Naar de inhoud

Altijd in beweging met van alles en nog wat...

akke.beakke.be

Archief

harp

Een gedicht van Nicolaas Beets 1814-1903

DE  EOOLSE  HARP

De eoolse harp ruist in de nacht,
Ruist op de toon der treurgezangen;
Aandoenlijk als de weke klacht
Van 't hartje, dat van liefde smacht,
Of breekt van onvervuld verlangen.

Die doorslaapt, waar die citer slaat,
Sliep zeker in met zoete dromen;
Die slaaploos aan het venster staat
Wendt naar de kant het bleek gelaat,
Vanwaar de galmen overkomen.

De nachtwind weet niet wat hij doet,
Die al haar snaren dwingt te trillen,
- Zo min als 't oog dat, door zijn gloed,
Ontroering in een rein gemoed
Verwekt, maar niet vermag te stillen.

Gedichten. V0olledige uitgave, naar tijdsorde gerangschikt. Leiden, z.j.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:00 Reageer op dit bericht

de brug

Een gedicht van Helene Swarth 1859-1941

De brug

Ik zocht een bloem, die op de bergen wast.
En aan mijn voeten grijnsde ene afgrond, diep
Als wanhoop na een misdaad, en ik riep:
- 'Wie redt mij?' Ik voelde een hand, die greep ik vast.

En over het zwarte water, dat daar sliep,
Wees mij de hand, als brug, een dennenmast.
Ik vroeg: - 'Hoe draagt die boom ons beider last?'
Hij sprak: - 'God leeft, die ons voor het leven schiep.'

Ik zag mijn gids in de ogen; al mijn angst
verkeerde in zwijgend, liefdevol geloof.
De boomstam kraakte… ik kon niet meer terug.

Toen daalde een lichte nevel (dàt was het bangst),
Doch, hand in hand, ging 't voorwaarts, blind en doof.
Daar landden we aan… en toen eerst brak de brug.

Poëzie (1892)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:40 Reageer op dit bericht

liedje

Een gedicht van G.H. Priem 1865-1939

Liedje.

De blanke bloem, geboren
In 't witte morgenlicht,
Sluit bij het dagvergloren
De blaren dicht.

Maar 't gouden hart blijft gloeien
In de ambergele kluis,
Die lauwe geure' omvloeien
En nachtgeruis.

Zó is mijn ziel een bloeme,
Wier fulpen urn omvat
Wat mensentong niet roeme:
Haar zonneschat.

Onze Eeuw, jrg 17 (1917)

Geschreven door Dora om 21:52 Reageer op dit bericht

1890

Een gedicht van P.A.M. Boele Van Hoensbroek

1890

Laat d' ouderwetse dichter nog zijn lier
Besnaren om het zonlicht te bezingen;
Ons, jongren, wenken hoger, beter dingen
Dan 't eeuwen reeds banale hemelvier.

D' elektro-lampen, met de kracht van vier-
Miljoenen kaarsen kunnen mededingen,
Zou 'k menen, naar de lof der stervelingen,
Die bidden uit 't elektrisch-kerkbrevier.

Hebt dank, o vinders van die reuzenlichten!
Gij hebt de duisternis voor goed doen zwichten;
Ook 's nachts is 't licht nu; - van naar bed te gaan

Is thans geen sprake meer; wie denkt aan slapen?
Heb dank, want 't is nu wel voor goed gedaan
Met slaapmuts, nachtpit, dommelen en gapen.

Gedichten (1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 22:01 Reageer op dit bericht

ballade

Een gedicht van J.W.F. Werumeus Buning

Ballade van de goede vrouwen

In dankbaarheid, eer dat ik sterven moet,
Vraag ik nog een ballade voor diegenen
Die als een goede vrouw mij zijn verschenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet,

Wetende dat er in het hart maar ene
En meer dan zij mij dorstig maakt het bloed,
Maar zegenend de bron door God beschenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

Ja, wild en stil, zoals mijn eigen bloed,
En wijkend, als 'k u noemde als de ene
Wier glans mij in haar allen is verschenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

Want God geeft dit de vrouwen in het bloed
Dat één ding hun maar heilig is, dit ene:
Liefde, die zij herkenden als het Ene,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

Dorst van het leven en eens dorst bij ene,
Wil, die dorst geeft, dat men verdorsten moet?
Mij brak hij bronnen uit de rots en meer dan ene,
En gaven vreugd, gelijk een vrouw dat doet.

Prince:

Goede prinses, Maria Magdalene
Venus, die eens Prins Jezus hebt ontmoet
In eendre lief de en eendre dorst naar 't ene,
En hebt geknield en hebt gezalfd de voet,

Gij kent het licht waarin zij mij verschenen
En weet dat ik, in 't diepste van 't gemoed
Zo heb geknield, als thans ook aan zijn voet,
En vraag: genade, niet alleen voor d'ene,
Maar voor de velen die mij eens bewenen,
En gaven vreugd zoals een vrouw dat doet.

schrijver

Geschreven door Dora om 22:04 Reageer op dit bericht

achterbalkon

Een gedicht van Anthonie Donker 1902-1965

Achterbalkon

Het menselijk gelaat - hoe droef mistekend,
des morgens in de tram grauw van de nacht,
des avonds in de tram grauw afgejacht
van al waar men zich deerlijk in verrekent.

Retour kantoor, kliniek en magazijn
tobt elk om wat men zich ziet tegenvallen.
Zie in de mondhoek, onder de oogwallen
onverwisselbaar de paraaf der pijn.

Hoe als nu plotseling de bazuinen schallen,
het hoge hemellicht neerstraalt op allen?
Verhoord gebed, gevonden wat gij zocht!

Doch God is zuinig op zijn wonderwerken,
hij vreest dat zij het zelfs niet zouden merken,
tegen elkander schuddend in de bocht.

Orcus en Orpheus (1941)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:46 Reageer op dit bericht

lachen

Een gedicht van Jan Brester

Lachen

Voorwaar, 't schenkt balsem aan 't gemoed,
Wanneer het wicht der smarte
Zich lenigt in een tranenvloed,
Die lucht geeft aan het harte;
En edel is het dan gewis,
Als dit om 's naasten rampen is.

Maar, als ons 't lot geen tijd onthoudt
Om van de zorg te pozen,
Wanneer men dan met vrienden kout
Of mag met meisjes kozen,
Dan is 't de lach, die 't hart ontsnoert,
En 't wicht der zorgen met zich voert.

Of als men, bij een vriendenmaal,
De bekers rond mag zwieren,
En, in onafgemeten taal,
Der scherts de toom kan vieren;
Wèl hem, die dan zijn lust voldoet,
En lacht, wanneer hij lachen moet!

Laat preken dan, wie preken wil,
En wijsheid uit wil kramen;
Ik lach wat om diens dwaze gril,
En hunker naar het amen:
De wijsheid, die niet lachen mag,
Geef ik voor éne meisjeslach.

Ja, wie een maagd het schoonste vind'
Bij stil en statig peinzen,
Voor mij ik ben geen droefheidsvrind,
En wil het niet ontveinzen,   
Bij mij haalt schoonheid, praal noch pracht,
Bij 't meisje, dat ons tegenlacht.

En is 't die lach, die ons verrukt,
(Ons, wufte mensenzonen!)
Die groefjes om de lippen drukt
En kuiltjes in de konen,
Die ons, eer men het zelf vermoedt,
De mond tot kussen plooien doet;

Zij is het, zij, die afkeer wekt,
Als zou geen scherts betamen,
Die 't neusje spijtig opwaarts trekt
En 't lachje zich durft schamen,
Of, als de boert haar daartoe dwingt,
De mond nog naar de mode wringt.

Neen, lachen past zo wel in vreugd,
Als wenen in de smarte,
En vrolijk zijn voegt aan de deugd,
Aan 't weltevreden harte;
Hij, die 't zich schaamt, hoe streng hij schijn',
Moet boos of ongelukkig zijn.

Neen, vrienden! Zijn wij geen van twee,
Kan ons de vreugd bekoren,
O! lach dan, lach men, vrolijk mee;
De kniezer mag het horen;
Zo hij bij ons nog ernstig ziet,
Dan weent hij met de droeven niet.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 23:35 Reageer op dit bericht

poseidoon

Een gedicht van P.A.M. Boele van Hensbroek

POSEIDOON

De stormwind giert een reuzensymfonie;
Het grauwe zwerk dekt d' aard; als woeste scharen
Van krijgers rollen donderend de baren
Op 't maatgeluid dier woeste melodie.

Poseidoon toornt en zweept de golven. Zie,
Titanisch lacht hij bij de doodsgevaren
De schepeling bedreigend. Schatten garen
In 't diepe zeerijk wil hij. Wat men bie',

Niets, niets is hem genoeg. Hij wil vernielen
En heersen waar hem duizend offers vielen
Ten prooi. Ik stond aan 't strand en staard' in 't rond.

En 'k meend' een reuzig bekken schuim t' aanschouwen,
Waaruit Poseidoon met hoog opgestroopte mouwen
De baard inzeepte van het wereldrond.

Gedichten.(1885)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:48 Reageer op dit bericht

de val

Een gedicht van J.K. Rensburg 1899-1943

De val van Rome.

Ik ben geen dichter, die zich voelt versmeten
Uit vreemde wereld, die hij rijzen ziet,
Haar herfstig-droeve aanblik wil vergeten
En in gedroom naar d' oude tijden vliedt,
Wie 't lijkt, als of geen schakel uit de keten
Der Evolutie hem verbinding biedt
Van Hede' en Toekomst en die toch, verbeten,
Vloekt al wat d'Eeuw van 't Eertijds leven liet.
Ik treur niet meer, wanneer ik aan de luchten
De draf van adels-dronken ridderstoet
Of 't plechtig aangegleden praal-vertoon
Van Rome's Kerk gestoord zie en vervluchten
Door walm van 't uit fabrieken hevelend roet,
Als spuwde d'Aarde golpen sombre hoon.

schrijver

 

Geschreven door Dora om 19:11 Reageer op dit bericht

maanlicht

Een gedicht van Marie Boddaert 1844-1914

MAANLICHT

Geklommen was de maan naar boven,
Had wolken stil uiteengeschoven,
Uit sneeuwengrot leek zij te turen,
En zilversneeuw in 't rond te sturen.

't Was of de warme zomeraarde
Het koelend zilver gretig gaarde;
Al meer en meer had ze opgevangen,
Tot al van zilver was omvangen.

Een koel, blank kleed dat verre strekte
En velden wijd en weien dekte;
Blanktrossige bomen daar geheven
Leken in zilvermeer te leven.

Zilver was 't al. De duinen lagen,
Als reuzen door de slaap verslagen,
In glimmend pantser breed ter neder.
Een zeemeeuw sloeg de zilverveder,

Dreef door het zilver van de heemlen,
En bleekte weg in 't zilverscheemlen
Boven de zee van licht doorglommen,
Waar kleine slaaprige golfjes zwommen.

Serena(Utrecht, 1898)

schrijver

Geschreven door Dora om 21:41 Reageer op dit bericht

Meer van Altijd in beweging met van alles en nog wat...

↑ Terug naar de berichten