Lokeren
> Diverse informatie aangaande stad Lokeren (blog vlaanderen)
Lokers dialect (deel 1)
Zie eventueel ook: > Inleiding van het Lokers dialect
Het uniekste Lokers (alleen in Lokeren gesproken)
moazoart: meikever
Het mooiste Lokers
akaks: toevallig, terloops
klooterspoaëne: rammelaar voor baby
komaale: diepe kom
léekkerbeetsjen: klim of staakboon
litsepoepe: vanillepudding
lootersteiërten: kwispelstaarten, maar ook jonge man op vrijersvoeten
moazoart: meikever
pieskalotere: piemel
tuuëverasbruuëd: paddestoel
verfeurtelen: struikelen
Woorden in Lokers
A
aan: aone ; aanstaat: oaënstaot ; aantrekken: aontrèken ; aardeweg, wegel: struitjen ; aantrappen: aonterten ; aanhalen, aandraaien: hoelen ; alzo: azuë ; achterwerk: gat, konte ; afbreken (b.v. draad): afkassen ; afschaffen: afstaalen ; avonturen: offeturen ; aftreksel van zoethout: bagijnenbaot ; arm: eirme ; april: aprol : aardappelen: petetten ; aarde: eirde ; aarde (gele): zouvele ; aardewormen, pieren: teken ; aardbei: eirbeeze ; aalschepper: beirloete; aars: gat, ol ; aasvlieg: spanjaard ; appelmoes: appeltrot ; apotheker: appetékere ; auto: otto ; anders: andres ; ajuin: andjuun ; ach zo: a zuë ; achterwerk: konte ; andersom: kontreire ; afsluiting (hout of beton): gelent ; als er: aster ;
B
baan: boaëne ; bakje, kleine auto: baksken ; babbelaar: babbeleire ; baron: barong ; barometer: baroomeetere ; blaffen: bassen ; braaf: broaëve ; bastaard: bastaord ; baasje: baosken ; blazen: bloaëzen ; bazige vrouw: tieke: braambessen: brombezen ; bladeren: bloaren ; bleek (ziekelijk) uit zien; smiiëkes of smiër ; bonvivant: flierefluiter ; brood: bruuëd ; boomzaag: beumzoage ; bijl: bijle ; boomwortels: pezen ; brokkelen: brokken ; begonnen: begost ; bangerik: schoaschijtere ; bellenboompje (fuschsia): baalenbuuëm ; bankschroef: bankvijze ; bouwwerf: bao ; bed: bedde ; bedwateraar: beddezieëkere ; bedrijgen: bedrieëgen ; beenhouwer: beenhaore ; beitel: beetle ; beetje: beetsen ; bes, kus, zoen: beeze ; bessenstruik: beezeleire ; bezigen: beezen ; bekwaam: bekwaom ; bedevaart, grote volkstoeloop: begankenisse ; begonnen: begost ; bekakt: bescheten ; beursje: bozzeken ; binnenvallen, aankomen: toèstuiken ; breed: brieëd ; bevorderd worden, promotie maken: verheugern ; bijdoen, aan toevoegen: bijduune ; bevriend: amie ; bestweter: waalwetere ; betalen: afspetten ; blaffen: bassen ; bloedworst: beulingen ; bergop: opberg : bergaf: afberg ; ballon voor kinderen: bloaze ; bliksemen: hemelichten (h niet uitspreken) ; brievenbus: boate ; bier: pinte ; bromvlieg: moajschijtere, brommere ; breigaren: sette ; boter: bootere ; broodpap: pielepap ; bangerik: broekschijtere ; beerschepper (werktuig): beirloette ; bazige vrouw: da wijf ; blote voeten: beiërvoets ; bedelaarster: schoerasse ; bedelaar: schoer ; bloembollen: kliesters ; bloemperceel: blombedde ; bleek: smiër ; bidon: does ; bloodvoets: berrevoeds ; boterham smeren; brieën ; broodsnede besmeert met boter: boot ; bijna: bekan ; bijna: ost, bijkans ; bootschappen: kommissens ; bootschappentas: kabau ; brood: bruëd ; boterham: botteram ; bord (voor eten): tallore ; bloemenvaas: blommenvauze ; begraafplaats: vetten akker ; boomzaag: beumzoage ; bijl: bijle ; boomwortels: pezen ; bel: bale ; beest: biëste ; begonnen: begost ; boom: buëm ; bonen: buënen ; bonestaak: beunkodde ; bijna: bots ; binnenpretje beleven: vernichelen ; bedriegelijk toeëgenen van andermans fruit: gefruitenierd ; brood: bruéd ; brijwol: sette ; barende vrouw, huilende dwarrelwind: beirnavrou ; botermelk: keiremaalk ;
C
carramel, snoepje: bal ; cornetje met ijs: nen toetere ; centen: cènsen ;
D
dorst: dust ; drinkbus: pulle ; drank: alcol ; dronken man: zatlap, die zeupe ; deugniet: sjarel ; deken: soarge ; duimspijker: pieneize ; dorpel: durpele ; deurklink of iets uitgestoken hebben: kleenke ; dat: dadde ; dommerik: troetten, loeddere, wuiten ; dagblad: gazette ; (kleiner weekblad: 't gazeitsen) ; denneappel: sparrenote ; dubbel: dobbel ; drassig: zompig ; drogen: druëgen ; durpel: dirpel ; doen: duut ; dood: duê ; duister: duimster ; doorheen: lossendeure ; dun ijslaagje: kelderijs ; dichtbij, rakelings, ij-zo-na: iesenaor ; direct: sebiet ; dat ge: dadde ; daar: doar, doare ; dorst: dist ; dood: duëd ; dodenakker: den vetten akker ; doet: duut ; deken: sjoarge ; deemstering: duimster ; drukte: begankenis ; dubbel: dobbel ; sukkelaar: sikkeleire ; die het graag voor het zeggen heeft: baosmmoakere ; dag: doag (vandaag: vandoage) ; denken: peizen ; dan: dèn ; dagblad: gazètte ; dezelfde: dezaalfste ;
E
eetvork: forcet ; eend: kanaar ; erwt: eirte ; ekster: oukstre ; eed afleggen: zweiren ; elkaar: mekoar ; ergens: ieveranst ; einde: tende ; een keer: ne kir ; eend: ienze ; emmer: iemere ; elastiek: nun Reikere ; elk: aalk ; ellebogen: aaleboogen ;
F
fiets: vilo ; fietszadel: zoale ; fietspedalen: terten ; foto: fottoo ; fototoestel: kodak ; fopspeen: tiete ; frambozen: bimbombeirs ; feine motregen: ziëveren ; foor: fuëre ; feest: fiëste ; fruit dat men legt te rijpen op een verdoken plaats: mouternest ; framboos: bimbombeir ; fondant: fondangs ; flesje: fleschken ;
G
gaan: goan ; gooien: smijten ; golven: baren ; gans het leven van iemand: alsijleven ; geeuwen : goupen ; gierigaard: pezewever , vrek ; gras: gas ; goeie dag: jeurs ; goed: goe ; gezegt: gezeet ; gezicht, gelaat: wezen, toote ; gevoeg doen: kakken, schijten ; geld achterhouden: blaun ; groep: troep, bende ; geen: gieëne ; geloven: geluëven ; groot meisje: lange loute ; groot kaasjeskruid: koaskeskruid ; gladiolen: vlammend zweird ; gehad: ghadte ; gedaan: gedoane ; groente en varkensvleessoep: smokkelsoepe ; goedkoop minderwaardig hout: woabuëmenhout ; gaarne: geiren ; glazen: gloazen ; geraaktijd: geraoktijt ; geschonden: geschaluind ; gummi snoepjes: surziep ; gaarne: geiren ; geld: gaald ; hansworst, hoorndrager: pieroo ; geldbeugel: portemenee ; geldbeugel die met lint of riem aan het lichaam vastzit: moale ; groentesoep met varkensvlees in: smokkelsoepe ; gefeest: gesmeird ; gezelschap: kompagnie ; geheimzinnig doen: meutelen ; (je bent dan een: meuteleire) ; gesneden: gesneën ; gier, vloeibare mest (aal): beir ; geluk: sjäns ; gehoord: g’uuërd ; gezanik: gezoag ; gezegd: gezeed ; gehuwd, getrouwd: getrat ; goed van voorzien: besleegen ;
H
haastig: kittig ; hond: nen oond ; hemel: eemele ; hooi: ooi ; huichelaar: totentrekker ; hier: hiere ; huis van lichte zeden: hoerekot, kabardoesken ; hakmes, hakbijl: kapmes ; hakblok: kapblok ; horen: heurt ; hoor: zonne, zunne, zanne ; hagedissen: lokketisten ; hier: iër ; huizen: dhuizen ; haag: weire ; houtmijt: mijte ; houten wig: spien ; houtresten: sprokkelingen ; haar: hoar ; heb ik: hék ; heel zeker: vaneigenst ; hun: hulder , huldre ; heps: hespe ; heewel: awaal ; hutsepot: domp in de pot ; hard lopen, sprinten: ketsen ; halen: hoalen ; hoeveelheid van iets: poose ; haag: weire ; hagelstenen: hoageballen ; hovaardige vrouw: greutse konte (konte = achterwerk) ; houtmijt: mijte ; hevige verwijten maken: uitschijten ; handvol: affel ; hij die beroepshalve veel op de baan is: baonman ; hapjes, lekker eten: beetses ; hoog: huuëge ; hewel: waal, awaal ; heeft: heet ; heb je: hèdde ; heren: hieëren ; hik: snik ; hemd: hènde ; hun: hodderen ; het heeft er: ’t heeter ;
I
iets verkeerd doen: oese ; iemand die weent: schriepépe, schriëmuile ; iets niet zo gaaf of mooi: groezelig ; ijsroom: pilekenkoud ; ijsroom tussen twee wafelkoekjes: boeksken ; ijsroom in een hoorntje: toeterken ; ijsje: crémeke ; iets op verdoken plaats wegsteken: mouternest ; iemand die moeilijk te ontwarren zaken afhandeld, bedrieger: knosseleir ; iemand die zijn snot op likt: keiseleekere ; in blijde verwachting van kind: in pesise ;
J
jute zak: boale ; jullie: gholder ; jaar: joaër ; jenever: genever ; jonge man: kadee ; juist: zuust ;
K
kast: kasse ; kaarsen: keisen ; katapult: mikke ; koffie: kaffe ; kunnen: keunen ; kauwgom: sieke ; kookpot: teste ; kaal: klets ; kastanje (wilde): gallenote ; Kastanje (eetbare) kastanne ; knikker: lavuër ; kever: mozort ; kruiwagen: kirrewoagen ; kers: kaze ; kinderwagen: voitûre (stekertje waar kind in rechtzit: poesette) ; kip: kieken ; kippenei: tiekenei ; kippenvleugeltjes: vlaringen ; kikkerbilletjes: puitebillen ; kikkerdril: puirekke ; koren: kürne ; klaar: klijër ; kus: beze, tote ; kaak: kauke ; koord: kurde ; kwajongens, rakkers: koajongens, sloebers ; kikkers: puiten ; kikkervisjes: puibollekens ; klompen (houten schoenen): schuiten ; kastanje: galnote ; kleine rustperiode: paeze ; kus: beze, tote ; kusje: tootje ; kikker: puit ; kunnen: keunen ; kachel: stove ; kip: kiekken ; kookpot: kastrolle ; klompen (houten schoenen): schuiten ; komen: kommen ; koren: kurne ; kruiwagen: kurwaugen ; kelder: kaaldre ; kindertanden: snoakerkens ; klimmen: kletteren ; klimtouw: klemkleurde ; staken: stoaken ; knotwilgen: tronken ; kruin of of kroon van een boom: woa ; kerk: keirke ; koperen knoppen: tetsen ; keer: kiër ; knikker: lavuur, mérbol ; koken: zoôn ; krentenboterham: rozijnenbotterham ; katapulk: mikke, ook een vrouw die met haar benen open zit: ” ze zit mé heur mikke open” ; piemelken: kietsken ; kalkstukje dat in baksteen mee gebakken is: kälkluize ; karnen: keirnen ; kans wagen: offetuuren ; kind: kiene ; klein wasje: plodderken ; kerk: keirke ; knopen: knuêpen ; kaars: keisse ; koord: keurde ; klimmen: kletteren ; knotwilgen: tronken ; verliefd koppel: vrijage ; krabben: kravven ; korf: kalabaos, kaba ; kleine houten spie: scheisken ; knutselen: fotteren ; kelder: kaalder ; kleuterpenisje: piskaloterken ; karamel: babbeleire ; kalender: älmenak ; kloosterzuster: bagijne ; kleine linnen zak: bazaosken ; krentenkoek: beezekoek ; krentenboterham: bezenboot ; kop: bol ; kleren: klieëren ; kapel: kapaale ; kwaad: koaëd ; kous: kaese ; kleine hoeveelheid vloeistof: scheutsen ; kruk: krikke ; kerel: keirle ; kledingstuk afdoen of laten zakken, hard werken: afsluuëven ;
L
langwerpige dunne houten stok: kodde ; lawaai: laweit ; verloofde (vrouwelijk): lief, mokke ; lawaai: laweit ; luiaard: luirik, carottsé ; landbouwer, boer: boer, koetter ; laat: laote ; lekstok (snoep): nen dots ; lisdodden: polderkeisen, fakkels ; lichtjes aanraken: rézzekens ; lopen: luëpen ; lopende neus, kleine jongen: snotneus ; laatst: 't lest ; lip: léppe ; lastig mens, onmogelijk mens: beuram ; lichtzinnige, onverantwoordelijke moeder: kattemore ; lichtjes aanraken: rezzekens ; loyaal man: roalen tiste ; laat: laot ; leugen: leuges ; lied: liekken ; liedje: lieksken ; lopen: luuëpen ;
M
maar: moar ; mooi: scheune ; mooiprater: stoeffer ; modder: more ; molenbrood: meulenbrued ; meisje: meisken ; meersen: mjeisen ; moeder: mau, moedre ; merel: mêirloo ; mooi meisje of vrouw: tisün fale ; mauwveger: mauvauger, gatlekkere ; moto: motto ; motorfiets: brommer ; maar: maore ; melk: maalk ; melk afgeroomd: fluitjesmaalk ;mestvaalt: messink ; mist: smuër ; mopperen: monkelen ; met gespreide benenen: scharlabeens ; meneer: menier ; mogelijkheden: meugelikheden ; meikever: moisaert ; meter: meetjen ; dringend, desondanks, zo nodig: malgree ; mager: moager ; mist: smuër ; melk: maalk ; mestvaalt: messink ; meesteres: miestesse ; moedwillegaard: deikop; meneer: meniër ; meter: meetjen ; mond: tote ; moor: muër ; mogen: meugen ; muts: mitse ; moed: kroaëze ;
N
nadenken: peisen ; natuurlijk, zeker: vaneigenst ; nergens: nieveranst ; nachtjapon: tabboart ; netels: tingelen ; neus: neuze ; nieuwe: splenternieve ; nochthans: pertang ; neuskrekels:poken ; nieuwsgierige mensen: kreuzeneusen ; nieuwjaar: nievjoar ; nietdeug, slechte kerel: badden ; naaien: noaën ;
O
overgeven (maaginhoud): spaugen ; oren (grote): blaffeturen ; ook: okke ; oude: aun ; oude man: nen aun ; opschepper: stoefer ; onozelaar: oapendroare ; op het nippertje: rezzekes ; onderdompelen: dompen ; omvallen: omtuimelen ; oversteek van dak aan huis: d' euze ; onderrok: endrok ; onozelaar, bespottelijk iemand: aopendrroare ; ontstoken ooglid: pinkuëge ; onwaarheid: ziëver ; onverschllige: omverscholligoard ; opruimen, opredderen: opridderen ; ongewenste zwangerschap: zé prijs ; openspringen, openbarsten: poffen ; oren: uëren ; oortjes: eurkes ; onthouden: omtoadt ; optillen: opheffen ; omdat: omdèt ; onzedig: schiftig ; onzedig mens: schiftegaord ;
P
pantoffels: sletsen ; pudding: lutsepoeppe ; pit van citrus of steenvrucht: karl ; perzik: paeze ; poedersuiker: poersuikere ; peperkoek: ponkoek ; pompstation: naftstation ; proberen recht te staan na val: klawieteren ; penis: luit, fluit, pinne ; praten: babbelen ; portie: pôse ; peer: pêre ; paard: pjeirt ; politie: polisse ; plezier: leute ; poort: puerte ; prentje: zountjen ; praten: klappen ; peperkoek: ponkkoek ; poort: peurte ; poortje: puurtsen ; paardebloem: pisblomme ; paardestaart: ne peirdesteirt ; paardeworst: peirdewurst ; parelhoen: pandaar ; pladijs (gebakken): plaute ; pudding (van brood): potting ; pudding (vanillepap): lutsepoepe ; vanille pudding: chiropap ; plezier: leute ; pantoffels: sletsen ; poetslap: vodde ; pastoor: pastere ; penis: luite ; pijn: ziëre ; pijn uiten: kajieken ; patronaat: patronage ; piepjonge vogeltjes: paddeklutskens ; paling gaan peuren: po-ren ; paard: peird ; peuter: dreumes ; pubertijtsjaren: aupejoaren ; pesten: kluëten ; poeder: poer ; paal: poal ; peter: peetjen ; prentje: zaontsen, ; pruik: parike ; pleintje: dein ; praatzieke vrouw: babiele, babbelgat ; poten: puuëten ; pootje baden: ponseln ; plaats maken: mijken ; plaats: pluitse ;
Q
R
raamdorpel: tablette ; ruilen: mangelen ; roomhoorntje: beuterflutjes ; raps: raspe ; rapen: roupen ; rijf: rauke ; regen (fijne en zacht): ziëveren ; regenscherm: paraplu ; roddelaar: vuilmuile ; rammelaar voor kleuters: kloterspoane ; rubberen speelbal: gommola ; rij: rote ; rood: ruëd ; raden: groan ; rechtdoor: rechtendeure ; raap, scheldwoord van hoofd: roape ; raadsel: raodsele ; rap: agao ; rouwmaal: rämoaël ; raagbol: koppenjager ; rij: rote; ruisen: reuzelen ; rommel: bataklang; roemen: beboffen ; roken: smuuëren ; recht: rèchte ; roest: ruust ; roestig: beruust ;
S
spijker: nagel ; spijbelen: achter 'dougen luëpen ; speelbal: gommela ; selder: saaldere ; schoon: schunne ; school: schole ; schijnheiligaard: heilig zauntjen ; sukkelaar: duts ; sukelaartje: dutsken ; soms: amets ; slipjas: pitaleer ; schouders: schaors ; slapen: sloapen ; slijk: more ; slaapkleed: tabboard ; sla: salau ; slag: koekenote ; slagen: kletsen ; snoepen: sneukelen ; schommel: bijze ; schuin: scheef of noens ; stookolie-diesel: mazoet ; schoon: schunne ; step: tottenet ; speelbal: gommela ; schareslijper: scheiresliep ; stenen: stiënen ; steenkool (verbrande rest): zendels ; schort: schavve ; struikelen: verfuërteln : simpel mens: dook, troeten ; stuk stoofhout: klippel ; snoep (dropveters): schoenveters ; spade: spaue ; spitten: spetten ; schop: schuppe ; schoppen: schuppen ; school: schole ; sleutel: sneutel ; slaag krijgen: rammeling, pandoering ; serre: sêire ; straks: sebiet ; schudden: litsen ; schort: veurscheut ; spinneweb: koppenet ; snuffelen, peuteren, geheimzinnig doen: meutelen ; snoeien: snoen ; spillen: spollen ; splinters: splenteren ; schilderen: scholderen ; stukje: stuksken ; sneeuwen: sniën ; straat: stroate ; sokjes: brooskens ; schuimspaan: vispaan ; stekelbaarsjes: stekelbakskens ; (zeer kleine stekelbaarsjes: hagelingskens) spatten,uitstorten: dretsen ; stil: stolle ; stoot: ne stuëteen ; verslijten: verbuëmen ; schrokkerig en veel eten: balken ; spugen: spukken ; stoelpoot: stoelpueut ; spit- of ploeggleuf: veure ; staan: staon ; straat: stroate ; slagboom: barieële ; slapen: sloapen ; samenwonen: tuuëpweunen ; schudden: schidden ; schatter landbouwgrond: prezeire ; spinneweb: koppennet : sneeuw: snië ; snuffelen, peuteren, schouders: schaors ; schop: schup ; soldaten: soldoatjen ; spiegeleiren: peirdenuëgen ; snoeien: snoen ; spillen (houten): spollen ; speels, bronstig: speldig ; stoelgang: gevoeg ; scrotum: bozze ; smiddags: ’t snuuns ; smalle strook (b.v. behang): bend ; slijpen: wetten ; snoep: bal ; snoepje: baballeken ; schrokkig veel eten: balken ; seringen: balzemienen ; stukken: stikken ; scheidingslijn: meet, meete ; scheren: scheiren ; sintels: schramoelen ; schafttijd: schof ; schone: scheune ; schil: schaale ; sla: saloaë ; sigaar, sigarre ; splinter: splèntere ;
T
taart: toerte ; trappen: terten ; tomatensous: taattesaase ; toestemming: permissie ; teelbalzak, scrotum: bozze ; tenen: tiënen ; te goed gedaan: gesmeird ; tafellaken: amelaoken ; terloops: akaks ; taats (metalen spijkers onder bottines): tetsen ; tafelpoot: t taffelpueut ; tanden van vork of riek: tinken ; teelbal: kluët ; twaalf uur: twoalven ; terloops, langs zijn neus weg: akaks ; teken: tieëken ; tong: tonge ;
U
u, je of gij hebt: get ; ui: andjun ; urineren: pissen, zieëken ; uitwerpselen: stront, gasdekker ; uitdunnen: uitdinnen ; uitdoen: uwen: oane ;
V
varkens: veirkens ; verwelkt: verslinst ; vensterluik: blaffeture ; vlekken: plekken ; veter: rijkurde ; venster: vuistere ; vensterluik: blaffeture ; vechten: boateren ; vislijn: pore ; vleesvlieg: bromvliege, brommer, maaischijtere, ronker, spanjaard, strontvliege ; verdorie: dju ; vagina: kutte, preute, pruime ; voetpad: plansier ; veiligheidsspeld: tôespale ; veeg rond de horen krijgen: voage rond zijn uëren krijgen ; vals spelen: zeuren ; vader: pau, vaudre ; verstrooid: kuffel(e) ; vlooien: vloeën ; vrachtwagen: camion ; vragen: vraugen ; versterkte grachtkant: scheutkant : verwarreld, omstengeld: verknosseld ; vleugel van vogel: vloarink, vlerk ; vuist: vuiste ; voor: veur ; verkeer: gerei ; vooral: surtoe ; verloop van mensen: begankenisse ; verder: veurder ; valsspeler: hoarzak ; voorschoot: schavve ; vel: vaal ; verbrande koolresten: schrammoelen ; verbrande koolresten met scherpe kanten: sintels ; verwisselen: mangelen ; verwarren: knosselen ; veld: 't vaalt ; vogels: veugels ; verschil: vrouwelijk geslachtsdeel: mie – uitdrukking: “ze zit met heur mie blueut” ;verschol ; vuile woorden: vuile roten ; varens: hoanekammen; vandaag: vandoaëge ; vlaag: vloage ; varen (sporendragende plant) voarent ; vleugels: vloaringen, vleuringen, vlerken ; vals lachen met leedvermaak: grimmelen ; vooruit: veruit ; verwisselt: vermangeld ; verbergen, bedekken: duiken ; verleiden: verliën ; vleier, mouwveger: gatlekkere, mouwfrottere ; vechten: baoteren (hij die vecht: baotereire) ; verwend: bedorven ; veel, hard: nijg ; verkopen: verkuuëpen ; vergiet: stramijn ; vuur: vier ; vochtig: klam ;
W
water: woutere ; waskom: teste, tiële ; wasknijper: wasspa'le ; waterpomp: pompe ; wesp: peiretere, wepse ; werkvestje (blauw): zieppeke ; werkschort: schavve ; wroedvrouw: achterwoarrasse ; wij, we: wuldre ; wij , ze: zuldre ; weekblad: 't boeksken ; waardeloze voorwerpen: prutsen ; wc: 't huisken ; wratten: worten ; willen: wollen ; wild konijn: keuntje ; weegschaal: baskuul of balance ; warwaterketeltje: muër ; wreed: vrië ; wortel: pee ; woordenstrijd: strijment ; woont: weunt ; woordenstrijd: strijment ; watergeul: goele ; waard: weird ; waarde: weirde ; wind (windje laten): scheete ; winden (b.v. draad ergens rond winden) woelen ; wij zullen: we zamme ; wederom: verdrom ; willen: wollen ; water: woatere ; wateren, urineren: pissen ; wegzenden: verzènden ; wenen: schreiën ; werken: weirken ; wil: wol (willen: wollen); worden: worren ;
Y
X
Z
zwoel weer: doef ; zo: zuë ; zo is het: zulle ; zetel: zeet-le ; zaklamp: piellaâmpe ; zwarte bes: allebeeze ; zeepsop: luëge ; graszoden: gaszoeên ; zijn: zijne ; zakuurwerk: andjuun : zweer: zweren: zweiragies ; zoemen: zuëren ; zwaar: zwoar ; zure snoep: muilentrekkers ; zeker: vaneigest ; zich inspannen: weiren ; zeg: seg ; zien: ziene ; zijdelinkse begerige blik werpen: lonken ; ziekte: ploage ; zware boezem: balkon ; zou je: zodde ; zelfs: tsaalfs ; zweren: zweiren ; zon: zonne ; zenuwen: zeemels ; zoom: zuuëm ; Zult ge: zolde ; zunne: zolle; Zure snoep: muilentrekker
Bron: Tijdschrift - De Souvereinen - Heemkring Lokeren
Zie eventueel ook:
> Inleiding van het Lokers dialect
Deel 2 en 3
∇