Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

de staf

Een gedicht van Frederik van Eeden 1860-1932

DE STAF.

Onrust en donker alomme,
Bang als een dove-en-stomme,
tastend als blind ga ik omme -
Waar is mijn staf?

Ik lijd en moet velen verdrieten,
ik geniet ook en doe wel genieten,
maar alle vreugd zie ik vlieten
in een graf.

Ik weet wat allenig mij rust geeft,
wat mijn angsten gesust heeft,
als 't kind dat Moeder gekust heeft
Vóór de nacht.

Dit is mijn staf dat alle dingen zijn
gedachten van een dierbaar, minnend Wezen
gans wáár, maar anders dan hun schijn.
Weet ik dat goed weg - zijn mijn vrezen.
Dan glijdt de vracht
van dat onrustige van mij af.
Dan voelt de blinde weer zijn staf.
Dat is de kus die moeder gaf
aan 't kindekijn.

Maar vergeet ik het even,
dan heeft mijn staf mij begeven.
Wáár, wáár is hij gevallen?
Niemand weet het van u allen,
Geen één, geen één,
en ik sta weer weifelend en alleen,
bedenkend hoe alles vliedt
in het niet.

Mocht ik een Godsgaaf bedingen —
ik vroeg sterke herinneringen
omtrent eeuwige dingen.

1904

schrijver

Geschreven door Dora om 21:25 Reageer op dit bericht

misse

Een gedicht van Guido Gezelle 1830-1899

Ik misse u

Aan ene afwezende vriend

Ik misse u waar ik henenvaar
of waar ik henenkeer:
de morgenstond, de dagen rond
en de avonden nog meer!

Wanneer alleen ik tranen ween
’t zij droevig het zij blij,
ik misse u, o ik misse u zoo,
ik misse u neffens mij!

Zo mist, voorwaar, zijn wederpaar
geen vleugelken in ’t net;
zo mist geen kind, hoe teer bemind,
zijn moeder noch zij het!

Nu zingt men wel en ’t orgelspel
en misse ik niet, o neen,
maar uwe zang mist de orgelklank
en misse ik al met een.

Ik misse u als er leugen vals
wil monkelen zo gij loecht,
wanneer gij zacht mij verzen bracht
of verzen mededroegt.

Ik misse u nog… waar hoeft u toch,
wáár hoeft u niet gezeid…
Ach! ‘k heb zo dikwijls heimelijk
God binnen u geleid!

Dáár misse ik u, dáár misse ik u
zo dikwijls, en ik ween:
geen hope meer op wederkeer,
geen hope meer, o neen!

Geen hope, neen, geen hoop, geen kleen,
die ’t leven overschiet’;
maar in de schoot der goede dood
en misse ik u toch niet?

schrijver

Geschreven door Dora om 22:18 Reageer op dit bericht

bloemkrans

Een gedicht van J.J.L. ten Kate 1819-1889

Bloemkrans

voor de liefste

Wanneer, ook dán als de andre tekens zwijgen,
De ziel haar zucht in kleuren wedergeeft,
De Min haar blos in 't rozenblad doet stijgen,
De Erinnring in 't vergeet-mij-nietje beeft;
Als Hope fladdert in de groene twijgen,
De Rouw in 't lover der cypresse zweeft;
Als Jaloezij de gele tulp doet hijgen,
De Glorie in de frissen lauwer leeft:

Dan diende ik U een bonte krans te schenken,
Waaruit ge U álle kleuren toe zag wenken
Op 't levendig fluweel van blad en bloem:
Gij immers zijt mijn Liefde, mijn Herdenken,
Mijn Vreugde en Smart, mijn IJver en mijn Roem,
Die ik de mijne in dood en leven noem!

1850

schrijver

Geschreven door Dora om 18:56 Reageer op dit bericht

sonnet

Een gedicht van Willem G. Focquenbroch 1640-1670

Sonnet op een pijp, die ik niet aan kon houwen

O gouden zon! wiens licht noch nooit is uit gegaan,
Maar die gedurig brandt bij ons, of d'antipoden;
Gij, die geen zwavelstok noch vuurslag hebt van noden,
Om (of gij wierd gedoofd) u weer in brand te slaan:

Gij van wiens vuur al de planeten en de maan
Haar leven trekken als de mensen van de broden,
Ja, zonder wie ons vuur geen pot zou kunnen zoden,
En niemand schier een bout half gaar zou kunnen braên.

Gij, welkers vrolijk licht de wereld doet herleven,
Met recht wordt u de naam van godlijk toegeschreven,
Nadien ge al meerder deugd op aard doet als de wijn;

Ik zal tot uwer eer een hoog altaar doen bouwen,
Zo gij maakt, dat dees pijp, die schier geen vuur wil houwen,
Mee eveneens als gij altijd ontvonkt mag zijn.

Afrikaense Thalia (1678)

schrijver

Geschreven door Dora om 14:28 Reageer op dit bericht

val

Een gedicht van Jacobus Revius 1586-1658

VAL

Wat blindheid onbesuisd! Dat Eva die God diende,
In 't zalig paradijs, uit weelde, zonder nood
Der hellen roffiaan het ledig ore bood
En om te worden kloek des Heeren vloek verdiende!
Wat wederhorigheid! Dat Adam, niet ontziende
Noch tijdelijke last, noch eindeloze nood,
Zocht, opgeblazen puist, te worden even groot
Als God die hem bewaard en die hij had te vriende!

Wat duivelser bedrog! Gij moorder, gij de verraêr
Hebt smekende vervoerd de kinders met de vaêr.
Wat voordeel meent gij dies, o vijand, op te steken?
Wij liggen in 't verderf, doch hopen op genâ.
Maar uwe boze raad brengt u de meeste schâ:
Der vrouwe heilig zaad zal u de kop verbreken.

------------------------------------------------
weelde - lust, begeerte
nood - noodzaak, dwang
roffiaan - booswicht, duivel
kloek - verstandig
wederhorigheid - ongehoorzaamheid
ontziende - vrezende
puist - blaas

smekende - vleiende
vervoerd - verleid
dies - daarvan

Over-Ysselsche sangen en dichten (1630 - 1634)

schrijver

 

Geschreven door Dora om 21:56 Reageer op dit bericht

klaaglijk

Een gedicht van Jan Jacob Slauerhoff 1898-1936

Klaaglijk roepen de alcyonen

KLAAGLIJK roepen de alcyonen,
Schichtig fladdren de alcyonen,
Boven 't woedend brandingklotsen
Tegen Akashiro's rotsen,
Waar wraakgierige demonen,
Boven Akashiro's rotsen,
Tussen gierennesten tronen.

Over Akashiro's rotsen
Zweeft een lieflijk avondrood;
Onder, blind in 't brandingklotsen,
Vindt de schepeling zijn dood.
Klaaglijk schreeuwen de alcyonen,
Laag en schichtig de alcyonen
Scheren over 't brandingklotsen.
Rood zijn Akashiro's rotsen.

Een eerlijk zeemansgraf

schrijver

Geschreven door Dora om 22:14 Reageer op dit bericht

nacht

Een gedicht van Karel van de Woestijne 1878-1929

Ik hoor de nacht die nader-zijgt

Ik hoor de nacht die nader-zijgt, –
en beider zwijgen...
Ik voel uw hoofd naar mij geneigd,
– zal ’t míjne neigen?

Uw aangezicht is vreemdlijk stil
in ’t schemer-leven...
Ik zie het laatste dag-geril
in de avond-dreven.

– Is dit een einde of een begin?...
Uw handen glanzen;
uw blik is als violen in
verslenste kransen...

– – Ach, is ons lijf voor ééuwig moe,
en onze zinnen?...
Míj faalt de kracht, te zeggen hoe
’k u durf beminnen.

Het Vaderhuis (1896 - 1903)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:33 Reageer op dit bericht

moeder

Een gedicht van Jacqueline van der Waals 1868-1922

Moeder

Moeder naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zo straks ontvangen
Na de lange scheidingstijd?

Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als 'k ontwaken zal uit mijne dood?
Zal ik nederknielen mogen voor uw voeten
Met mijn hoofd op uwe schoot...

Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?

schrijver

Geschreven door Dora om 18:58 Reageer op dit bericht

in memoriam

Een gedicht van Jan Veth 1864-1925

In memoriam matris.

Op vleugel-suizelen, in stille nachten,
Komt uw heraut, Herinnering, getogen
Door mijne geest, en spant zijn purpren bogen,
Tot dieper duiding dan de dagen brachten.

Dan zie 'k - o zoet signaal van verre wachten! -
Fata morgana van twee peinzende ogen,
Die uit een krans van lieflijk mededogen
Wijding uitspreiden over mijn gedachten....

Hun licht kwam tot me in vreugde en 't kwam in smart;
Het wenkte mij, waarheen ik wendde of ging,
Een heimlijk heulsap sprenklend in mijn hart.

En 'k weet: zolang die leid-star van mijn leven,
Waar ooit mijn voet mij draagt, mij niet begeve,
Blijft gij mijn ziel tot heil, Herinnering!

schrijver

Geschreven door Dora om 19:30 Reageer op dit bericht

winternacht

Een gedicht van Arnaold Sauwen 1857-1938

Winternacht

Zwijgend en als uitgestorven 
ligt het dal in winternacht.
In haar kleed van blanke vlokken 
sluimert de aard, zo diep, zo zacht. 

Aan de klare sterrenhemel
gaat de maan haar stille gang.
In haar schijn ligt daar de vlakte,
scheemrend, als een maagd zo blank.

Uitgegaan is 't laatste lampken
dat van ver u tegenglom.
Onder witbesneeuwde daken
slaapt het dorpken, stil en stom.

Slechts de toren, trouwe wachter,
't hoofd met eeuwen reeds bevracht,
houdt nog daar, in nacht en stilte,
over hut en hoeve wacht.

En, wen alles rondom sluimert,
van het leven onbewust,
galmt de sombre toon der klokke,
stem des Tijds, die nimmer rust.

Gedichten (1928)

schrijver

Geschreven door Dora om 18:24 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten