Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

ik

Een gedicht van Karel van Woestijne 1878-1929

IK BEN DE HAZEL-NOOT

Ik ben de hazel-noot. - Een bleke, weke made
bewoont mijn kamer, en die blind is, en die knaagt.
Ik ben die van mijn zaad een duisternis verzade.
En 'k word een leêgt', die klaagt noch vraagt.

'k Verlaat me-zelf; 'k lijd aan me-zelven ijle schade.
Ik ben 't aanhoudend maal, in een gesloten kring,
van ene domme, duldeloze, ondankb're made.
Maar raak' de vinger van een kind me, dat me rade:
hij hoort mijn holte; ik luid; ik zing.

'De voedster'

schrijver

Geschreven door Dora om 21:31 Reageer op dit bericht

de navond

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

DE NAVOND KOMT ZO STIL

De navond komt zo stil, zo stil
zoo traagzaam aangetreden,
dat geen en weet, wanneer de dag
of waar hij is geleden.
‘t Is avond, stille... en, mij omtrent,
is iets, of iemand, onbekend,
die, zachtjes mij beroerend, zegt:
'‘t Is avond en ‘t is rustens recht.'

De bomen dragen gans de locht
vol groen, nog onbestoven;
en ‘k zie, zo dicht hun blaren staan,
nog nauwlijks deur de hoven;
‘k en hoore niets, al om end om,
van ‘t zoetgekeelde vogelendom,
‘t en zij, het donker loof beneên,
de nachtegaal zijne avondbeên.

Hij zingt! Ach, wist hij zelf hoe schoon
hij zingt! Het is onwetend,
dat zingend hij mijne oren boeit,
en aan zijn kele ketent.
Ach, wist hij ‘t gene ik wetend ben:
dat dankbaar ik toch wete en ken
wie hem zijn tale, en mij daaraf
‘t genoegen en ‘t genieten, gaf!

Hoe lieflijk zingt hij! Maar, wat hoor
eensgangs ik ginder gekken?
Wat is ‘t, dat her end weder her
verergerend gerrebekken?
Och, vorsenvolk, in ‘t waterwied,
houd op! En stoor de stilte niet:
laat horen mij dat leutig slaan...
En, kwelgediert, houd op voortaan!

Heb daar!... Het speit, de steen rondom,
en, uitgestrekter schenen,
zijn al de vorsen, diepe in ‘t goor,
in ‘t zwijgend goor verdwenen!...
Eilaas, de nacht en ‘t donker zijn
bezitten nu de zanger mijn:
noch nachtegaal, noch ruit noch muit,
en hore ik meer... ‘t is uit, ‘t is uit!

-----------------------------------------

mij omtrent - in mijn omgeving
dragen... vol - vullen met
deur - doorheen
om end om - in ruime kring
het donker loof beneên - onder het donkere loof
daaraf - daarvan
eensgangs - eensklaps
dat her end ... gerrebekken - dat telkens weer uitdagender kwaken
vorsvolk - groep kikkers
heb daar - pak aan
speit - spat
uitgestrekter schenen - gestrekte poten
goor - modder
noch ruit noch muit - geen kik

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

september

Een gedicht van C.S. Adama van Scheltema 1921-1947

SEPTEMBER

September! laat uw open grijze vanen
Door koele luchten, schone straten gaan,
Het gave goud ligt op uw zegebaan,
Druipt van uw fijne wapperende manen;

De pure honig laat ge in harten staan:
Gewassen goud in glad-gevlochten spanen,
Uw adem is ons tot het lijf gegaan
En blaast ons, jonge goôn, langs nieuwe banen.

Op kameraden! grijp het najaarsooft,
Laat wijn en wingerd om uw schansen glijden
En zet een krans op 't vastberaden hoofd;

Druk uw bewuste zin in 't jaargetijde,
Dat met zijn kloeke wind uw vlagge looft,
Dat waait uw woord langs Hollands vlakke weiden!

Eerste oogst (1912)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:52 Reageer op dit bericht

weten

Een gedicht van Albrecht Rodenbach 1856-1880

Ik moet er niet van weten...

Ik moet er niet van weten, van die zuidse vrouwenzielen,
die, voelend het noodlottig leed hun longeren vernielen,
te midden het ontbladeren van de bomen kneuteren gaan
dat 't jammer is van hen en van hun lief en van de blaân.

Zijt gij het die ik rochelen voel hier rond mijn hert, vernieling?
Zijt gij het? God verplette u, worm die mijner jeugd bezieling
Verknagen moet! Het lijf wierp u mijn eigen roekloosheid,
doch, zier om zier, bestrijde ik u de Geest, Noodlottigheid!

Gij die vandaag den hemel kuist van vuiler dampen rotheid,
O licht, o warmte, o levenslust, bedanke u, vurige godheid!
- Mijn zonnig land... mijn verten... mijn jong leven... Kameraad,
Nicht raisonniren... Weer u scherp, en eind als een soldaat!...

laatste gedicht van Rodenbach

schrijver

 

Geschreven door Dora om 22:15 Reageer op dit bericht

buitenmeisje

Een gedicht van Virginie Loveling 1836-1923

HET BUITENMEISJE

Zij vroegen of ze tevreden was,
In de stad tevreden en daar.
Het jonge meisje knikte ja,
Ze waren zo goed voor haar!

Zij knikte ja, zij zweeg en ging
In de kelderkeuken staan,
En zag omhoog door 't vensterraam
Op straat de voeten gaan.

Toen dacht zij aan het groene veld,
En aan haar ouders hut:
Daarover waait hoog de populier,
En de vlierboom staat aan de put.

Het geitje op 't grasplein, ginds verre de kerk,
En de lucht oneindig blauw, -
Haar moeder haspelt aan 't open raam,
En haar vader zit op 't getouw.

De wiedsters in 't veld en de leeuwrik omhoog,
- O lag zij bij hen in het vlas! -
En zat zij te peinzen, toen vroegen zij haar,
Of zij tevreden was.

Zij waren zo goed en zo vriendlijk met haar,
Zij kon niet zeggen: 'Neen.'
Maar 's avonds als zij slapen ging,
Toen weende zij alleen.

schrijver

Geschreven door Dora om 21:43 Reageer op dit bericht

aan

Een gedicht van A.C.W. Staring 1767-1840

Aan vrouwensmaders.

Laat af, die 't Zwak Geslacht met bittre gal bespat,
Of gij verdiende 't niet, dat gij een Moeder had.

1789

Puntdichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:59 Reageer op dit bericht

ziekte

Een gedicht van J.P. Heije 1809-1876

DE ERGSTE ZIEKTE.

Er kan geen erger ziekte wezen,
(Hetzij van lichaam of van geest)
Dan die, waarbij men 't stèrven vreest
Maar niets wil nemen tot genézen.

Zedenspiegel in Spreuken XCIII

schrijver

Geschreven door Dora om 22:35 Reageer op dit bericht

wanhoop

Een gedicht van Edward Koster 1861-1937

WANHOOP.

Ik ben zo droef omdat ik niet kan horen
Uw zachte stemme met haar zoete taal;
Terwijl 'k langs de besneeuwde straten dwaal,
Klinkt mij 't gelach der menschen vreemd in de oren.

En door de luiken van de hoge toren
Stroomt het geluid mij binnen van 't metaal;
Geroerd sta 'k stil; wijl 'k angstig ademhaal
Is 't mij alsof een stem me roept: "Verloren!"

O zwijg, gij klank van onheil en van leed,
Roep niet zo luid in mij, wees stil, ik weet
Dat gij slechts zijt mijn eigene gedachte.

Geen stem is 't die van buiten tot mij kwam,
Maar het geluid dat 'k in mij zelf vernam,
En dat naar uiting in de kerkklok smachtte.

Eerste Gedichten

schrijver

Geschreven door Dora om 21:45 Reageer op dit bericht

leus

Een gedicht van René de Clercq 1877-1932

 

LEUS

Waar zielen krachten zijn en krachten daden worden,
Waar uit het stoute brein een wond're wereld stamt,
Waar grote menschen slaan en stormen uit hun orden,
Gelijk, ten bergop uit, de bergenziele vlamt;

Waar felle boodschap brandt uit goudgevuurde borden,
Waar rode razernij op zwarte muren ramt,
Waar heldenhanden hoog het heldenzwaard omgorden,
En naberouw noch spijt de slaande arm verlamt;

Daar staan wij, eigenvast, geschoord op beide voeten,
Getroost met onze kop onz' koppigheid te boeten,
En lachen op die spuwt en spuwen op die lacht!

Daar staan wij, taai en trots, bij zelfgenade vorsten,
Die durven, één alleen, wat duizenden niet dorsten,
En zwaaien door de wind de losse vaan der kracht.

De Noodhoorn (1940)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:57 Reageer op dit bericht

zang

Een gedicht van Albert Verwey 1856-1935

ZANG.

Mijn ziele is in mijn zangen,
Mijn zang is mijne ziel:
Mijn lied is 't zoet verlangen,
Dat in mijn harte viel.

Dat groeit daar stil verholen,
En groeit straks wonderhoog,
En rankt in duizend bloemen
Der wereld uit het oog.

schrijver

Geschreven door Dora om 18:49 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten