Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

anders

Een gedicht van Wilhelm G. Focquenbroch

Anders

Ik ben de plaats die 't rif van Mr. Fok begrijp,
Die in de rook zijn leven zag verzwinden:
Wat meent gij lezer, dat gij in dat graf zult vinden?
Niet als wat as van een schoon uitgeblazen pijp.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

zomer

Een gedicht van Hein Boeken 1861-1933

Tot de gesluierde zomer

Wat wilt ge, o Zomer, 't aanzicht niet ontbloten,
Maar schuilt en houdt de sluier voor die ogen,
Die ons te aanschouwen nimmer nog verdroten,
Hoe vaak ook hun beloften ons bedrogen.

En schoon ook soms die plooien het gedogen
Dat onze blikken langs uw leden schoten,
Wat troostten ze ogen, die niet drinken mogen
Stromen, die u uit de open ogen vloten?

Vertoon u Zomer, laat de macht'ge plooien
Der slui'ren, die voor 't geestesoog verdonkren
Der godheid beeld u niet tot voorbeeld strekken.

Onthoud ons de gena niet van uw trekken
Zo niet bij dag, bij nacht uw ogen flonkeren
Grauw zijn de schoonheên, die uw leden tooien.


juli 1907

Proza en Poëzie (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 16:20 Reageer op dit bericht

loutering

Een gedicht van Eduard Brom 1862-1935

Loutering 1.

1.

Nu sta ik op de reuze-hoge top
Van verre Loutringsberg, fier en alléén...
In bangn, bloedge lijdenstocht steeg 'k òp,
Door rotsgegrim en duistre wouden heen!

Hier troont de vrijheid, die mijn harte-klop
Juichend versnellen doet... hier heerst slechts Eén,
Hij, de Eénge en Ene, die mijn harte-knop
Doet springend bloeie' in geurwolk van gebeên!

Hier lacht de klare, goddelijke Rust,
Limpide als 't hemelwelf, onmeetlijk wijd,
Groot-eenzame eindloosheid van goudblank licht!...

Gods eigen ruste heerlijk-koelend streelt
Mij 't brandend voorhoofd... God, Die ik belijd,
Staar 'k recht en fier in 't Heilig Aangezicht!

schrijver

Geschreven door Dora om 16:10 Reageer op dit bericht

riet

Een gedicht van een onbekende schrijver...Martin Valk
Maar een natuurgedicht is iets waar ik voor zwicht!

Riet, kabbelend water.
Wanneer je aan de waterkant zit
Is dat het eerste wat je ziet.

Dan later een fuut die plotseling vedwijnt.
En even later ergens anders weer verschijnt.

Een kikker, hij klautert zojuist op de kant.
Hij is nu liever even op het land.
Er heerst een zekere vrede en rust.
Daar word je jezelf wel van bewust.    

         
Geschreven door Dora om 13:35 Reageer op dit bericht

regen

Een gedicht van Salomon Bonn 1881-1930

REGEN

De regen viel met gootjes
het koren wier zo nat,
de velden en de slootjes
verdronken, en het pad.

De boeren op hun klompen
bleven maar zachtkens gaan,
Alleen hun petjes krompen
tegen hun koppen aan.

De peerden glanzig druipend
en maan en steert verward,
zeulden haar pas, als kruipend,
alleen ze dampten hard.

De lekker groene blaaien
die stoeiden met elkaar,
joegen te spel e-waaien
en klik-kiek! zoenden maar.

Melker, melkster, getweeën
die schuilden in het groen ... .
en wat ze verder deeën ? ... .
.... wat jongelieden.... doen ...

Een arme spreeuw was rouwig
die zat alleen en koud
bij zandkuil, en keek grauwig
naar 't paar in 't groene hout.

hoe regen viel met gootjes
hoe de lucht op 't koren zat,
hoe de velden en de slootjes
verdronken, en het pad.

schrijver

Geschreven door Dora om 12:44 1 reactie Reageer op dit bericht

gaan

Een gedicht van Remco Campert

Gaan

Ik zal gaan
O met genoegen zal ik gaan
met diepe vreugde en trompetgeschal
ik zal gaan

Als jij roept zal ik gaan
mijn werk mijn eten en mijn handen
zal ik laten staan
als jij roept zal ik gaan

Als jij roept in de morgen
in de middag in de avond
in mijn dromen in mijn waken
als jij roept zal ik gaan

Ik zal gaan
al breken ze mijn benen
al moet ik kreupel gaan
engelen binden dan mijn wagen
vleugels aan

Ik zal gaan

schrijver

Geschreven door Dora om 17:10 Reageer op dit bericht

natuur-lijk

Een gedichtje geschreven door Johanna

Natuur- lijk

Na de zon, komt altijd weer regen,
na de regen komt meestal de zon,
maar het lijkt als of met zijn allen
alleen de regen maar zien vallen!

Want geen mens zul je vandaag horen
dat de zon schijnt.

zon-zakt-in-de-zee.gif
Geschreven door Dora om 15:17 1 reactie Reageer op dit bericht

wat

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Wat is het goed aan 't hart van zacht verliefd te zijn

Wat is het goed aan 't hart van zacht verliefd te zijn,
zijn luimen naar een verre' of naêre lach te meten,
en, te elken avond weer het kommer-brood gegeten,
weer blij te mogen rijze' in iedre morgen-schijn,
deed nieuwe liefde-lach het oude leed vergeten.

Ik weet niet wat geluk is; maar uw schoon gelaat
is kalm, en maakt me blijde, en doet mijn leden rillen;
- en 'k lách, gelijk een kind dat door een water waadt,
en, vreemde vreugde in de ogen, áarzelt, in den kille
en ringlend-zilvren vloed die zijne voeten baadt.

Want ik bemin u, vrouw; en zo mijn dralend schromen
slechts de ogen toé uw tegen-lachen is genaakt:
zo was ik als een kind dat, gerens-blij gekomen
naar glanz'ge vruchten-pracht in lomende avond-bomen,
beducht om zóveel schoons, geen enkle vrucht en ráakt.

Geschreven door Dora om 18:01 Reageer op dit bericht

woud

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

Het woud

Donkre bomen uit mijn kostbaar woud,
Geboren naar de hemel op te schieten,
En uit uw waaiend koepel-dak te gieten
Koelte, waarvan de grijze aarde houdt,

Zoals een orgel zijt gij opgebouwd:
Pijpen van klank en fijne hoge sprieten,
Die uit hun steigering stemmen loslieten, —
Te roepen staat gij, klankenwachtend hout.

Des ochtends komt uw hemelse bespeler,
Uw organist, uw goudenklankuitdeler, —
Zijn voet aanraakt uw donkerend pedaal,
Zijn vingers zijn op dansende lichtstraal,
Hij loopt met trillers langs uw stammendos,
En uit uw takken breekt verrukking los.

Liederen van huisvlijt (1917)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:17 Reageer op dit bericht

over

Een gedicht van Hernriëtte Roland Holst-van der Schalk  1869-1952

Over het eigenlijke in ons en hoe dat te onderscheiden

Het ware-in-ons is dat wat onverloren
’t schokken en geweldig deinen doorstaat
waarmee ons weze-in-wording zich ontlaadt
van dinge’ in hem die hem niet toebehoren.

Gedachte’ en voelingen, daaruit geboren
vormen iets blijvends dat ons niet verlaat
en dat we als ons hart stil is, kunnen horen
als een klok die diep onder wat’ren slaat.

Gemak’lijk zijn deze te onderkennen
aan hun vastheid en aan ’t volstandig wezen
dat hun oorsprong uit een weten verraadt,

zoals het niet zwaar valt de uitgelezen
en hoge geest van een mens te herkennen
aan iets voortreffelijks in zijn gelaat.

Sonnetten en verzen in terzinen geschreven

schrijver

Geschreven door Dora om 19:15 Reageer op dit bericht

ruiter

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

De ruiter

In vlammenpracht, die pralend hem omvangt,
Rijst hoog de ruiter op zijn donker ros,
De wapperende manen waaien los
Van 't edel dier, dat naar 't gebied verlangt,

Waar reiner lucht het vonkelend omprangt,
Waar het zal dolen door 't fantastisch bos
Van sprookjesrijken, waar met vreemde dos
Onaardse kleur 't onaardse land omhangt.

De ruiter is éénswillend met zijn dier,
En laat het vrij te vliegen naar zijn aard,
Ook hij streeft naar een hoger land van licht.

Zo gaan zij beiden, hooggestemd en fier,
Als in apocalyps, èn man èn paard,
In vlammenpralend, visionair gezicht.

Ver van 't gewoel (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 08:51 Reageer op dit bericht

verschiet

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

Het verschiet

Tot in de donkerste spelonken
Van levens alverlorenheid
Heeft mij uw zuiver licht geblonken,
Mij uw gedachtenis verblijd.

Nog uit mijn bitterste uren klonken
De woorden op aan u gewijd.
Gij waart mijn heul, mijn troost, - gij zijt
De enige toevlucht, mij geschonken.

Nu is dan ’t ogenblik gekomen,
Dat we aan de nieuwe morgen staan,
En de waranden opengaan,
Die en alzijdig, onzer dromen, -
Dat liefdes ongestoord verschiet
Rondom ons ligt, - en anders niet.

Getijden

Geschreven door Dora om 10:53 Reageer op dit bericht

woud

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914
Laatst toegevoegde gedicht (nr. 3.329):

Woud bij nacht

Luister.... tussen de stammen van het woud
Gaan zachte schreden... zacht en zachter: 't Leven
Dat wegtrekt en zich neervlijt. Alle dreven
Zijn leeg nu van geluid; de Stilte houdt
Haar intree en de Schemering, gedreven
Door hare broeder Nacht, blust snel het goud
En alle purperglansjes, die op 't hout
En op de verre wolken zijn verheven.
De stammen witten òp een wijle in 't dicht
Neervallend vaal als bleek gebeelde zuilen
Van droometempel zwijmend voor 't gezicht.
Dan wèg - als lichaamloos - zuilen en tuilen
Van slapend loof; wèg in 't aldonkrend zijgen
De ruimte in 't rond.... Zwarter het zware zwijgen.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:47 Reageer op dit bericht

geduld

Een hartenkreet van Victor R. Meijer

uit "hoelang duurt geduld?" "waarom vliegen merels heel dicht langs jou heen?"

waarom vliegen merels heel dicht langs jou heen
ik zie het steeds dit fenomeen
zie het telkens om je heen
net als ik het geeft ze een kick
dicht bij jou te zijn
dus daarom vliegen de merels
steeds heel dicht langs jou heen

waarom vallen sterren
zomaar uit de lucht
ik zie het steeds het lijkt een vlucht
ik zie het telkens om je heen
net als ik het geeft ze een kick
bij jou te zijn
dus daarom vallen sterren
dan zomaar uit de lucht

op de dag dat jij geboren werd
zeiden de engelen tot elkaar
we maakten haar uit toverstof
de droom die is nu klaar
dus ze strooiden een regenboog door je blonde haar
beschenen door wat sterrenstraal
dat was slechts een gebaar
dus daarom kijkt iedereen steeds om
ik ben alweer een hartslag kwijt
ja,zelfs de maan die lacht naar haar


schrijver

Geschreven door Dora om 10:52 Reageer op dit bericht

spinoza

Een gedicht van Noco van Suchtelen 1878-1949

Spinoza

Wijd wijkt de vale hei: mijn peilende ogen turen
Rusteloos door de mist die deint alom in ’t rond.
Ik zie niet waar ik sta, ik zie niet waar ik stond,
Omvangen te allen kant door onvatbare muren.

Ik ben niet bang: vast treedt mijn voet de ruwe grond:
Ik deins niet zo een wolk van weemlende figuren
Welt uit het nevelwaas als schimmen die niet duren;
Niets blijft, alles vervloeit … onzeker dwaal ik rond.

Maar vóór mij zie ik plots een lichte lijn opblinken,
Als boven ’t grauwe duin vér streept de zilvren zee;
“Dit is de weg” en ‘k ga, zacht fluitend, weltevree.

Zo dool ik door de neevlen die rondomme zinken
Op weten’s sombre hei; maar doemt, Spinoza, mij
Uw glanzend pad, hoe ga ‘k dan rustig, licht en blij!

Illustratie: Spinoza

schrijver

Geschreven door Dora om 11:57 Reageer op dit bericht

rijmelarij

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Rijmelarij

Zo veel
Het filomeel-
gekweel
Verschilt van ’t schorre meeuw-
geschreeuw
En ’t rauw gekras
Van ’t ravenras,
Zoveel verschilt de Bard,
Wiens hart
Zich-zelf verplicht
Tot zang en dicht,
Van hem, die ook poëet
Zich heet,
Maar van gevoel noch geestdrift weet,
En enkel regels smeedt
En kneedt,
Als een, die slaafs zijn taak verricht.-
O zie! met doodsverf op ’t gezicht,
Met de ogen strak op ’t blad gericht,
Dat voor hem ligt,
Zit daar
Jan Rijmelaar;
En zwoegt
En ploegt
Aan zijn gedicht,
Alsof ’t een reuzenarbeid waar,
Voor mensenkracht te zwaar.
’t Gerimpeld voorhoofd van
De man,
Zijn wenkbrauwboog, zo laag hij kan
Op ’t oog gedaald
En neergehaald,
Zijn daar de blijken van.
Op eens! daar slaat hij ’t oog
Omhoog,
Daar staart hij strak
naar boven, O!
Wat deert mijn sukkel dan?…
Daar slaat hij, met een woest misbaar,
De linkerhand in ’t zwetend haar,
En hijgt en steunt zo zwaar:
Daar brengt zijn magere rechterhand
De ganzenveder, die ze omspant,
Stuiptrekkend naar zijn mond,
Mond, waar zij ’t woeden van zijn tand
Zo dikwijls ondervond.
Balorig stampt hij op de grond,
Verschriklijk rolt zijn blik in ’t rond;
Hij slaat zich voor de kop;
Hij grijpt zijn RIJMREGISTER op…
Daar leggen hem de ontsloten blaân
Nog eens zijn ijslijk nood-
lot bloot,
En siddrend staart hij ’t aan.
Daar valt hij ruglings in zijn stoel,
En, meer dan half in zwijm,
En snikt (wie laat zijn jammer koel?):
‘ Helaas!… ik… vind… geen… rijm!’
……………………………………………………….
……………………………………………………….
Hij werpt zich op zijn
legerstee,
Maar slaapt (o smart!) niet in;
Nog maalt die halve
regelsnee
De dichtworm door de zin.
In ’t eind bezwijkt hij voor ’t geweld
Des zoete slaaps. Maar nu beknelt
Een bange droom de rijmerheld,
Die hem met duizend angsten kwelt,
Hem rillende op de pijnbank stelt,
Alwaar de diepbeklaagbre bloed
Zijn vers voltooien moet.-
Het is hem of hij ’t doet,
En of de faam, door stad en veld,
Zijn zuur behaalde zege meldt…
Maar hij ontwaakt en ’t woord
Is voort,
En – vruchtloos nagespoord!

Ach, staak een pogen, rijmerstoet,
Met zoveel zweets betaald;
Zo u de ware dichtersgeest faalt,
’t Is vruchtloos wat gij doet!
Het is een ingeschapen gloed,
Die dichter maakt. Geen vlijt en zweet,
Geen duizend regelen saamgesmeed
Met moeite, zorg, en kunst,
Verheffen immer tot poëet;
En, schoon ’t u schamele domheid heet,
Die van gevoel noch vinding weet,
De muzen, dwaze rijmerdrom!
Ontzeggen u haar gunst;
Zij sluiten u haar heiligdom.
Ei, keer weerom!
En spaar uzelf ’t onvruchtbaar leed
Der distelige paân,
Die de eerzucht op doet gaan.
Geslacht, dat niet gewaardigd zijt
Tot Phebus’* hoge luit!
Verslijt
De tijd
Met veêl*-
gespeel;
Beschouw de houten kermisfluit
Als uw gerechte deel;
Maar strek, in onbesuisde vaart,
Geen handen naar de citer uit,
Voor waardiger bewaard!-
O gij, wie dichtvuur ’t hart niet blaakt,
Dat van verrukking gloeit!
Waartoe een enkle toon geslaakt,
Waartoe met beuzlend rijm
gelijm
Uw duizlig brein vermoeid?

En gij,
Die mogelijk Poëzij
Erkent in ’s rijmers lied;
In wie de geest dier bastaardij
Nog heftige bewondraars ziet,
Nog schutspatronen vindt,
Wat, ezels! maakte u zo ontzind?
Wat heeft uw oog verblind?

Zo schaart, wanneer de wijde mond
Eens luiaards opengaat,
Die, VAN de wijs en UIT de maat,
Langs gracht en straat
Zijn jammerdeunen horen laat,
De domme volkshoop zich in ’t rond,
En ieder staat
Genageld aan de grond.
Maar, als de zachte filomeel
Haar duizendtonenrijke keel
Ontsluit tot lief gekweel,
En ’t lied doorgalmen doet door ’t woud,
Dan gaat die zelfde hoop voorbij,
Die haar zo zuivre melodij
Voor slechte wildzang houdt.

Ach, maakte eenmaal uw dwaas-
heid plaats
Voor dichterlijk gevoel;
Ontvonkte eenmaal die gloed
Uw bloed,
Hoe liet u ’t beuzlend rijmen koel,
Hoe streelde u ’t dichtrenkoor
’t Gehoor,
Hoe zoudt gij hun verheven toon
Eerbiedigen als ’t ENIG SCHOON,
schoon,
Hoe ruiste u die in ’t oor!

In ’t oor?… o neen, de ware Bard
Dringt tot het hart
En ’t innigst leven door!

------------------------------------------------
Filomeel: nachtegaal
Phebus: bijnaam van Apollo, god van o.a. de muziek
Veêl: vedel; viool

 

Geschreven door Dora om 12:43 Reageer op dit bericht

nufje

Een gedicht van Aagje Deken 1741-1804

Het nufje

'k Behoef geen vinger uit te steken,
Huishouding werd mij niet geleerd;
Waar zou ik dan mijn hoofd mee breken,
Wijl Moeder niets van mij begeert?

Op 't kostschool leerde ik bezigheden,
Geschikt voor lieden van fatsoen;
Wat Franse taal, wat Franse zeden,
En meerder heb ik niet van doen.

Ik kan wat dansen, zo wat zingen,
'k Speel zo, dat mij mijn Vader prijst:
Ik kan meest al die nutte dingen
Waarin men dames onderwijst.

Ik kan, 't is waar, maar sober schrijven,
En 't Hollands lezen gaat niet glad;
Maar zie, dit zijn ook tijdverdrijven
Bij grote liên niet hoog geschat.

Kon ik nu maar op speelpartijen,
Carrousels en concerten gaan,
Wat zou de tijd mij dan ontglijen,
Die nu voor mij schijnt stil te staan!

Ik heb wel goût om zo te leven
Zo als de grote wereld doet;
Maar 'k ben niet hoog genoeg verheven,
En ook 't ontbreekt me aan geld en goed.

'k Zit wat te knopen, wat te naaien,
En drentel zo wat op en neer;
Maar al dat klunglen, en dat draaien
Verveelt mij daaglijks meer en meer.

Zo 'k iemand had om mee te spreken,
Een soupirant, of een vriendin!
Maar niemands liefde is mij gebleken,
En vriendschap ken ik even min.

Hoe komt dien dag toch weer ten ende?
Dat weet ik inderdaad nog niet!
Waar op zal zich mijn aandacht wenden?
Wacht; ik ga lezen uit verdriet.

Wat heb ik aan 't gegeeuw, het zuchten?
Ik zoek zo 't mooglijk zij 't vermaak.
Ik heb komediën en kluchten,
En ook romans zeer goed van smaak.

Waarom de juffertjes meer lezen
Dan arme of wel schatrijke liên,
Is door dit voorbeeld klaar bewezen:
't Is, om 't vervelen toch te ontvliên.

--------------------------------------
goût - zin
soupirant - minnaar

Economische liedjes (1781)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:07 Reageer op dit bericht

oude visser

Een gedicht van Jules Schürmann 1873-1927

Oude visser

Waar avond-zon op 't koele blanke zand
Goudene gloed in plassen blinken laat,
Een oude visser onbeweeglijk staat,
Turend naar zee, op het verlaten strand.

Het stompje pijp geklemd in grove hand,
De helmhoed boven 't stoer, verweerd gelaat,
Dat half in rode halsdoek schuilen gaat
Staat hij daar groot in late zonnebrand.

D' oneindigheid van lucht en water leeft
In zijn hemel-blauwe en vochtige ogen,
Aandachtig naar onzichtbaar doel gericht.

Zoekt hij van ver blank-zeilig scheepje een licht.
Of denk hij door 't zacht golf-gedein bewogen
Aan doden, die de zee genomen heeft?

Onze Eeuw (1911)

Illustratie: 'Zittende oude visser' (1883) schilderij door Vincent van Gogh

schrijver

Geschreven door Dora om 11:08 Reageer op dit bericht

portret

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

BIJ SPINOZA’S PORTRET

Meester van ’t stil, wijs woord, lichtend fanal
Dat al wat is doordringt; de heldere blik,
Die dwars door waan en wankelbaar beschik
Het Ene als grond, vorm, zin zag van ’t Getal.

Van ’t diepste zwijgt wie stamelt: God is Al, -
Gij, grote Ziel, aanschouwde in ’t Ogenblik
’t Volmaakte Godsgeheim van ’t ik-loos Ik,
Dat door uw wijsheid spreekt en spreken zal.
Uw geest schiet stralen verder dan men weet:
Gij zelf de zuivere vorm van al dat licht,
Sterk en onschendbaar, boven sterfelijk lot.

Die vol van liefde vóór u staat, vergeet
Uw tijdelijkheid, en ziet in uw gezicht
Het hoog gezicht van ’t Eeuwige, onze God.

-------------------------------
fanal - vuurtoren, lichtbaak

Verspreide en nagelaten gedichten (1958)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:35 Reageer op dit bericht

zonnebloem

Een gedicht van Cornelis Hongh 1846-1896

De Zonnebloem.

Je bent een kleine bengel,
En waarom 'k je zo noem?
Eerst rukte je aan de stengel,
Toen plukte je aan de bloem.

Goudgeel zijn wel haar bladen,
Maar donker is haar hart.
Wie 't aanraakt, wordt verraden,
Kijk maar, je handje is zwart.

Kwam je aan je mondje er mede?
Dat is ook zwart als roet,
Laat maar de bloem met vrede,
Die nog wat groeien moet.

Dan krijgt ze zwarte zaadjes,
Die strooit de wind in 't rond.
En met je kameraadjes
Raap jij die van de grond.

En als je die gaat drogen
En in een doosje sluit,
Zaai ze allen - 't zal wel mogen -
Als 't voorjaar komt, dan uit.

Dan krijg je zonnebloemen,
Nog groter wel dan ik.
Elk zal je tuintje roemen,
En jij hebt grote schik.

Kijkjes in het rond (1881)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:22 1 reactie Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten