Beveren-Waas Bevers dialect (deel 1)


Beveren-Waas
Het oudste document waarin "het land van Beveren" vermeld wordt dateert van in 965. Het Land van Beveren was veel groter dan het huidige Beveren. De gemeente Beveren dateert van 1130.
Spot of scheldnamen van Beveren-Waas: geitekoppen, puitslagers.
> Sage: De betoverde stal (www.figy.be/legenden)
> Sage: Toontje Triest en de aap (www.figy.be)
> Diverse informatie aangaande gemeente Beveren-Waas (blog vlaanderen)
Bevers dialect (deel 1)

Het dialect van Beveren in het Waasland wordt Bevers genoemd.
Woorden in Bevers dialect
A
achteruitrijden: daazen ; aardappelpuree: gestamte petetten ;
B
bloedzuiger: echel ; bloedworst: beulingen ; bloedworst met stukjes spek: bloedpens; bromvlieg: ronker ; borsten (grote): ne grote vaveur ; bonbons: ballen ; buikloop hebben: den dapperen hebben ; bloembollen: kliesters ; beddegoed: lijnwaad ; boulonge: spie of zwart mé wit ; botsing: ne koekenbak ; braadpan: koekepan ; beroepssoldaat: boefer ; boekentas: karneseiren , canasjeir ; betrappen: traperen ; borstel: nen bussom ; beenhouwer: nen beenaar ; bal: ketsebal ; Beverse maat: Beverse mout ; bluffer: die sprikt over duzenden gelék nen boer over zen klane petetten ;
C
chicorij: pardaf ;
D
dikkopje (kikker): oekedoeleken ; divan: ne sjuslong ( komt van het Franse chaise-longue ) ; dikke vrouw: nen Epeda ( matrassenmerk ) ; Dorst: duist ; daanskoord: daanskoerde ; dansen: daansen ; dwarsligger: een bus mé vloe'en (vlooien) ;
E
eend: piel ; ei: aa ; ergens naartoe gaan en onverrichterzake moeten terugkeren: 't was een beenaars raas (reis) ;
F
fiets: nen harley trapt hem ;
G
gerookt vlees: speksehank ; gierig persoon: krebbenbijter ; glas drank helemaal vol: beverse maat ; gescheiden vrouw: levende weef ; grote mond opzetten: een fraunke toot opzette ;
H
haag: weir ; hand: ne pol ; handje: polleken ;handen: haanden ; hard werken: serieus owen hiekel afdroan ; huishouden: huishaan ; hoofd: ne seuvel ; heel moe zijn: ik ben 't gat af ; hemd: hem ; hoeveelheid: u getes ; het jongste kind: de kakkenest ;
I
ik ben weg: ik ben wiepes ; ik ben ziek: ik kan nie uit de spieut ; iemand die veelkan eten: nen echten schoofzak ;
iemand die geen pijn verdraagt: ne klaanzierigen ; is het niet: awa ; iemand uitvragen: de pieren uit de neus halen, lutsen
J
jullie: gulder ;
K
kunstgebid: valse eetkamer ; kersen: kazen ; koffie (een tas) nen theekop koffie ; katholiek persoon: pijpenplakker, pileirenbijter ; kus: toot ; kreupel: malots ; krabben: kraan ; kwajongen: gasrederik ; Kauwgom: tutefruut ; knot garen die moet opgewonden worden : een string goaren ; kalf: ne mutten ; kaalkop: die eet hoar mé karakter, 't valt liever uit as grijs te woaren !! ; kleinigheid, het heeft niets opgebracht: 't is een scheet in een net ; kerkhof: den akker
L
likstok (snoep): ne gatte kletser ; lui zijn: geen plat stroot verleggen ; lenig iemand: een zwie'ep
M
mannelijke getuige bij een huwelijk: pruimeleir ; meter en peter: pit en peter ; mier: mierezieker ; meikever: meuleneir ; mesthoop: ne messing ; melkkan, melkbus: kiet ; mauwveger: platte petet ; magere vrouw: een panlat - lat mé een hol in ; man die niets te zeggen heeft thuis: die stout warda den bussom stout ; met de bal tegen een muur gooien: ketsen ;
N
neus (grote): ne grote gevel ; neus peuteren: uw prenten verhangen, de piere ut owe neus hoale ; navel: nougelbuik ;
naakt: padder ; niets uitrichten (lui zijn): geen plat stroot verlijgen ; nors iemand: nen os ;
O
ondertussen: swins ; onozelaar: nen toerten ; oprit voor akkerland, weide of boomgaard: mennegat ; oorveeg: petet op o oren ; onvriendelijke, gierige man: nen urk ; onderzetter: un toffelbarreken ; op je pootjes terecht komen: op o wouter (water) vallen ; op een lepe manier aan de waarheid proberen komen: mé u waarm haand on u kaat gat voelen ;
P
paard: peird ; pannekoek: koekenbak ; peperkoek: pompkoek, commiezespek ; pandjas of jacquet: nen billen kletser ; pier aard(e)worm: pielewuiter ; paardefilet: peirdenank ; pantoffels: sloefen ; pasgeboren kind: plat kinneken ; plotse opwelling: schietende zinnen ; pruim: paus ;
Q
R
ruziestokend en vals vrouwenpersoon: pieketijn ; ruzie tussen man en vrouw: 't is groen hout ; rundsfilet: ossenank ; rad ter tong zijn: een lank blad ijn ; rugzak voor b.v. soldaten en dokwerkers: kietzak, ne muilezel ; roddelen: portretten trekken ; reis: raas ; rustoord: den baa (gebouw), 't ou pekeshuis ;
S
schoencréme: pilo ; sukkelaar: nen duts ; snurken: ronken ; strooien hoed: men tits ; stilstaan: stilstoun ; spleet, smalle doorgang: slobbegat ; slordige vrouw, vuile vrouw: mottige plodde ; schaatsen: schetsen ; schaften, eten: schoven ; speeksel: moederkeszalf ; slecht gezint zijn: die ee zijn aken (eitje) niet gat ; schaamhaar jonge meisjes:
paasewol ; speeksel: spuchel, rochel ; spuwen: spuchelen, rochelen ; schijfjes: platte konnekes (bv. schijfjes worteltjes = platte konnekes peekes) ; slecht mens: ne schurfterik ; slechte daad: schurfte streek ; stout, ongemanierd kind: gaschreed keend ;
T
taart: toert ; tanden: taanden ; trouwen: troun ; triestig en bleek uitzien: die ziet er samoe's "uit ; turnen: jumenas ; tikkertje spelen: katsjen aan ;
U
urineren, wateren: pissen ; uw plan trekken: o strng trekken ; uw uiterste best doen: d' hel uitschuren ;
V
vleesvlieg: duitse vlieg ; pissebed ; varkensluis ; vensterluiken: blaffeturen ; vork: verket ; vriend (maat): mout ; verkoudheid: sneuvering, snotvalling ; volop: toerlejoer (van het Frans tout le jour) ; vrouw die niet veel thuis is: nen dwaal ( dweil ; verwend kind: ne suikerdot ; vlug werken: affeseren ;
W
wagentje met twee wielen om zakgoed te vervoeren: pierewiet ; wc voor mannen: weef cools ; wc voor vrouwen: ward cammens ; WC: 't gemak, 't husken ; waskuip: bassing ; washand: buzeken ; wesp: peisweps ; werken: waarken ; warboel: nen annekesnest ; worst: wuist ;
X
Y
Z
zuchten: krochen ; zij: zulder ;zoethout: kallisjenhaat; zwaar beladen: gelo'aan gelék nen ezel ;
Op zijn Bevers gezegd
- Als ge denkt dat het onmogelijke toch kan gebeuren......t'zou moeten lukken: als 't lukt kalft den os!
- Dat is een waarheid: da klopt gelijk ne zweirende vinger.
- Alle hulp hoe klein ook helpt: alle baten helpen, zij de mug, en ze piste in de zee.
- Een geschenk krijgen dat ge echt nodig hebt en toch zelf zou kopen: kosten op 't sterfhuis .
- Een man die het niet zo nauw neemt met de echtelijke trouw: 't is nen echte koekoek.
- Geniepig lachen / glimlachen van leedvermaak: gremelen gelijk een weekluis.
- Het hangt mijn voeten uit: het hangt mijn kliesters uit.
- Heel slim zijn: vossekloten gegeten hebben.
- Heel snel zijn: van nen haas gepoept (geneukt).
- Het is normaal dat mannen altijd bezig zijn want luierikken brengen niets binnen !!!: een peird zij taanden en ne vent zijn haanden meugen nooit stilstoun .
- Heel fiere persoon: hij zet hem gelijk beckse wuiten (Vlaamse gaai).
- Iemand die nogal zot is van vrouwenvolk: in 't lijnwaad doen.
- Iemand wiens haar begint uit te vallen:dreven trekken of ver op den hof wonen.
- Op zijn tenen getrapt zijn: in zijn keutel gepikt zijn.
- Onverwacht bezoek krijgen of als iemand iets ontdekt dat ge liever geheim gehouden had: op uwen nest gepakt worden.
- Praten zonder inhoud: klappen zonder vel over uwen buik.
- Ten lange laatste een beslissing nemen: op 't sluiten van de mart (markt).
- Vuil en slordige mensen:'t is precies 't huishaan (huishouden) van Jan Steen.
- Water in de kelder hebben of onder de tram gelegen hebben: een lange broek die té kort is
- Proberen steeds je zelf te blijven en er een eigen mening op na te houden: ieder zijn goestng zij de boer, en hij at de kleinen zijn pap uit.
- Van een jong meisje dat moet trouwen zegt men: vroeg in de wei is rap vet!!!
- Van een meisje dat tamelijk jong trouwd zegt men: schone liekens duren niet lang en schone maskes lopen niet lang !!
- Een jongen die op zijn 30e nog niet getrouwd is: hij staat in 't osseweiken (weide).
- Iets of wat in de steek laten: gaan lopen gelijk nen hond van zijne stront!
- Iemand die zich niks aantrekt van een ander en alleen met zijn eigen bezig is:die is op zijn eigen gelek Meirdonk (Meerdonk = Waasland Gemeente).
- Van iemand die met grote voeten rondloopt zegt men: die luupt op strijkijzers.
- Een man die aantastelijk is: ne kraar.
- Het gezegde dat moeders meegeven aan hun dochters: kraars zijn geen traars! Wat wil zeggen: opgepast als een jongen te vlug handtastelijk wordt is het maar om te profiteren.
- De verbondenheid van man en vrouw: waar Janneke is moet Mieke zijn. Vraa en man is één gespan.
- Een jong verlieft koppel: een meikoppel.
- Een wat simpel naief koppel: arm en buud.
- Als iemand klaagt over téveel werk: waarken is zoulig zei de bagijn en ze ging nor 't klooster om der vanaf te zijn.
- Iets dat slecht vooruit gaat: 't go veruit gelek 't muziek van Temst, alle dougen u flutsjen bij.
- Uw plan trekken met de bedoeling niet té veel te moeten werken: die is ziek on heur kriek en gezoond on heur koont.
- Heel vroeg opstaan: hedde in o bedde gepist ?
- Iemand die overal profijt uit slaat: die eeft op alle putten vis.
- Slim zijn en problemen plossen: o string trekken.
- Iemand die altijd klaagt: die kraat putten in d' eirde.
- Het kan mij niet geven wat er gebeurt, alles is goed: da God gift, dant wouter is.
- Van mening veranderen: o ekken on nen aandere stouk hangen.
- Met die persoon wil ik niets te maken hebben: van dien boer geen aren (eieren).
- Heel veel verdriet hebben: o een oog uit schrie'en.
- Iemand die dingen doet zonder na te denken: die eeft schietende zinnen.
- Man van de waterleiding die pannes komt verhelpen: Piet Fiet.
- Verstandig mens: ne gelierden bol.
- Comediant: die kan lachen mé zijn één en schrie'en mé zijn aander oog.
- Iemand die alles moet lenen: had ik stekskes, vroeg mij wa toebak mor 'k heb geen bladsjes.
- Dat eet ik niet graag: da's mijne meug nie.
- Iets dat je graag eet of drinkt maar 't is nog al duur: trekt dien taand mor uit.
- Als een koppel al een paar jaar getrouwd is: de spilleman is van ’t dak.
- Jongen is verliefd op een meisje maar een ander gaat er mee vandoor: hij waa mor rolschetsen moeten oundoen.
- Geen geld kunnen houden: o geld over de rooster tellen.
- Niet kieskeurig zijn wat eten betreft: u goe vaarken mag alles.
- Als ge iets lekker vindt: 't is nie veur de vaarkes gemokt.
- Als ge maar een klein stukje van iets krijgt: da got in mijnen ollen taand.
- Als ge profijt wil hebben van alles wat ge doet: dan moete siroop on onnen board strijken.
- Iemand die ongenood komt: die komt gelék de luizen.
- Als ge iets gekregen hebt en de ander wil het terug: gegeven is gegeven en 'tstoksken is nor d' hel gedreven.
- Ze is nog jong en goedgelovig: z'is nog nie droe'eg achter eur oe'eren (oren).
- Vrouw van rond de 40 jaar: z'is in de fleur van eur leven.
- Tegen iemand die altijd hetzelfde zeg: ge meugt al is een aandre plout (lp) oplijgen- Iemand met veel juwelen aan: ie is gekroe'end gelék nen os.
- Deelgemeente Haasdonk:'ostonk' uitgesproken door de Bevenaars.
Deel 2
∇


























1 reactie op dit bericht
aardappelpuree