Lokeren - Lokers dialect (deel 2)


Lokeren
> Diverse informatie aangaande stad Lokeren (blog vlaanderen)
Lokers dialect (deel 2)
Zie eventueel ook: > Inleiding en deel 1 Lokers dialect
Op zijn Lokers gezegd
- Een gelukkig jaar en al wat ik je wensen kan: 'n gelukkig joar én aol wa 'k ou wénsen keun.
- Als ik het: aseket
- Dat zal zo zijn: da sa wal ; dat ge: dagge
- Er komt niets van: tis van de kluëten
- Krenterig iemand: hij zô tsaalfs zijne ruëk ziften die deur de schou goat
- Onverzorgde vrouw: slonse ;
- Onrustig iemand: héét muren oan zijn gat
- Opschepper : bluffer
- Ga weg: tertent 'taf ;
- Hoe wreed zeg: oe vriët seg ;
- Het gazon maaien: 'tgas af rjn
- Hij ging naar de wc en kuiste zijn achterse af met een dagblad: hij gin naer't huisken en kuiste zijn gat (ol) af mijën gazette
- Het kan mij geen barst schelen: 't kan mij nie bommen
- Ik ga het konijn de pels afdoen: kgou 'tkonijn 'tvaal afstruëpen
-Iets wat je wilde doen en niet lukte: twas ver den drol
- Iemand die niet naar behoren presteert: ne pruts
- Iemand die een grote mond opzet: gruët bakkes
- Iets arrangeren dat niet zo eerlijk is: foeffelen (iemand die zo iets doet is een: foeffeleire)
- Iets niet zo goed maken: knosselen (iemand die dat doet is een: knosseleire)
- Ik heb het: kent
- Mooie of wat losse vrouw: bieken
- Maak dat je weg komt: meikt ou weg
- Naar de school fietsen: narde schole terten
- Nog een goede dag: sallu
- Over het algemeen: deur den baand
- We zullen door gaan: we goun deure goune
-Tegen een veelvraat die alles door elkaar naar binnen jaagt zegt men: gij moakt van ou lijf 'n spoelkuipe.
- Wie vermoed dat een kind aan het liegen is zegt: zwijg maar want ghet 'n gruéd zwart kruis op ou veurheuft ;
- Kleine kinderen, kleine zorgen, grote kinderen grote zorgen: as de kinders kleine zijn terten z' op ou tienen as ze gruêt zijn op ou erte.
- Als iemand een wind laat: wie hééd hier in zijnen vinger gesneen.
- Iemand die zijn eten niet gans op eet: zijn uégen zijn greuter as zijnen buik.
- Als men iets zegt en men vraagt om teherhalen: de pastere doe geen twie missen veur tjaalfste gaald.
- Als iemand snel zijn behoefte moet doen zegt men: hédde soms slijtpap géten.
- Als iemand in een dure zaak binnen gaat zegt men: doar moede nie mier binnengoane, ze schrijven doar mee dobbel kruit.
- Als men iets in bruikleen vraagt en het niet krijgt zegt men: dau 't hij oplegt in den azijn.
- Van iemand die graag een hoge borst opzet: hij peist dan 't zwiest en 't zwast nog nie.
- Als men zit te klagen zegt men: geef de stoefer 'n bruëd, de kloager hé gien nuëd.
- Alshet gezinzich in nieuwe kleren steekt: wij hén ons allemoal in spie moeten steken.
- Als de fanfare hun geliefde muziek speelt zegt men: heurt ze spelen weer older lijfstuk.
- Wie het schoentje past trekt het aan: as ge ne neuze hét, kende rieken.
- Men zegt vaneen kind dat goed leert: kijk nou ne kir, hij spreekt al op de lettere.
- Als men iemand wil leren kennen zegt men: veur iemand te liëren kennen moed'er eerst ne kir pap mee eten !
- Als iemand te schrokkig gegeten heeft en hij moet een boertje laten zegt men: mijne kaalder valt inne.
- Van iemand die uit alles munt wil slaan zegt men: hij zô vliegen vangen mee zijn gat ast hij intijds moest keunen toenijpen!
- Tegen iemand die smorgens slecht geluimd is zegt men: hêd ou aaiken nie ghatte ?
- Hij wil van geen overeenkomst weten, hij wil niets toegeven, hij houd zich op zijn standpunt: hij wol nie steken of nie snîjn!
- Iemand die recht in zijn schoenen staat, rein in gewetenis: wie nie besnot is moet nie snuiten !
- Wie niets heeft kan niets geven: ne kei keude 't vaal nie afstruëpen!
- Met die man moet men opletten: pas op dadde tegen den dienen zijn karre nie rijdt!
- Wanneer iemand geregeld aan zijn achterste krabt zegt deze: de boter goat afsloagen.
- Alsiemand zijnhoofd jeukt zegt deze: mijne kop iekt, dés regenachtig !
- Ik weet wat ik zeg, ik heb het zelf gezien: mijn uëgen zijn geen kattestronten!
- Als iemand te laat op zijn werk komt zegt men: heêd ou vrau soms te lank op ou (h)ende gelegen ?
- Als ge ergens tevroeg op de afspraak toekomt zegt men: hédde soms in ou bedde gepist?
- Bij een scheldpartij zegt de tegenstander: leg ne kir ou hand op ou huéfd en kijk wie datter ondrstoat!
- Van een onbeholpen iemand zegt men: hij is nog dommer as 't peird va christus, waarop volgt, en 't was mondedju nen ezele!
- Tegen een nieuwsgierig kind dat blijft zeuren zegt men: dé zijn kreuzeneusen en vroagstroaten.
- Als de vrouw denkt dat de zoom van haar kleed onderuit komt vraagt ze: speel ik gene poattere (pater)
- Als de vrouw een kleine linnen wasbeurt doet noemd dat: 'n plodderken sloagen.
- Van iemand die er maar bleek bijloopt zegt men: hij ziet er maar smiëkes uite.
- Vaniemand die niets lost zegt men: hij is nogal steeg van afgoane.
- Als men denkt dat het gaat regenen zegt de boer: 't zal nog regene vandoage de veirkens luëpen mee struëd in olde muile!
- Als men een gebroken arm heeft zegt men: hedde soms oane vloarink gebroken!
- Als men beschuldigt word van iets wat men niet deed zegt men: mij gat zee bakkere!
- Een vrouw met moeilijk onhandelbaaren venijnig karakter: 'n tiptoerte.
- Een vrouw met haar op haar tanden: een tieke - men zegt dan: zo 'k nie geiren 'n eiken te palen énne zonne ! azuë 'n tieke van 'n wijf.
- Men zegt van iemand die graag een grote mond opzet: her ne ker doare, de muilem is weer bezig !
- Wanneer men het echt goed heeft en zich gezellig voelt zegt men: loat de boeren moar dussen !
- Tegen iemand met een ooggezwel (pinkoog)zegt men: hédde soms in ne karreslag gepist ?
- Tegen iemand die zenuwaxhtig rondloopt zegt men: moede soms eiren leggen ?
- Als iemand zij vroegere levenswijze moet opgeven zegt men: as 'n oer oud wordt pist ze wijwoatre!
- Als men door iemands schuld in een benarde situatie geraakt zegt men: nou hédde mij nogal ne poater gescholderd.
- Als er koude rillingen over het lichaam lopen zegt men: het duëmanneken leupt over mijn lijf.
- Als men niet goed luistert zegt men: of dadde tegen hem spreekt of schijt dés zjuust tsaalfste!
- Van een bloedneus zegt men: ne goe bloeneuze is 'n ziekte gespoard!
- Van iemand die zeer gelukkig is en dat duidelijk laat blijken zegt men: moest hij (zij) nouin zijn (heur) handen schijten, hij (zij) zou peizen dan 't ne spekkoek is !
- Van iemand met een schorre stem word gezegt: hij (zij) hee precies ne puit in zijn (heur) kele!
- Doen of als ge het niet gezien hebt: geboaren van krommen hoaze!
- Wat een domerik ben jij: wa veur nen truten zijde gij?
- Spijbelen op school: achter d' hage luëpen.
- Iemand die uit de hoogte doet en alles beter weet: bajaar.
- Vrouw dat medelijden opwekt, onhandig in doen en laten: santeutje.
- Lichtzinnige onnadenkende vrouw: tuite.
- Moet dat voor het kindzijn neus niet uitdrinken: moedde dé veur dé mannekens zijnen neus uitdrinken, moet hij misschien zijnen was verliezen?
- Iemand een ongename verassing bezorgen: ne kir ne pee stoven.
- Van iemand die graag een hoge borst opzet zegt men: hij peist dan 't zwietst en 't zwast nog nie.
- Van iemand die in het nauw gedreven en bedreigd voeld zegt men: zijn woater wordt neig bliêk.
- Van iemand die niet van zijn stuk te brengen is zegt men: hij héét zijnen duim in zijn handen
- Als een kind zich moeilijk rustig kan houden en bv. heen en weer op zijn stoel schuift word gevraagt: ofdét hij muren (mieren) oan zijn gat héét
- Als men van iemand iets in bruikleen vraagt zonder gevolg zegt men: dau 't hij oplegt in den azijn. Is deze persoon ook krenterig zegt men: hij zô tjaalfs zijne ruëk ziften die deur de schou goat.
- Het spreekwoord "kleine kinderen,kleine zorgen, grote kinderen, grote zorgen", luid in Lokeren als volgt: as kinders kleine zijn terten z'op ou tienen, as ze grueët zijn op ou erte.
- Wie vermoed dat kinderen aan het liegen zijn zegt: zwijg maar want ghet 'n gruët zwart kruis op ou veurheuft.
- Van een vrouw die voordurend heen en weer loopt zegt men: z 'is op heuren drevel. Zij zelf zegt: wa'k van vandaag afgedreveld hén, dés ongeleufelijk!
- Een gigantisch klinkend, maar toch vriendschappelijk gezegde: wie veur zijn eigen zirgt, zirgt veur ne goê vriend !
- Voor nutteloze uitgaven zegt men: des op de kosten van 't sterfhuis!
- Van iemand die op zijn laatste benen loopt en gaat sterven zegt men: hij leupt mee zijn duêkiste onder zijnen eirme. Als hij dan dood is zegt men: hij heet zijn tiënen uitgestoken. Als hij naar het dodenhuisje word gebracht zegt men: hij ligt op de blau steen. Als hij begraven is zegt men: hij ligt mee gas op zijnen buik.
- Als getrouwde kinderen niet meer naar huis op bezoek komen zegt men: ach wie nie komt moe nie kiëren.
- Tegen een vrouw die niet goed aan haar fietspedalen kan tijdens het fietsen zegt men: héd al botere madammeken?
- van iemand die een slag op zijn kop gekregen heeft zegt men: hij éé nen tets op zijne kop gatte (tets is hier de taats die onder bottines geplaatst word).
- Van iemand die hoogmoedig op het gewone volk neerkijkt zegt men: dien blageur is zeker vergeten dat hij uit 'n werkmansbroeke komt?
- De tijd heelt alle wonden: dé verbuëm wal
- Als een van de huwelijkspartners iets verteld aan buitenstanders over de gemeenschap zegt de andere partner: zwijg moral, mee oanen flau savec, over 't bédde wordt er nie gesproken!
- Als iemand snel voorbij loopt zegt men: schiëter moar uite z' hén hem al!
- Van iemand die een vlot passend antwoord kan geven zegt men: hij keu rijmen en dichten zonder zijn gat op te lichten.
- Als een man wel eens een slipertje durft te maken zegt men: hij zotter zijn klakke nie overleggen! Hij zelf zegt dan: omdak mijn vrou nou geiren zien, moet ik op d'andere toch nie koad zijne!
Als een gezinslid iets vraagt dat moeilijk betaalbaar of onverantwoord is zegt men: dé keud onzen bruinen nie trekken.
- Tegen of van mensen die veelal tegenslag hebben zegt men: jaja 't leven is ne strijd, wij stoan der veuren en wij moeten der deure, den iënen wort er deurgedregen, den anderen moet er deurkruipen, doar zittend em, dés 't leven.
- Van iemand die nog niet geestesrijp is zegt men (vooral kinderen die iets nog niet begrijpen): dé heêt doar nog geen verzaë van.
- Van iemand die er warmpjes inzit (vermogend is) en dat laat merken en zijn weelde ten toon spreid zegt men: wie dan 't lank heêd loatend lank hangen!
- Als men een duurdere aankoop verantwoord vind omdat deze wellicht langer meegaat zegt men: dé komt allemoal zeu lank as dan 't briëd is. Men zegt ook wel: koeken noar gaald Kwaliteit moet betaald worden.
- Als een man te laat komt (b.v. het werk) zegt men wel eens: “Heêd ou vrau soms te lank op au (h) ende gelegen?” Heeft je vrouw soms te lang op je hemd (pyjama) gelegen?
- Als een man te vroeg ergens toekomt (b.v. het werk) zegt men: “Hèdde soms in ou bedde gepist?” Heb je soms in je bed gewaterd?
- Als je denkt dat ze van jou spreken zegt men: “Mijn uëren tuiten !” Mijn oren tuiten!
- Van iemand die graag een grote mond opzet, roept of tiert zegt men: “Heurt ner ker doare, de muilem is weer bezig!” Hoor eens daar de grote mond is weer bezig!
- Van iemand die een bonvivant leven heeft geleid en het nu kalmer aan moet doen door ziekte enz… zegt men: “Hij hee zijnen tijd ghatte gelijk de brombezen” Hij heeft zijn tijd gehad zoals de braambessen.
- Een moeilijke stoelgang hebben, gierig zijn: “Steeg van afgoane!”
- Een vrouw met haar op haar tanden zoals men zegt: “Azuë ’n tieke van ’n wijf “ Zo een bazige vrouw.
- Als men een rotslechte dag heeft en alles tegenslaat wat men doet, zegt men: “Zo’ der ou nie van beschijten !” Ge zou je er van bevuilen ! Of wel zegt men: “Zodde doar millegrijs ou bluët gat nie loaten va zienne!” Zou je daar je ontbloot achterste niet van laten zien!
- Als men er harder moet tegen aangaan roept men: “Allei manneken bozze geven.” Bozze = scrotum (teelbalzak).
- Van iemand die alle soorten drank lust zegt men: “Zijn tote past op alle teuten” Zijn mond past op alle fleshalzen, als het maar alcohol is.
- Van een gezin dat de ene tegenslag na de andere te verwerken heeft, zegt men: “Den duvel (h) oud doar de keisse” De duivel houd daar de kaars vast.
- Van een dronkaard zegt men: “Hij meugt ze nogal” of “Hij zal ze in zijn schoenen nie gieten”.
- Als men zijn vermogen wil wegschenken als men nog goed gezond is zegt men: “Ge meugt ou nie ontbluêten veuren dadde sloapen goat!” Je mag je niet uitkleden voor je slapen gaat, wat wil zeggen, schenk je vermogen niet weg vooraleer je stervende bent.
- Het verschil tussen een arme en rijke Lokeraar: “Nen eirme moakt ruze op’t stroate en een rijke in zijne salon” Een arme maakt ruzie op straat en een rijke binnenhuis.
- Van iemand die er financieel goed inzit zegt men: “Hij hangt lank!” Hij heeft nog veel geldreserve! Men bedoeld evenwel niet de echte rijke.
- Als iemand iets onverwacht veel geld gekost heeft zegt men: “Z ‘hèn hem doar ’n snee in zijn uëren gegeven!” Ze hebben hem daar een snee in zijn oren gegeven!
- Als iemand de negatieve karaktertrekken van zijn vader heeft zegt men:“ ’t is zjuust zijnen aon (oude)".
- Als men de positieve karaktertrekken van de vader waarneemt zegt men: “Hij is uit zijn vader gesneën (gesneden)”.
- Als men u bij de bediening van eten al dan niet gewild overslaat zegt men: “Nou moede kijken si ! wij hèmme weeral ’n houten muile!” Nu moet je kijken, wij hebben zeker een houten mond!
- Als iemand door eigen schuld in moeilijkheden verkeert zegt men: “Het zijn zijn eigen luizen die hem bijten!”
- Van een vrouw die met regelmaat haar kinderen aan hun lot overlaat zegt men: ”’t is ’n echte kattemore (kattenmoeder)!”
- Als een echte Lokeraar een plasje moet maken is een van de uitdrukkingen de volgende: “’t is huëg tijd dè k mij petetten ne kir goan aofgieten!” Het is hoog tijd dat ik mijn aardappelen ga afgieten.
Als je wat vergeten zijd (b.v. tijdens een boodschap doen) zegt men: “As ge aone kop kwijt zijt moede ao biënen gebruiken !” Als je er met je hoofd niet bij zijd, moet je nu maar je benen gebruiken om het vergetende te halen. - Van een bereidwillig persoon zegt men: “Dès ne kir ne gouêt kluët si ! doar keude niets aen misvraoagen” Bedoeld word dat het een goed manspersoon gaat waar je niets aan kan misvragen (kluët = teelbal).
- Van een kruidje-roer-mij-niet, dat tevens een beetje de schijheilige kant opgaat, zegt men: “Is mij dé ’n heilig zaontsen!” Het is een heiligprentje.
- Als een Lokeraar wil diets maken dat hij u geen uitstaans meer wil hebben zegt hij: “Gij éd op mijnen dein (pleintje) gescheten!” Je hebt je behoefte (stoelgang) bij mij achtergelaten.
- Als men in Lokeren hoort zeggen: “Die mens is neig vervet. Joa’n, gelijk ne reiger op zijn schenen” Betekend het dat die persoon fel vermagert is, ook bij een reiger komt er geen spiertje vlees op zijn schenen.
- Als men van iemand zegt: “Hij droagt uëren gelijk taluëren” Hij heeft oren gelijk eetborden, bedoeld men dat zijn vrouw hem bedriegt met andere man(nen). De Lokeraar heeft hier het gebruikelijke hoorndrager omgevormd tot orendrager.
- Van iemand die luidruchtig boert (door spijsvertering) zegt men: “Zijne kaalder valt inne!” zijn kelder stort in.
- Als iemand nog weinig interesse voor iets betoond zegt men: “Hij voagt ‘er hij tegenwoordig vierkant zijn gat aone!” Hij draait er zich met zijn achterste naartoe, het interesseert hem eenvoudig niet meer.
- Wanneer men slaap krijgt zegt men: “De voakluizen zijn doar al!” De slaapluizen zijn er al, men begint dan vooral in de ogen te wrijven.
- Van iemand die al te begerige blikken werpt zegt men: “Eu wa vrië dingen! keud diene mens lonken, hij droadt hij bots mee zijn uëgen tot in ’t holleken van zijn gat” Wat wreed, kan die mens zijdelinks kijken, hij draait met zijn ogen tot voor de opening van zijn achterste.
- Als iemand de deur openlaat vraagt men hem: “Of dat hij soms gewuën is is van naor de keirke te gaone?” Gewoon is van naar de kerk te gaan.
- Als een man helemaal weg (verblind) is van een vrouw zegt men: “Dè steekt zijn uëgen uite!” Zij steekt hem de ogen uit.
- Wanneer iemand het je zodanig op de heupen doet krijgen dat je er bijna je zelfbeheersing bij verliest zegt men: “Si diene mens zod oa ’t schijt duun krijgen!” Die mens zou u de afgang doen krijgen! Of “Van diene mens krij ‘k de kao korsens !” Van dienen mens krijg ik de koude koorts!
- Tegen een deugniet zegt men: “Ge zij nen deugniet gij, en doarmee zijde geprezen !” Ge zijt een deugniet en daarmee heb ik je op de volle waarde geschat!
- Van iemand die rap buiten adem is bij een normale inspanning zegt men: “Nen ezel zweet van ’t schijten!” Een ezel zweet van zijn grote behoefte te doen!
- Als men iemand onrechtvaardig behandeld heeft zegt men: “Zen die sikkeleire doar verdrom ne kir ne kluët aofgetrokken si!” Ze hebben die sukkelaar daar wederom eens liggen gehad ((kluët = teelbal).
- Als men vermoeid begint te raken en de benen gaan niet goed meer mee zegt men: “Ja, ja bij nen ezel beginnend altijd aan zijn puëten!” Ja bij een ezel begint ook de vermoeitijd altijd bij de poten!
- Van een vergeetachtig mens zegt men: “Hij omtoadt zjuust van ’t snuuns tot den twoalven!” Hij onthoud juist van smiddags tot en met 12 uur!
- Als ge ergens een voordeel gehaald hebt zegt men: “Dir is wa van de karre gevallen!” Er is wat van de kar (wagen) gevallen!
- Bij hoog oplopende ruzies zegt men wel meer: “Gij meugt nog nie gaan rieken woar dè ‘k ik gescheten hèn!” Gij moogt nog niet gaan rieken waar ik mijn grote behoefte gedaan heb!
- Tegen een jong meisje dat al eens weent zegt men: “Spoard oa troanen moar veur laoters meisken, ge za ze nog genoeg nuëdig hènne” Spaar je tranen maar voor later meisje, je zal ze nog genoeg nodig hebben.
- Van twee goeie onafscheidbare vrienden zegt men: “si die twië plakken aon makoar gelijk stront aon ’t hènde!” Zie die twee plakken aan elkaar gelijk uitwerpsel aan het hemd!
- Als men iets komt vertellen dat je al weet zegt men: “Das ao vuil!” dat is oud vuil! met andere woorden dat is oud al gekend nieuws.
- Als men in Lokeren zegt: “Als ’t te wit wordt, tèn worret zwart!” Als het te wit wordt, dan wordt het zwart!” Dan bedoeld men dat een goede vriendschap plots kan omslagen naar vijandschap.
- Als vrouwlief je geen woord gunt, zegt de man: “’k Hèn beeld maor geene klànk!” ik heb beeld maar geen klank!
- Als men een nutteloze verplaatsing gemaakt heeft spreekt men van een: “Beenhaowersreize” Beenhouwersreis (komt van beenhouwer die zonder resultaat op zoek was naar geschikt slachtvlees).
- Wanneer men zich veilig en goed geborgen voelt zegt men: “We hier huuëg en druuëge” We zitten hier hoog en droog.
- Als iemand met zichzelf hoog oploopt zegt men: “Wie dènt huuëge op heed keu lieëge välen” Wie dat het hoog met zichzelf opheeft kan laag vallen.
- Van iemand (vrouwmens) die dan ook maar alles ziet zegt men: “Dè mèns heed uuëgen op heur gat staone! " Dat mens heeft ogen op haar achterste staan!
- Wanneer je voortdurend op je hoede moet zijn zegt men: “Ge zo’d uuëgen op oa gat moeten hène!" Ge zou ogen op je achterste moeten hebben!
- Van iemand die veel invloed heeft zegt men: “Hij heen ne vrieë langen eirme!” Hij heeft een lange arm!
- Als iets vanzelfsprekend is en geen verdere uitleg hoeft, zegt men: “ Dè voag zijn gat zonder papier!” die veegt zijn achterste zonder papier!
- Als iemand morgens vroeg aan het fluiten is, zegt men: “Pas maor op dèn de katten oa nie pakken!" pas maar op dat de katten u niet pakken. Men bedoeld, vroege vogels blijken gevaar te lopen.
- Van een langslaper zegt men: “Hij zod in zijnen nest blijven liggen tot de zon in zijn gat zit!” Hij zou in zijn bed blijven liggen tot de zon in zijn achterste zit!
- Als men in Lokeren hoort zeggen: “’k Zan hèm ne kir van de stoaëse gaon hoalen!" Ik zal hem eens aan het station gaan halen! Wil dit zeggen dat hij hem een pak slaag zal toe dienen.
- Als men een bankbriefje (geld) laat wisselen waar en persoon met baard opstaat, zegt men: “wij gaome nog ieënen loaten scheiren!” We gaan er nog een laten scheren!
- Van iemand die in zijn kaarten niet laat kijken wordt gezegd: “Den dienen laot ok zijn hènde nie ophèffen!” die laat ook zijn hemd niet optillen!
- Van iemand die grote voeten heeft zegt men: “Diene kadee keut op zijn voeten staon sloapen!” Die jonge man kan op zijn voeten staan slapen!
- Van haar die met een slecht afbrokkelend gebit geplaagd zit zegt men: “’t Is zuust nen bak schramoelen as z’euren mond oopenduut!” Het is juist een bak sintels als ze haar mond opendoet!
- Van iemand die niet langer iets kan verzwijgen zegt men: “’t Ligt te zweiren op zijn tonge!” Het ligt te zweren op zijn tong!
- Van iemand die ligt te sterven zegt men: “Hij is aon zijn leste schof beezig!” Hij is aan zijn laatste uren bezig !
- Van iemand die stekeblind is zegt men: “Hij zie zeu goed in den donker as zonder licht!” Hij ziet zo goed in het donker als zonder licht!
- Als alles al op voorhand geregeld is en men mag zelf niets meer in te brengen, zegt men: “’t Veirken is al deur den buik gestooken !” Het varken is al geslacht! Alles is zonder ons geregeld bedoeld men hier.
- Als een persoon na een al dan niet terecht gekregen opmerking uiting geeft aan zijn ongenoegen, zegt de berisper kortweg: “As ’t oa nie aoënstaot lègter gij oane kop tèn bij!" Als het je niet aanstaat leg er je kop dan naast!
- Als een week onderbroken wordt door een vrije dag zegt men: “’t Is maor ’n bescheeten weeke!” Het is maar een bekakte week! Men bedoeld dat men er door uit zijn gewone doen geraakt.
- Van een gierigaard zegt men: “Die zo zijnen eigen stront opeeten!” Hij zou zijn eigen uitwerpselen opeten! Zo gierig (krenterig) is hij.
- Als het ’s avonds donker wordt zegt men: “Ze bloaëzen de gruuëte keis uite!” Ze blazen de grote kaars uit!
- Van iemand die er stralend bij loopt zegt men: “Zij weezen leupt op wielekes!” Zijn gezicht loopt op wieltjes!
- Van iemand die veel schulden gemaakt heeft en deze niet kan voldoen zegt men: “Hij stao mee zijn uuëren aon den blok” Hij staat met zijn oren aan de (kap) blok.
- Van een vrouw waarvan de sleuf tussen haar borsten zichtbaar is door een diep uitgesneden kleed, zegt men: “Ze luuëpt mee heur wijwatervat bluuët” Ze loopt met haar wijwatervat bloot.
Bron: Tijdschrift - De Souvereinen - Heemkring Lokeren.
> Waasland dialect (op deze site)
> Waasland informatie (blog waasland bericht)
> Oost-Vlaams dialect (info op deze site)
> Inleiding en deel 1 Lokers dialect
Deel 3
∇


























