Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

konijnen

Een gedicht van René van Genderen Stort 1886-1942

Ik zie in mijn verbeelding de konijnen

Ik zie in mijn verbeelding de konijnen
Weer sluipen door de helm en door het zand,
En duinrozen ontbloeien en weer kwijnen,
Terwijl de golven breken op het strand.

Gij, mollig diertje, bedeesd is ook uw wezen,
Uw vacht wordt zacht door zon en wind gekoosd,
Uw bout, gekruid, is wellicht onvolprezen,
Gedijen moge steeds uw willig kroost.

Ge zijt heel anders dan uw neef, de haas,
Want vreedzaam kunt gij toeven in een kooi,
Daar zijt ge veilig, wordt ge vet, gij dwaas,
En valt ge niet des jagers strik ten prooi.

Doch liever zie ik u in een warande,
Omheind gebied, en waar ge holen graaft,
Daar zijn ge saam met duiven en fazanten,
In de Natuur, die allen voedt en laaft.

Najaarsvruchten (1936)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:54 Reageer op dit bericht

melancolie

Een gedicht van Frans Bastiaanse 1868-1947

Melancholie

Melancholie van scheiden en hervinden,
Stadig verliezen en verloren gaan,
Van binden en gebonden zijn; beminden
Aan dood en leven eeuwig af te staan,

Hoe komt ge mij, waar bitse winterwinden
Hun ijzige gesels op de woning slaan,
Door leed geboog'ne en door liefde verblinde,
U weer te melden met Uw oud vermaan!

Altijd in 't leven als 'k Uw bijzijn duchtte
Wist Gij mij te hervinden, waar 'k ook vluchtte;
Nu vond ik heil als nooit te voor verwacht,

En tòch hebt gij óók déze weg gevonden
En doet bij regensneeuw en storm de ronde
Waar 'k wakker lig de lange winternacht.

Ad interim, jrg. 4 (1947)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:43 Reageer op dit bericht

lome

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Ter lome zee met slappe zeilen

Ter lome zee met slappe zeilen
onder eenzelfde lamme zon,
en steeds het onveranderd-ijle
aan elke nieuwe horizon;

aldóor de dagen áldoor varen
een onverschill'ge avond toe,
en eindeloos het loom verzwaren
der lamme leden, hooploos-moe;

en nimmer, nimmer slapen mogen,
maar steeds naar horizonnen spiên
met starre en pijnlijk-sperrende oogen
die zelfs de zwarte nacht niet zien...


1912

Verzen van 1899-1914

schrijver

Geschreven door Dora om 22:54 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van Hendrik Tollens 1780-1856

 

Aan Filira.

Wat tooit ge met benijde vingren
Die schone boezem schoner op?
Wat vlecht ge blaadje, bloempje en knop,
En doet ze óm ‘t  fladdrend rokje slingren,
Terwijl ge 't haar met loof borduurt,
En spieglend in het vlietje gluurt?

Hou op! de tooi, waarmee ge u siert,
Verbijstert en verblindt mij de ogen!
Hou op! zo ge eens nog schoner wierd!...
Ik zou niet langer 't harden mogen.
Hou op! mijn boezem jaagt... Laat af,
Of zoveel schoonheid wordt me een straf.

Waartoe die dartle toverpracht?
Of eerde ik niet genoeg uw macht?
Beheerst gij niet genoeg mijn zinnen?
Och, spaar die praal, mijn liefde een hoon:
Gij maakt wellicht u meerder schoon,
Maar nimmer kan ik u meerder minnen.

Een twaalftal minneliedjes.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:27 Reageer op dit bericht

wanklank

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Wanklank

Dagelijks meer eerzuchtig
En minder in staat tot iets groots,
Telkens wanhopender roepend
Om kracht of de kalmte des doods,
Dagelijks vuriger wensend
Naar schoonheid, gezondheid en vreugd,
Dagelijks ouder en bleker,
En verder van blijdschap en jeugd -
Ik zit in de bloeiende velden,
Die schittren van zonneschijn,
En alles is jeugdig en vrolijk -
Ik schaam mij hier buiten te zijn!

schrijver

Geschreven door Dora om 21:49 Reageer op dit bericht

de lente

Een gedicht van Herman de Gorter 1864-1924

  

De lente - ik sta midden in haar -

De lente - ik sta midden in haar -

o daar komt ze daar daar
daar vliegt ze op mij aan, ze zoent me,
ze zoent me, ze zoent me en ze noemt me
haar zoete ademen, woord voor woord;
o en daar vliegt ze voort
de honnege fladderende lente,
daar naar de verte, daar naar de horizonnerige tenten,
de zilveren, zilvervoetige, zilverhandige lente,
de zomerige lente.

Kijk nu, ze strooit de zomer rond
die vliegt om haar rond
uit haar mond,
rond haar boezem, haar gladde rug, haar benen
zo donslicht omschenen,
ze gaat langs de horizonnen
maar aldoor omme,
ze heeft toch zo veel, ze kan geven
wel, zie het lichte sneven
van al dat kwijnende levende stervende opflikkerend licht
en daar midde' in haar gezicht
zie je het wel, zie je het wel -
hoe licht hoe wit hoe goud hoe schel,
hoe kunnen we het toch verdragen
van ochtend tot avonddage,
kom weer, kom bij me weer
gij mijn lieve, mijn lieve, lieve, lieve ogenbegeer.

O ze valt op mijn borst,
haar mond midde' in de dorst
van mijn mond, haar rode zachte weke punttong -
't is of ze helemaal in me drong.

Verzen (1890)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:30 Reageer op dit bericht

winteravond

Een gedicht van Willem de Merode 1887-1939

  WINTERAVOND

Ook nu het avond wordt,
Heer blijven we op U hopen,
Het winterdaglicht kort,
Hoe traag de dagen kropen.

Het water is zo diep
En donker, de lantaren
Beschampt de oeroude baren,
Waarin de wereld sliep.

En als de smalle boot,
Waarin ik word gedrongen,
Van levens wal afstoot,
Hoe hoog de golven sprongen,

Van u komt heil en heul,
Mijn lamp blijft helder branden,
Uw olie drupt een geul
Van rust tot aan Uw stranden.

Het westen is al nacht,
Maar ’t Oosten vlamt van vuren.
Ik weet, ik word verwacht,
En blijf bij U, zolang Uw dag zal duren.

De Stille Tuin (1932)

schrijver

Geschreven door Dora om 19:42 Reageer op dit bericht

reiziger

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

AAN DE REIZIGER

Steden spinnen wegen:
Webben tussen kerkers.
Zwerf of geef je over.

't Ravijn bant de de blik,
De vlakte verstrooit ze.

Bespring rotstrappen, zwerfblokken naar uw drift.
Laat in de vlakte uw verende voetzool
Liefkozen door het vochtige gras.

Rust in stilte van rumoer,
Doch niet te lang:
De zwerver wet zijn eenzaamheid op de menigt'.

Reken op geen rustplaats.
Een duurzame deugd is voos.
Zoek het venijn dat ophitst tot hartstocht,
Waarin de deugden verbranden, de dorste het snelst.

Zonder leidster, rustplaats, liefde, lof,
Als niet bestaande in het bestaande,
Belandt gij niet in het moeras der zaligheid,
Maar blijft vlot op de maalstroom van het Noodlot.

Yoeng Poe Tsjoeng (1933)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

gevangenen

Een gedicht van Edgar du Perron 1899-1940

De twee gevangenen

Bij een schilderij van Willink


Sinds zij zich afsloot voor de roes van 't dansen
tart Stella Holland met versteende blik,
rechtop in 't strak fluweel, waaruit als kransen
de mouwen storten, ruisend snik op snik.

Het mausoleum wekt macabre trancen.
‘Juich niet voor muren, waar 'k mijn hart verstik!’
Grootmoeders jurk om zich in te verschansen,
maar 't hart danst woedend voort en zegt toch: ik.

Terwijl, gezeten, Wilma de hoogblonde
vergeten blijft dat zij is kind geweest,
zich kind toont van dit land en de gekooide
wat toelacht, dan weer ernstig een verstrooide
soort aandacht wijdt aan 't stromen van de weg.
Bevrijd, bevrijd, - met hollands overleg.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:50 Reageer op dit bericht

lenteknppen

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

Lenteknoppen.

De knoppen zwellen in den zoelen nacht.
O! morgen, morgen zullen ze opengaan!
De twijgen trillen en de stille laan
Is diep ontroerd, als een die zwijgt en wacht.

Op 't zwarte water zwemt een enkle zwaan.
Heel in de verte zwijmt een vogelklacht
En op het mos zijgt door de takken zacht
Het zilverlicht der pasontloken maan.

Ik voel mijn hart zó zwellen in mijn borst,
Of 't ook wilde openspringen, morgen vroeg,
Als al die groene knoppen om mij heen.

Hart, heugt u niet meer hoe ge eens bloeien dorst
En hoe de storm uw kelk te pletter sloeg?
En wilt ge wêer....? - Stil! zeg het mij alleen!

Beelden en stemmen (1887)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:55 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten