Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

seniorennet.beseniorennet.be

ruiter

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

De ruiter

In vlammenpracht, die pralend hem omvangt,
Rijst hoog de ruiter op zijn donker ros,
De wapperende manen waaien los
Van 't edel dier, dat naar 't gebied verlangt,

Waar reiner lucht het vonkelend omprangt,
Waar het zal dolen door 't fantastisch bos
Van sprookjesrijken, waar met vreemde dos
Onaardse kleur 't onaardse land omhangt.

De ruiter is éénswillend met zijn dier,
En laat het vrij te vliegen naar zijn aard,
Ook hij streeft naar een hoger land van licht.

Zo gaan zij beiden, hooggestemd en fier,
Als in apocalyps, èn man èn paard,
In vlammenpralend, visionair gezicht.

Ver van 't gewoel (1922)

schrijver

Geschreven door Dora om 08:51 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

verschiet

Een gedicht van Jan Prins 1876-1948

Het verschiet

Tot in de donkerste spelonken
Van levens alverlorenheid
Heeft mij uw zuiver licht geblonken,
Mij uw gedachtenis verblijd.

Nog uit mijn bitterste uren klonken
De woorden op aan u gewijd.
Gij waart mijn heul, mijn troost, - gij zijt
De enige toevlucht, mij geschonken.

Nu is dan ’t ogenblik gekomen,
Dat we aan de nieuwe morgen staan,
En de waranden opengaan,
Die en alzijdig, onzer dromen, -
Dat liefdes ongestoord verschiet
Rondom ons ligt, - en anders niet.

Getijden

Geschreven door Dora om 10:53 Reageer op dit bericht

woud

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914
Laatst toegevoegde gedicht (nr. 3.329):

Woud bij nacht

Luister.... tussen de stammen van het woud
Gaan zachte schreden... zacht en zachter: 't Leven
Dat wegtrekt en zich neervlijt. Alle dreven
Zijn leeg nu van geluid; de Stilte houdt
Haar intree en de Schemering, gedreven
Door hare broeder Nacht, blust snel het goud
En alle purperglansjes, die op 't hout
En op de verre wolken zijn verheven.
De stammen witten òp een wijle in 't dicht
Neervallend vaal als bleek gebeelde zuilen
Van droometempel zwijmend voor 't gezicht.
Dan wèg - als lichaamloos - zuilen en tuilen
Van slapend loof; wèg in 't aldonkrend zijgen
De ruimte in 't rond.... Zwarter het zware zwijgen.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:47 Reageer op dit bericht

geduld

Een hartenkreet van Victor R. Meijer

uit "hoelang duurt geduld?" "waarom vliegen merels heel dicht langs jou heen?"

waarom vliegen merels heel dicht langs jou heen
ik zie het steeds dit fenomeen
zie het telkens om je heen
net als ik het geeft ze een kick
dicht bij jou te zijn
dus daarom vliegen de merels
steeds heel dicht langs jou heen

waarom vallen sterren
zomaar uit de lucht
ik zie het steeds het lijkt een vlucht
ik zie het telkens om je heen
net als ik het geeft ze een kick
bij jou te zijn
dus daarom vallen sterren
dan zomaar uit de lucht

op de dag dat jij geboren werd
zeiden de engelen tot elkaar
we maakten haar uit toverstof
de droom die is nu klaar
dus ze strooiden een regenboog door je blonde haar
beschenen door wat sterrenstraal
dat was slechts een gebaar
dus daarom kijkt iedereen steeds om
ik ben alweer een hartslag kwijt
ja,zelfs de maan die lacht naar haar


schrijver

Geschreven door Dora om 10:52 Reageer op dit bericht

spinoza

Een gedicht van Noco van Suchtelen 1878-1949

Spinoza

Wijd wijkt de vale hei: mijn peilende ogen turen
Rusteloos door de mist die deint alom in ’t rond.
Ik zie niet waar ik sta, ik zie niet waar ik stond,
Omvangen te allen kant door onvatbare muren.

Ik ben niet bang: vast treedt mijn voet de ruwe grond:
Ik deins niet zo een wolk van weemlende figuren
Welt uit het nevelwaas als schimmen die niet duren;
Niets blijft, alles vervloeit … onzeker dwaal ik rond.

Maar vóór mij zie ik plots een lichte lijn opblinken,
Als boven ’t grauwe duin vér streept de zilvren zee;
“Dit is de weg” en ‘k ga, zacht fluitend, weltevree.

Zo dool ik door de neevlen die rondomme zinken
Op weten’s sombre hei; maar doemt, Spinoza, mij
Uw glanzend pad, hoe ga ‘k dan rustig, licht en blij!

Illustratie: Spinoza

schrijver

Geschreven door Dora om 11:57 Reageer op dit bericht

rijmelarij

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

Rijmelarij

Zo veel
Het filomeel-
gekweel
Verschilt van ’t schorre meeuw-
geschreeuw
En ’t rauw gekras
Van ’t ravenras,
Zoveel verschilt de Bard,
Wiens hart
Zich-zelf verplicht
Tot zang en dicht,
Van hem, die ook poëet
Zich heet,
Maar van gevoel noch geestdrift weet,
En enkel regels smeedt
En kneedt,
Als een, die slaafs zijn taak verricht.-
O zie! met doodsverf op ’t gezicht,
Met de ogen strak op ’t blad gericht,
Dat voor hem ligt,
Zit daar
Jan Rijmelaar;
En zwoegt
En ploegt
Aan zijn gedicht,
Alsof ’t een reuzenarbeid waar,
Voor mensenkracht te zwaar.
’t Gerimpeld voorhoofd van
De man,
Zijn wenkbrauwboog, zo laag hij kan
Op ’t oog gedaald
En neergehaald,
Zijn daar de blijken van.
Op eens! daar slaat hij ’t oog
Omhoog,
Daar staart hij strak
naar boven, O!
Wat deert mijn sukkel dan?…
Daar slaat hij, met een woest misbaar,
De linkerhand in ’t zwetend haar,
En hijgt en steunt zo zwaar:
Daar brengt zijn magere rechterhand
De ganzenveder, die ze omspant,
Stuiptrekkend naar zijn mond,
Mond, waar zij ’t woeden van zijn tand
Zo dikwijls ondervond.
Balorig stampt hij op de grond,
Verschriklijk rolt zijn blik in ’t rond;
Hij slaat zich voor de kop;
Hij grijpt zijn RIJMREGISTER op…
Daar leggen hem de ontsloten blaân
Nog eens zijn ijslijk nood-
lot bloot,
En siddrend staart hij ’t aan.
Daar valt hij ruglings in zijn stoel,
En, meer dan half in zwijm,
En snikt (wie laat zijn jammer koel?):
‘ Helaas!… ik… vind… geen… rijm!’
……………………………………………………….
……………………………………………………….
Hij werpt zich op zijn
legerstee,
Maar slaapt (o smart!) niet in;
Nog maalt die halve
regelsnee
De dichtworm door de zin.
In ’t eind bezwijkt hij voor ’t geweld
Des zoete slaaps. Maar nu beknelt
Een bange droom de rijmerheld,
Die hem met duizend angsten kwelt,
Hem rillende op de pijnbank stelt,
Alwaar de diepbeklaagbre bloed
Zijn vers voltooien moet.-
Het is hem of hij ’t doet,
En of de faam, door stad en veld,
Zijn zuur behaalde zege meldt…
Maar hij ontwaakt en ’t woord
Is voort,
En – vruchtloos nagespoord!

Ach, staak een pogen, rijmerstoet,
Met zoveel zweets betaald;
Zo u de ware dichtersgeest faalt,
’t Is vruchtloos wat gij doet!
Het is een ingeschapen gloed,
Die dichter maakt. Geen vlijt en zweet,
Geen duizend regelen saamgesmeed
Met moeite, zorg, en kunst,
Verheffen immer tot poëet;
En, schoon ’t u schamele domheid heet,
Die van gevoel noch vinding weet,
De muzen, dwaze rijmerdrom!
Ontzeggen u haar gunst;
Zij sluiten u haar heiligdom.
Ei, keer weerom!
En spaar uzelf ’t onvruchtbaar leed
Der distelige paân,
Die de eerzucht op doet gaan.
Geslacht, dat niet gewaardigd zijt
Tot Phebus’* hoge luit!
Verslijt
De tijd
Met veêl*-
gespeel;
Beschouw de houten kermisfluit
Als uw gerechte deel;
Maar strek, in onbesuisde vaart,
Geen handen naar de citer uit,
Voor waardiger bewaard!-
O gij, wie dichtvuur ’t hart niet blaakt,
Dat van verrukking gloeit!
Waartoe een enkle toon geslaakt,
Waartoe met beuzlend rijm
gelijm
Uw duizlig brein vermoeid?

En gij,
Die mogelijk Poëzij
Erkent in ’s rijmers lied;
In wie de geest dier bastaardij
Nog heftige bewondraars ziet,
Nog schutspatronen vindt,
Wat, ezels! maakte u zo ontzind?
Wat heeft uw oog verblind?

Zo schaart, wanneer de wijde mond
Eens luiaards opengaat,
Die, VAN de wijs en UIT de maat,
Langs gracht en straat
Zijn jammerdeunen horen laat,
De domme volkshoop zich in ’t rond,
En ieder staat
Genageld aan de grond.
Maar, als de zachte filomeel
Haar duizendtonenrijke keel
Ontsluit tot lief gekweel,
En ’t lied doorgalmen doet door ’t woud,
Dan gaat die zelfde hoop voorbij,
Die haar zo zuivre melodij
Voor slechte wildzang houdt.

Ach, maakte eenmaal uw dwaas-
heid plaats
Voor dichterlijk gevoel;
Ontvonkte eenmaal die gloed
Uw bloed,
Hoe liet u ’t beuzlend rijmen koel,
Hoe streelde u ’t dichtrenkoor
’t Gehoor,
Hoe zoudt gij hun verheven toon
Eerbiedigen als ’t ENIG SCHOON,
schoon,
Hoe ruiste u die in ’t oor!

In ’t oor?… o neen, de ware Bard
Dringt tot het hart
En ’t innigst leven door!

------------------------------------------------
Filomeel: nachtegaal
Phebus: bijnaam van Apollo, god van o.a. de muziek
Veêl: vedel; viool

 

Geschreven door Dora om 12:43 Reageer op dit bericht

nufje

Een gedicht van Aagje Deken 1741-1804

Het nufje

'k Behoef geen vinger uit te steken,
Huishouding werd mij niet geleerd;
Waar zou ik dan mijn hoofd mee breken,
Wijl Moeder niets van mij begeert?

Op 't kostschool leerde ik bezigheden,
Geschikt voor lieden van fatsoen;
Wat Franse taal, wat Franse zeden,
En meerder heb ik niet van doen.

Ik kan wat dansen, zo wat zingen,
'k Speel zo, dat mij mijn Vader prijst:
Ik kan meest al die nutte dingen
Waarin men dames onderwijst.

Ik kan, 't is waar, maar sober schrijven,
En 't Hollands lezen gaat niet glad;
Maar zie, dit zijn ook tijdverdrijven
Bij grote liên niet hoog geschat.

Kon ik nu maar op speelpartijen,
Carrousels en concerten gaan,
Wat zou de tijd mij dan ontglijen,
Die nu voor mij schijnt stil te staan!

Ik heb wel goût om zo te leven
Zo als de grote wereld doet;
Maar 'k ben niet hoog genoeg verheven,
En ook 't ontbreekt me aan geld en goed.

'k Zit wat te knopen, wat te naaien,
En drentel zo wat op en neer;
Maar al dat klunglen, en dat draaien
Verveelt mij daaglijks meer en meer.

Zo 'k iemand had om mee te spreken,
Een soupirant, of een vriendin!
Maar niemands liefde is mij gebleken,
En vriendschap ken ik even min.

Hoe komt dien dag toch weer ten ende?
Dat weet ik inderdaad nog niet!
Waar op zal zich mijn aandacht wenden?
Wacht; ik ga lezen uit verdriet.

Wat heb ik aan 't gegeeuw, het zuchten?
Ik zoek zo 't mooglijk zij 't vermaak.
Ik heb komediën en kluchten,
En ook romans zeer goed van smaak.

Waarom de juffertjes meer lezen
Dan arme of wel schatrijke liên,
Is door dit voorbeeld klaar bewezen:
't Is, om 't vervelen toch te ontvliên.

--------------------------------------
goût - zin
soupirant - minnaar

Economische liedjes (1781)

schrijver

Geschreven door Dora om 10:07 Reageer op dit bericht

oude visser

Een gedicht van Jules Schürmann 1873-1927

Oude visser

Waar avond-zon op 't koele blanke zand
Goudene gloed in plassen blinken laat,
Een oude visser onbeweeglijk staat,
Turend naar zee, op het verlaten strand.

Het stompje pijp geklemd in grove hand,
De helmhoed boven 't stoer, verweerd gelaat,
Dat half in rode halsdoek schuilen gaat
Staat hij daar groot in late zonnebrand.

D' oneindigheid van lucht en water leeft
In zijn hemel-blauwe en vochtige ogen,
Aandachtig naar onzichtbaar doel gericht.

Zoekt hij van ver blank-zeilig scheepje een licht.
Of denk hij door 't zacht golf-gedein bewogen
Aan doden, die de zee genomen heeft?

Onze Eeuw (1911)

Illustratie: 'Zittende oude visser' (1883) schilderij door Vincent van Gogh

schrijver

Geschreven door Dora om 11:08 Reageer op dit bericht

portret

Een gedicht van P.N. van Eyck 1887-1954

BIJ SPINOZA’S PORTRET

Meester van ’t stil, wijs woord, lichtend fanal
Dat al wat is doordringt; de heldere blik,
Die dwars door waan en wankelbaar beschik
Het Ene als grond, vorm, zin zag van ’t Getal.

Van ’t diepste zwijgt wie stamelt: God is Al, -
Gij, grote Ziel, aanschouwde in ’t Ogenblik
’t Volmaakte Godsgeheim van ’t ik-loos Ik,
Dat door uw wijsheid spreekt en spreken zal.
Uw geest schiet stralen verder dan men weet:
Gij zelf de zuivere vorm van al dat licht,
Sterk en onschendbaar, boven sterfelijk lot.

Die vol van liefde vóór u staat, vergeet
Uw tijdelijkheid, en ziet in uw gezicht
Het hoog gezicht van ’t Eeuwige, onze God.

-------------------------------
fanal - vuurtoren, lichtbaak

Verspreide en nagelaten gedichten (1958)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:35 Reageer op dit bericht

zonnebloem

Een gedicht van Cornelis Hongh 1846-1896

De Zonnebloem.

Je bent een kleine bengel,
En waarom 'k je zo noem?
Eerst rukte je aan de stengel,
Toen plukte je aan de bloem.

Goudgeel zijn wel haar bladen,
Maar donker is haar hart.
Wie 't aanraakt, wordt verraden,
Kijk maar, je handje is zwart.

Kwam je aan je mondje er mede?
Dat is ook zwart als roet,
Laat maar de bloem met vrede,
Die nog wat groeien moet.

Dan krijgt ze zwarte zaadjes,
Die strooit de wind in 't rond.
En met je kameraadjes
Raap jij die van de grond.

En als je die gaat drogen
En in een doosje sluit,
Zaai ze allen - 't zal wel mogen -
Als 't voorjaar komt, dan uit.

Dan krijg je zonnebloemen,
Nog groter wel dan ik.
Elk zal je tuintje roemen,
En jij hebt grote schik.

Kijkjes in het rond (1881)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:22 1 reactie Reageer op dit bericht

hand

Nog een hartenkreet vandaag...in zulke heb ik een behagen als je
weet dat je door de Troost bent gered en wordt gedragen! Dat is voor een
ander mens dan die onzichtbare hand!
Dat is de ontfermende Vader hand! Waarmee je gaat naar het Beloofde land!

Schrijver Hans Uding

EEN TROOSTENDE HAND

Een troostende hand zegt vele malen meer
dan ontelbare goedbedoelde woorden
het gevoel heeft het gehoor overtroffen
in het leven kan je toch nog boffen

weggehaald voor de poorten van de hel
dat beseft hij nu zeker wel
dit was het verhoren van zijn gebed, maar
die warme troostende hand heeft hem gered



Geschreven door Dora om 10:57 Reageer op dit bericht

vrede

Een hartenkreet van Anke zij is voor mij een onbekende maar haar
gedicht is er één van een bekende!

Vrede

Als Jezus in mij geboren wordt
heeft heel mijn wereld vrede.
Dan kom ik God in mensen tegen
en dat betekent: geen tekort.

Als Jezus in mij geboren wordt
kan ik de waarheid uit gaan dragen.
En antwoord geven op wat vragen
geboren heelheid groeit dan voort.

Als Jezus in mij geboren wordt
zal ik bedoelingen begrijpen
en kan ik groeien en gaan rijpen
dan is er weinig, wat me stoort.

Als Jezus in mij geboren wordt
heeft heel mijn wereld vrede.
Dan kom ik God in mensen tegen
en doe ik niemand iets tekort.

schrijver

Geschreven door Dora om 10:48 Reageer op dit bericht

vlinder

Een gedicht van Prudems van Duyse 1804-1859

De vlinder en de mier.

Bij het lachend morgenkrieken
Zeide een vlinder, hups en fier
Aangesneld op bonte wieken,
Aan een arbeidzame mier:
‘Zie mijn vlerken!
Blijf maar werken;
Nergens zijt ge wellekom.
Waar ik vliege,
En mij wiege,
Volgen de ogen mij alom.’

't Miertje zweeg; maar, toegesprongen,
Greep, met rapgesloten hand,
Naar de vlinder reeds een jongen,
Roepend: ‘Ha, ik ving u, kwant.
O, hoe vonkelen
En hoe kronkelen
Al die kleuren onder een!
Welk een buitje!
Aardig guitje,
Gij ontvlucht me niet, o neen!’

't Miertje, onder 't kruid verdoken,
Sprak, wanneer 't de vlinder zag
Met een spelde 't lijf doorstoken:
‘Kan een kind zo wreed zijn, ach!
Wie zijn schoonheid
Zo ten toon spreidt,
Vaart ellendig menig keer.
Ik leef rustig,
Ik werk lustig;
Wat verlange een miertje meer?’

Gedichtjes voor kinderen (1849)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:48 Reageer op dit bericht

dwaze maagd

Een gedicht van Dop Bles 1883-1940

De dwaze maagd

'k Weet niet waarom, maar heel alleen
ben 'k blootsvoets door de nacht gegaan
en vroeg met een stem, die de mijne niet scheen:
"Wie neemt mij aan!"
'k Ga hier voorzichtig, volgeschonken,
boordevol als een lamp
en mijn hoofd doet pijn of 't lichaam is dronken
en vreemd om mijn hart knelt een kramp.
Wie?....

Gij behoeft niet te spreken
'k verlang niet te kennen Uw nood !
wie wil mij ontsteken,
wie geeft mij het leven met d'inslag van dood? —
Hier zijn mijn voeten, mijn borsten, mijn handen,
hier zijn mijn leden, mijn lippen, mijn mond,
wie laat mijn folt'rend smachten verbranden?
wie heft heel mijn wezen van aard-zware grond?

Ik weet te goed uit al mijn dromen
dat geluk in diepste doorstraling bestaat
en weet dat het eenmaal tot mij moet komen
in de godlijke vorm van een menselijk gelaat !
En daarom ...

Ja daarom misschien ging ik nu door de nacht
en nam alleen mijzelve mede
tot wie mij wacht
en geeft de eindelijke langvoorvoelde vrede ...


Ach 'k ben toch niets meer dan mijn gesmeekte bede

Parijsche Verzen (1923)


schrijver


Geschreven door Dora om 14:31 Reageer op dit bericht

wanneer

Een gedicht van Abraham van Collem 1858-1933

Wanneer wij zullen naakt zijn als de zee

Wanneer wij zullen naakt zijn als de zee,
Het blad, de boom, de ster, de maan, het licht,
En als de nacht zo diep en ruim en echt
En als de atmosfeer oneindig;
Wanneer wij hebben weggestuurd, wat ons
Weerhoudt te zijn zo open als de ruimte,
Wanneer wij, woorden-vollen, zullen zijn
Zoals het woordeloze naakt en echt,
Dan zullen wij de adem van de nacht,
Het spreken van de sterren om de maan,
De tekens die de bomen schrijven, weten,
En worden in het woordeloze ruim
Uitzeggers van een wonderzacht bevel.

Van God en van de natuur

Geschreven door Dora om 16:51 Reageer op dit bericht

afrikaantjes

Een gedicht van Karel van den Oever 1879-1927

Afrikaantjes

Mijn handen rieken van uw reuk
waar ik uw steel en blaren kreuk,
o gulden Afrikaantjes,
en 'k hou van u zo veel en teêr
als straks uw parkskens gloeien weer
saffraan-goud in de laantjes ;
ik riek u dan zo bitter-fris,
onaards en vol geheimenis.

Verzen uit de oorlogstijd (1919)

schrijver

Geschreven door Dora om 11:44 Reageer op dit bericht

glimworm

Een gedicht van J.P.Heije 1809-1876

Glimworm.

Gij mooie glimworm, die in 't woud
Des nachts zo helder blinkt door 't hout,
Alsof het sappig groen der bladen
Met diamanten is beladen,
Och! zeg me eens (zo ik 't weten mag)
Waarom glim je ook niet over dag?
Als Ik zo prachtig licht kon geven,
Dan deed ik 't vast mijn hele leven,
En niet alleen, dat waar' gewis,
Als 't donker is.

- Wel, kind! ik zeg 't je met plezier;
En, ben ik maar een simpel dier,
Toch kunt ge er mooglijk nut uit halen...
Wanneer de warme zonnestralen
Een stroom van licht, een stroom van goud
Doen vloeien over veld en woud,
Zou 'k vrezen heel verwaand te lijken
Als ik mijn zwakke glans liet kijken;
En deed ik 't al... 'k wed, dat bij dag
Toch niemand 't zag.

Och! denk om mij, mijn lieve kind!
Als gij bij andren u bevindt,
Die, als een zon, met warme stralen
Van liefheid, deugd of kennis pralen;
Hou dan bescheiden 't mondje toe
En wacht, gelijk ik zelf het doe,
Tot gij, wanneer die andren zwijgen,
In ootmoed ook een beurt kunt krijgen...
Slechts als ge er nut of vreugd door sticht,
Geef dan uw licht. -

schrijver

Geschreven door Dora om 11:33 1 reactie Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947
schrijver

Liedje...

Ik zou niet graag
Alleen, vandaag,
Door hoven gaan van love'ren schone,
Als ik niet kon
De lucht, de zon
En waar zij óp schijnt, aan u tonen.

Hoe licht de schijn
Der zonne rein
Langs 's werelds eeuw'ge kleurenweelde!
Maar wat zou mij
Dit hooggetij
Der schoonheid zijn, zo gij 't niet deelde?

Want uw gelaat
In schoonheid gaat
Der wereld schoon zó zeer te boven,
Waar dat niet is
Blijft droefenis
Op 't blauw der lucht, op 't groen der hoven.




 

Geschreven door Dora om 11:51 Reageer op dit bericht

uren

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Uren

Dit is Uw aard, o uren van 't verleden,
Steeds als gij wordt gewenkt, bereid te staan,
Om uit Uw rijk van schemering te treden
In zonglans of het glinstren van de maan.

Een glimlach is genoeg, een diep verzuchten,
En ijlings snelt gij, uit de slaap gewekt,
Elk met een korfje aan, vol geurge vruchten,
Door vochtig mos of een bruin blad bedekt.

En deze lavende oogst, die gij komt schenken,
Smaakt rijp en sappig, daar de tijd verzoet:
Een oude liefde ontroert zo bij 't herdenken,
Een vreugd lijkt goddlijk en het leed wordt goed.

Hoe zal het zijn, als die U placht te roepen
De sluimer van zijn langste nacht begon,
En hij niet meer Uw dansvervlochten groepen
Zien zal bij maanlicht of de gloed der zon?

Zijt gij dan ook gestorven, koor der uren,
En ligt gij bleek en roerloos, hand aan hand,
In huivrig duister, naast gedoofde vuren,
Ergens ver weg aan een verlaten strand?

Of hebt gij, dappre schaar, getrouwe ronden,
Die elke klacht naar U, hoe zacht ook, hoort,
Uw vroegre heer in 't ander land gevonden,
En wordt hij daar nog door Uw komst bekoord?

Het aardsche paradijs (1927)

Geschreven door Dora om 10:57 Reageer op dit bericht

uren

Een gedicht van Aart van der Leeuw 1876-1931

Uren

Dit is Uw aard, o uren van 't verleden,
Steeds als gij wordt gewenkt, bereid te staan,
Om uit Uw rijk van schemering te treden
In zonglans of het glinstren van de maan.

Een glimlach is genoeg, een diep verzuchten,
En ijlings snelt gij, uit de slaap gewekt,
Elk met een korfje aan, vol geurge vruchten,
Door vochtig mos of een bruin blad bedekt.

En deze lavende oogst, die gij komt schenken,
Smaakt rijp en sappig, daar de tijd verzoet:
Een oude liefde ontroert zo bij 't herdenken,
Een vreugd lijkt goddlijk en het leed wordt goed.

Hoe zal het zijn, als die U placht te roepen
De sluimer van zijn langste nacht begon,
En hij niet meer Uw dansvervlochten groepen
Zien zal bij maanlicht of de gloed der zon?

Zijt gij dan ook gestorven, koor der uren,
En ligt gij bleek en roerloos, hand aan hand,
In huivrig duister, naast gedoofde vuren,
Ergens ver weg aan een verlaten strand?

Of hebt gij, dappre schaar, getrouwe ronden,
Die elke klacht naar U, hoe zacht ook, hoort,
Uw vroegre heer in 't ander land gevonden,
En wordt hij daar nog door Uw komst bekoord?

Het aardsche paradijs (1927)

Geschreven door Dora om 10:57 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten