1849)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:48 Reageer op dit bericht

dwaze maagd

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

De dwaze maagd

'k Weet niet waarom, maar heel alleen
ben 'k blootsvoets door de nacht gegaan
en vroeg met een stem, die de mijne niet scheen:
"Wie neemt mij aan!"
'k Ga hier voorzichtig, volgeschonken,
boordevol als een lamp
en mijn hoofd doet pijn of 't lichaam is dronken
en vreemd om mijn hart knelt een kramp.
Wie?....

Gij behoeft niet te spreken
'k verlang niet te kennen Uw nood !
wie wil mij ontsteken,
wie geeft mij het leven met d'inslag van dood? —
Hier zijn mijn voeten, mijn borsten, mijn handen,
hier zijn mijn leden, mijn lippen, mijn mond,
wie laat mijn folt'rend smachten verbranden?
wie heft heel mijn wezen van aard-zware grond?

Ik weet te goed uit al mijn dromen
dat geluk in diepste doorstraling bestaat
en weet dat het eenmaal tot mij moet komen
in de godlijke vorm van een menselijk gelaat !
En daarom ...

Ja daarom misschien ging ik nu door de nacht
en nam alleen mijzelve mede
tot wie mij wacht
en geeft de eindelijke langvoorvoelde vrede ...


Ach 'k ben toch niets meer dan mijn gesmeekte bede

Parijsche Verzen (1923)


schrijver


Geschreven door Dora om 14:31 Reageer op dit bericht

wanneer

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

Wanneer wij zullen naakt zijn als de zee

Wanneer wij zullen naakt zijn als de zee,
Het blad, de boom, de ster, de maan, het licht,
En als de nacht zo diep en ruim en echt
En als de atmosfeer oneindig;
Wanneer wij hebben weggestuurd, wat ons
Weerhoudt te zijn zo open als de ruimte,
Wanneer wij, woorden-vollen, zullen zijn
Zoals het woordeloze naakt en echt,
Dan zullen wij de adem van de nacht,
Het spreken van de sterren om de maan,
De tekens die de bomen schrijven, weten,
En worden in het woordeloze ruim
Uitzeggers van een wonderzacht bevel.

Van God en van de natuur

Geschreven door Dora om 16:51 Reageer op dit bericht

afrikaantjes

Een gedicht van Karel van den Oever 1879-1927

Afrikaantjes

Mijn handen rieken van uw reuk
waar ik uw steel en blaren kreuk,
o gulden Afrikaantjes,
en 'k hou van u zo veel en teêr
als straks uw parkskens gloeien weer
saffraan-goud in de laantjes ;
ik riek u dan zo bitter-fris,
onaards en vol geheimenis.

Verzen uit de oorlogstijd (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:44 Reageer op dit bericht

glimworm

Een gedicht van J.P.Heije 1809-1876

Glimworm.

Gij mooie glimworm, die in 't woud
Des nachts zo helder blinkt door 't hout,
Alsof het sappig groen der bladen
Met diamanten is beladen,
Och! zeg me eens (zo ik 't weten mag)
Waarom glim je ook niet over dag?
Als Ik zo prachtig licht kon geven,
Dan deed ik 't vast mijn hele leven,
En niet alleen, dat waar' gewis,
Als 't donker is.

- Wel, kind! ik zeg 't je met plezier;
En, ben ik maar een simpel dier,
Toch kunt ge er mooglijk nut uit halen...
Wanneer de warme zonnestralen
Een stroom van licht, een stroom van goud
Doen vloeien over veld en woud,
Zou 'k vrezen heel verwaand te lijken
Als ik mijn zwakke glans liet kijken;
En deed ik 't al... 'k wed, dat bij dag
Toch niemand 't zag.

Och! denk om mij, mijn lieve kind!
Als gij bij andren u bevindt,
Die, als een zon, met warme stralen
Van liefheid, deugd of kennis pralen;
Hou dan bescheiden 't mondje toe
En wacht, gelijk ik zelf het doe,
Tot gij, wanneer die andren zwijgen,
In ootmoed ook een beurt kunt krijgen...
Slechts als ge er nut of vreugd door sticht,
Geef dan uw licht. -

schrijver

Geschreven door Dora om 11:33 1 reactie Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947
schrijver

Liedje...

Ik zou niet graag
Alleen, vandaag,
Door hoven gaan van love'ren schone,
Als ik niet kon
De lucht, de zon
En waar zij óp schijnt, aan u tonen.

Hoe licht de schijn
Der zonne rein
Langs 's werelds eeuw'ge kleurenweelde!
Maar wat zou mij
Dit hooggetij
Der schoonheid zijn, zo gij 't niet deelde?

Want uw gelaat
In schoonheid gaat
Der wereld schoon zó zeer te boven,
Waar dat niet is
Blijft droefenis
Op 't blauw der lucht, op 't groen der hoven.




 

Geschreven door Dora om 11:51 Reageer op dit bericht

uren

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Uren

Dit is Uw aard, o uren van 't verleden,
Steeds als gij wordt gewenkt, bereid te staan,
Om uit Uw rijk van schemering te treden
In zonglans of het glinstren van de maan.

Een glimlach is genoeg, een diep verzuchten,
En ijlings snelt gij, uit de slaap gewekt,
Elk met een korfje aan, vol geurge vruchten,
Door vochtig mos of een bruin blad bedekt.

En deze lavende oogst, die gij komt schenken,
Smaakt rijp en sappig, daar de tijd verzoet:
Een oude liefde ontroert zo bij 't herdenken,
Een vreugd lijkt goddlijk en het leed wordt goed.

Hoe zal het zijn, als die U placht te roepen
De sluimer van zijn langste nacht begon,
En hij niet meer Uw dansvervlochten groepen
Zien zal bij maanlicht of de gloed der zon?

Zijt gij dan ook gestorven, koor der uren,
En ligt gij bleek en roerloos, hand aan hand,
In huivrig duister, naast gedoofde vuren,
Ergens ver weg aan een verlaten strand?

Of hebt gij, dappre schaar, getrouwe ronden,
Die elke klacht naar U, hoe zacht ook, hoort,
Uw vroegre heer in 't ander land gevonden,
En wordt hij daar nog door Uw komst bekoord?

Het aardsche paradijs (1927)

Geschreven door Dora om 10:57 Reageer op dit bericht

uren

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Uren

Dit is Uw aard, o uren van 't verleden,
Steeds als gij wordt gewenkt, bereid te staan,
Om uit Uw rijk van schemering te treden
In zonglans of het glinstren van de maan.

Een glimlach is genoeg, een diep verzuchten,
En ijlings snelt gij, uit de slaap gewekt,
Elk met een korfje aan, vol geurge vruchten,
Door vochtig mos of een bruin blad bedekt.

En deze lavende oogst, die gij komt schenken,
Smaakt rijp en sappig, daar de tijd verzoet:
Een oude liefde ontroert zo bij 't herdenken,
Een vreugd lijkt goddlijk en het leed wordt goed.

Hoe zal het zijn, als die U placht te roepen
De sluimer van zijn langste nacht begon,
En hij niet meer Uw dansvervlochten groepen
Zien zal bij maanlicht of de gloed der zon?

Zijt gij dan ook gestorven, koor der uren,
En ligt gij bleek en roerloos, hand aan hand,
In huivrig duister, naast gedoofde vuren,
Ergens ver weg aan een verlaten strand?

Of hebt gij, dappre schaar, getrouwe ronden,
Die elke klacht naar U, hoe zacht ook, hoort,
Uw vroegre heer in 't ander land gevonden,
En wordt hij daar nog door Uw komst bekoord?

Het aardsche paradijs (1927)

Geschreven door Dora om 10:57 Reageer op dit bericht

nodige

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

NOODIGHE SWACKHEIT

Gedenkens taaie kunst en wens ik niet te weten:
Ik hadd' er liever een te leren van Vergeten.
Zou mij te voren staan al wat ik heb bezweet
In lijden of in vrees; het waar een pak van leed
Dat and're schouderen als mijne mosten dragen:
Zou ik ook al de vreugd van all' mijn blanke dagen
In ene spiegel zien: een sterker oog als 't mijn
Most dat verzamelde gebliksem machtig zijn.
Wat is 't ons dienstig dat vergeten en onthouwen
Haar krachten wederzijds onthouwen en verdouwen;
Wat is des Heeren doen voordachtig en doorwijs,
Die ons 't herdenken wel vergunt; maar stuksgewijs!

De gedichten VI, ed. J. A. Worp, J. B. Wolters, Groningen.(1896)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:33 Reageer op dit bericht

nodige

Een gedicht van Constantijn Huygens 1596-1687

NOODIGHE SWACKHEIT

Gedenkens taaie kunst en wens ik niet te weten:
Ik hadd' er liever een te leren van Vergeten.
Zou mij te voren staan al wat ik heb bezweet
In lijden of in vrees; het waar een pak van leed
Dat and're schouderen als mijne mosten dragen:
Zou ik ook al de vreugd van all' mijn blanke dagen
In ene spiegel zien: een sterker oog als 't mijn
Most dat verzamelde gebliksem machtig zijn.
Wat is 't ons dienstig dat vergeten en onthouwen
Haar krachten wederzijds onthouwen en verdouwen;
Wat is des Heeren doen voordachtig en doorwijs,
Die ons 't herdenken wel vergunt; maar stuksgewijs!

De gedichten VI, ed. J. A. Worp, J. B. Wolters, Groningen.(1896)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:32 Reageer op dit bericht

weten

Een gedicht van Jan Veth 1864-1925

Wij weten niet vanwaar wij komen

Wij weten niet vanwaar wij komen,
Wij weten niet waarheen wij gaan, -
En enkel in vermeetle dromen
Wanen wij 't leven te verstaan.

Wij zijn getogen uit een duister,
Dat duizend raadselen omving,
Van vroeger uitgedoofde luister
Herleefde ons geen herinnering.

Op golven worden wij gedragen,
Wij naadren geen beveiligd strand,
En nimmer wenkt op onze vragen
Een teken van 't begeerde land.

De dagen voelen we ons ontglippen,
De ruimte om ons is maatloos wijd, -
En mensen zijn maar nevelstippen,
Vervluchtigend in de eindloosheid.

Hun schimmen komen en verglijden,
In 't niet verjaagd, door wat, door wien?
Wat zijn ons lijden en verblijden
In 't licht der eeuwigheid gezien!

IJdel zijn treuren en verheugen,
Des harten durende ebbe en vloed, -
Want leed en liefde zijn maar vleugen
Van de eeuwge vlam, die teert en voedt.

Wij zien de kringloop der seizoenen,
En hoe uit ieder morgenrood
Een blanke dag deint, en het groenen
Van 't lover uitgeelt in de dood.

De dagen wenden zich tot nachten,
De dorre takken groenen weer, -
Wij armen zien, in blij verwachten,
De nieuwe kentring telkenkeer.

Maar nooit erlangen wij de weelde,
Te wandlen in bestendig licht, -
En 't zand, waar 't argloos kind mee speelde
Stuift over 't graf, waar 't eens in ligt.

Wat baat ons peinzen, wat ons peilen;
Het lood zinkt neer en vindt geen grond.
Geen mens, die zeeën kan bezeilen,
Waar niemand vaam of koers in vond.

Er wàs geen vroegst begin der dingen,
Er staat geen eindpaal in 't heelal, -
Wij zien alleenlijk wisselingen
Van al wat was en wezen zal.

Hoe zouden wij de zin bevatten
Van wat ons ieder uur ontvliedt!
De stervling kan wel grenzen schatten,
Maar 't grensloos onbegrensde niet.

Wij hebben 's levens wijn gedronken
En dansen op des levens lied, -
Maar straks, in mijmering verzonken,
Begrijpen wij ons zelven niet.

Wij weten niet vanwaar wij komen,
Wij weten niet waarheen wij gaan,
En louter in verdwaasde dromen
Wanen wij 't leven te verstaan.


---------------------------------------

erlangen: verkrijgen, verwerven

 

Geschreven door Dora om 10:28 Reageer op dit bericht

sterrenkind

Een gedicht van Jacob Slauerhoff 1898-1936
Sterrenkind

Een sterrennacht op de wereld geworpen,
In sneeuw begraven door de wind,
Houthakkers brachten naar hun verre dorpen
Als een gevonden schat het sterrenkind.

Zij dachten hun vrouwen gelukkig te maken
Omdat zijn mantel van zilver was,
Maar zij moesten hem voeden en bij hem waken
Als was hij een kind van hun eigen ras.

De mantel konden zij niet verkopen,
Geen zilversmid geloofde er aan;
De pope wou de vondeling niet dopen,
Dat heidenkind gevallen van de maan.

Geen timmerman wilde hem laten werken,
Die tere prins, wat had men er aan?
De kosters joegen hem uit hun kerken,
Het heidenkind dat peinzend stil bleef staan.

En op een nacht is hij weer verdwenen;
Het dorp telde vele kindren minder,
Terwijl opeens veel meer sterren schenen.
Het was zeven jaar geleden. En weer winter.

Serenade (1930)

 

Geschreven door Dora om 11:32 Reageer op dit bericht

moederweelde

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Moederweelde

O toen ik mijn kindeke droeg in mijn schoot,
Hoe groeide mijn hart zo reuzegroot
Als kon het de wereld bevatten
En de stralende goudene zonnebal
En de sterren, die flonkeren zonder tal
En de zilveren maan in de hemelhal
En de aarde met al haar schatten!

En mijn ogen, die schouwden wel kalm en wijs,
Want ik voelde in mijn boezem een paradijs
En mijn lippen, die lachten zo vredig,
Want ik zag wat alleen maar een moeder ziet
En mijn vreugd was te heilig, ik zei haar niet
En het was nog te vroeg voor een zegelied,
Want mijn armen, die vielen nog ledig.

Doch nu er mijn kindeke woelt op mijn schoot,
Nu grijpt het mijn hart zo reuzegroot
In zijn rozige dartele handen.
En het is mij een wonder, waarover ik zon,
Hoe mijn hart, dat de wereld bevatten kon,
Met de bloemen, de sterren, de maan en de zon,
Ligt zo klein in die tengere wanden.

De Gids (1909)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:23 Reageer op dit bericht

duinpan

Een gedicht gelezen en maar geplaatst

In een duinpan

Wat moet ik op dit eiland met het woord
'woestijn'? Op een zandplaat ligt het
voor de hand maar hier in deze duinpan
waarin ik Jesaja lees? Ah, het welig
bloeien van de narcis! Jaloezie steekt
de kop op want ik ben dor land. Hier klinkt

de belofte dat het gloeiende zand
een waterplas wordt en ik veranderen
zal in een bron van inspiratie

-------------------------------------
uit: 'Ode aan de ooievaar', 2003

schrijver

Schrijver: Anton van Ent
Geschreven door Dora om 11:23 Reageer op dit bericht

zij

Een gedicht van Jacques Perk 1859-1881

ZIJ KOMT

Gij, berken, buig uw ranke lovertrossen!
Strooi, rozen, op het zand èn sneeuw èn blad!
Gij, zwaatlende olmen, nijg u naar het pad,
En kus de dauw van sidderende mossen!

En, snelgewiekte liederen der bossen,
Stem aan èn zang èn lof! En, klimveil, dat
De slanke, diepbeminde beuk omvat,
Druk hechter aan de twijgen u, de rossen!

Voorzegger, die uzelve roept, o, kom,
En roep uw „koekoek” duizend blijde keren,
En fladder aan, vergulde vlinderdrom!

Zij zweeft hierheen, die zon en zomer eren:
De lof van hare schoonheid klinke alom,
Waar zon en zomer te beminnen leren!

schrijver

Geschreven door Dora om 11:49 Reageer op dit bericht

tijdloze

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

't Tijdloze en 't Tijdelijke

De dennen wiegen de eeuwig groene kronen
In 't zachte blauw, dat aarde en al omspant,
En in de diepte voor ons ligt het land,
Waar duizend nijvren hof bij hof bewonen:

Hier drijft een landman met de kracht'ge hand
De vore' in de aard, die tijd en arbeid lonen,
Oogst reeds een ander 't ooft welks rode konen
De almachtige zomerzon heeft rijp gebrand.

En de ovens langs, waar rode stenen drogen
In 't zelfde zonlicht, kronkt de blauwe stroom,
Die boten met een zacht geraas bevaren;

Zo zag ik, wie maar even leven mogen,
Met wat reeds daar was meer dan duizend jaren,
't Tijdloze en 't tijdlijke als droom van een droom.

schrijver

Geschreven door Dora om 15:05 1 reactie Reageer op dit bericht

regen

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Regen, regen in de tuin

Regen, regen in de tuin,
- o gestild begeren, -
zonne-bloemen, schoon en schuin,
die hun loom-gekroonde kruin
naar geen zon en keren;

nieuwe blanke glanzen aan
zware en matte vruchten;
- vroom herleven van mijn waan
door een zacht-gerezen traan,
door mijn zoete zuchten;

- heel het huis is warm en toe;
buiten ruist de regen;...
- vrezig-blij te voelen hoe
't koeler voorhoofd, vredig-moe,
gaat ter hand-palm wegen...



1912

(Niet gebundeld en nagelaten werk) Verzen van 1899 tot 1914

Geschreven door Dora om 11:04 Reageer op dit bericht

zomer

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Zomer.

Ik zat waar zon op 't warme water scheen
En gele bloemen bloeiden aan de kant;
Het grazend vee ging door de weiden heen,
De zomerlucht hing walmend over 't land.

De wilgen waren zilverbleek en stil
Voor 't stralend blauw, van wolk en nevel vrij;
Een glazenmaker vloog, met lichtgetril
Op 't parelmoerig vleugelgaas, voorbij.

De schuwe vissen, in 't koeldonker diep,
Verschoten snel, of stonden lang op wacht,
Waar d'aarde zich, in beeld, nog schoner schiep,
Dromend de zomerdroom van eigen pracht.

En over 't hooiland, waar een wagen stond
Met vers-groen gras te geuren in de zon,
En verder waar het drachtig korenblond
Met brede golving boog ten horizon,

Tot waar een scheem'rend bos zich flauw verhief,
De wereld wegsmolt in der hemelen gloed,
Dreef mijn gedacht, hoe schoon de dag was, lief
Uw schone ziel verlangend tegemoet.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:31 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten