
West-Vlaams dialect (deel 2A)
Zie eventueel ook
> West-Vlaams dialect deel 1
> Diverse algemene informatie aangaande West-Vlaanderen (blog vlaanderen)
Veel gebruikte West-Vlaamse dialectwoorden
De klapnasje bie oes, lik Damme ’t wider zeggen .. Ne formidoabele woardnschat
Oster 1 toale vor olles en nogentwa goeklinknde woordn eeht, est ollik wel 't Westvlams zekers!
Of wuk peisdjiervan:
A
aangangwagen: de remor, een remorke ; aangetekende zending : ne rekmandee ; allemaal samen : oltegare, oltope ; alles : hjeel de ruttemetut, hjeel de santeboetiek, hjeel den battaklang, hjeel den annekesnest ; ajuin: andjoen ; alles ligt overhoop: ’t ligt ool onvrende ; aambeien: ’t speen ; aardappelmesje: skelmes, skeldersmes ; apetrots : preus lik veertig ; asbak: sandriejee ; autonummerplaat: ’t plak ; averechts : konterkjere aafs ;
B
babbelzieke vrouw : babette ; bang, skuw ; bange figuur: nen broekskitter ; batterij : ’n pille ; batterijtje: pielle ; bazige man of vrouw : n,e gendarm ; boze vrouw : dullekonte ; beerkar: oalkartjeel ; behoorlijk : sebwoort ; bewegen: wikkeln, Roern ; bewustzijn verliezen: van zinnen orgel droaien, van zinnen sies voaln ; bezig baasje: nen doendigoard ; bier van minderwaardige kwaliteit: fluutjesbier ; bij benadering : ip of nante ; bijna : abie, biekans, tewege ; bij jullie thuis : tuut tulders ; bij ons thuis : tuut toezens ; bij uitzondering: ne kjeer ip en weg ;binnensmonds praten, mompelen : konkelfoezn ; blijven praten om gelijk te halen : klappen tuut dat ne frang effen is ; bloedworst: bloelink ; stuttn ; boodschappen doen: commissies doen ; boodshappentas: buzze, kaba ; bolvormig (soep) kommetje: spoelkom ; bontjas: velne frak ; bonen opgegroeid langs een stok: persebonen ; boterhammen: boete: een proces ; boterhammenbedelaar: stuteshooijer ; boodschbord: talloare ; borstel op lange steel waarmee men spinnenwebben verwijdert: ne kobbejoaegre ; boterhamdoos: stuuttedoze ; boterhammen: stuutn, stuutjes ; bovenste deel van fietskader: de buuzze ; braderie, koopjesdagen: de batjes ; bumper: den barsjok ;
C
clown: ne pooijas ; cuttermes: keunesniederke ;
D
dakgoot: cornisje ; dat houdt risico in: ’t is riskierlik ; dat staat als een paal boven water: ’t gapt gelik nen oven ; damesschoenen met hoge hakken: talloengs ; dat zet allemaal niks op: ’t is oal gin avanse ; de appel valt niet ver van de boom: j’n eit van de meur nie geskreept ; deksel: ulle ; deken: sarze, soaze ; de mogelijkheid hebben om … : d’ okkoazje ein van een twadde ; deugniet: pietje stek ; deur: door, deure ; de vaat doen: sk(e)uttels was'n, de shuttels doen ; diarree: de vliegende spetter, de schitte, den ofagank, den afloop ; dolverliefd: puutonnozle ; de volksmond, de praat van mensen: klapnansje, koetnansje ; dik: moozevet ; dikkenek: geistekakker ; dienster: de moarte ; direct: tefeite ; doen alsof zijn neus bloedt: van pikkens geboaren ; doe niet flauw: goa je dunne doen? ; domme figuur: ne potuul ; dooier van een ei: de dorre van ’t ei ; door het hevig aandringen : deur ’t eeuwig pramen ; doorregend: smuuk ; doos schoensmeer: blinkdoze ; dorpel: zulle ; drankhandelaar: den biermesjang ;drinkbus: nen bidong , ’n pulle ; drogegrappenmaker: pallullewuppre ; drukkend warm: is laaf ; drukknop: presjoeng ; dwars: van tweistn ;
E
echt waar : biechte woarheid ; een maat voor niets : een skete ip ne stok ;
elleboog: elletuutje ; er werkt iets niet: d’r is nen défoo an ; elegant man: ne lompe kloef ; emmer: seule, keetle ; ergens geen handeling van hebben : ’t is d’ antoave die niet deugt ; ergens op een afgelegen plek : ’n twoarten in ’t ol van fluutool ; er is iets begonnen : 't is gangk, ’t spel zit ip de karre ; evenzeer : vanselikke ;
F
fietsstuur: giedoeng ; fietsvoorvork: foerse ; flemen: frottn ; fluiten, ook vogelzang: shufln ; fluitje: skuflette ; fluisteraar: vezelaar ; fluitketel: moor ; Franse typische pet, vaak door oudere mannen gedragen: alpingske ;
G
ga eens uit de weg: gerte ne kjeer ; ga maar door: teure moar deure ; ga niet met iedereen om: olle hout een is geen temmerhout ; gatlekker : boaznpoeper ; gat, kier: gerre, bv. de deure stoat up e gerre ; gas geven: buzze geevn, lutte geevn ; gebakken aardappeltjes: gebruneerde patatjes ; gebrekkig mens: fikke ; geef de moet niet op: houd j’ an ’t ges ; geen geluk hebben : ot pap regent zit ie met z’n tallore in ’t droge ; geen ellebogen hebben, niets aanvoelen : ’t finste is z’n oar ; geestrijke drank: nen dreupel ; gehakt: gekapt ; gediend als een hond met vlooien : gediend gelik nen here ; geduld: passensje ; geleidelijk aan : pioanewis ; geniepig vertrekken: joen puste sheurn ; gevaarlijk, geweldig (let op het verschil in betekenis): shuw ; geveinsde ziekte: ’t is ool begoaringe ; gezond achterwerk : ‘n kachtelgat ; goederen van bedenkelijke kwaliteit: smeerlaprie ; goed doorwerken: zjere ; goed gas geven : ip zinne steirt duwen ; goedkoop en duurkoop: kamelot ; gootsteen: watersteen ; gor: jaloezie ; gouden zaak doen: batje doen ; grafdelver : de putmoaker ; grijs herfstig weer: adrilligenwere ; groenten: groensels ; grote kom: bassing ;
H
half om half : tussen olf en eblik ; halve gare : ne wieten ; handvol: ’n poote ; hartelijk lachen: lachen gelik ’n paptoarte ; heel erg vermoeid: tenden olle stroaten ; heel dat zaakske: geel die santeboetik ; heel groot: t is indliks groot ; heel erg dom: zo dom of ’t achterste van een koe ; heel erg vermoeid: tenden olle stroaten ; heel hard: koppekei hard ; heel hard regenen: ’t rint dat zikt - ’t spuugt kattejoengn, ’t rint mollejoegn ; heel slappe koffie: nunnekaffie : slappe koffie, deuregeute ; heel vettige voeding: ’t is slekke vet ; helder, open weer: ’t is fel geluchte ; helemaal uit elkaar vallen: brokkeverskjeen ; herberg stamnee ; herhaalde malen: tefrente kjeeren ; affeseren ; het is een mislukking : ’t is een flutse ; het is besmettelijk: ’t Is betraaplik ; hij is er van door: j’is skampavie ; het is lekker: ’t is van lekmelippe ; het is niet lekker: ’t is zwinneteetn ; hij is stilletjes binnengekomen : j’is ip zijn slissen ; het is helemaal beschadigd: t is heel gakmandeerd, ’t is heel gabimeerd ; heupwiegend, preuts stappen: stikt nen bustelstil in eur gat en geel ’t stroate is gevoagd ; hinken: petjikkeln ; hij die fel studeert: blokzwijn ; hij die fluistert: vezelaar ; hij die onnauwkeurig werkt: ne klutser ; hij die vuile praat vertelt: ’n vullemulle ; hij die zijn voeten sleept: slifsavatte ; hij heeft me iets misdaan: j’ eit in min roapen gesketen ; hij heeft een zware fout gemaakt: j’ eit den ippergoai afgeskootn ; hij heeft last van jicht: j’ eit overkomste ; hij heeft niets te zeggen: j’eit nie te piepn ; hij is vertrokken: j’is ’t gat in ; hij hield de lippen stijf op elkaar: j’eit den top van z’n toenge ofgebeetn ; hij is dronken: j’is enen hoed, j’is canard, peiredelam droenke, j’eit een vlére ip ; hij is niet goed wijs: j’eit ne slag van de meulne get ; hij is stilletjes binnengekomen: j’is ip zijn slissen ; hij is totaal gek: j’is kloar zot ; hij is traag: j’is nie van nen hoaze gepoept ; hij heeft last van jicht: j’ eit overkomste ; hij kan zeer veel eten: ie kan eten gelik nen dikkedelver ; hij kijkt boos : ie trekt ’n vieze gespe ; hij loopt nerveus rond: ie loopt rond gelik ’n inne die moet legn ; hij is er van door: j’is skampavie ; hij is niet goed wijs: J’is ip zinne kop gestekt en bluuvn bokn ; hij kan zeer goed praten: j’ et een toenge lintjes ; hij kent er niets van: ile kent ’t er even ville van of ’n zwin van koesn stoppen ; hij ligt in ruzie: ie ligt in ’t skeis ; hij plast om de haverklap: j’ eit een keunebloaze ; hij verveelt zich, weet niet wat doen: ie weet nie woar me z’n ende gevoaren ; het is ieder voor zich: ’t is elk voor zijn skelle ; het spijt me: ’t deirt mie ; hij heeft serieus kennis: Ie vrijt dat zijn imde wikkelt ; hij werd heel erg bedrogen: j’is bedrogen dat den doom uut zin oren komt ; hoeveelheid, bv: mayonnaise of boter: ne klak ; hooghartige man: ne prethere ; hoogstwaarschijnlijk : van tiene neegne ; huid is verbrand: vel is verskoeperd ; huis: doeninge ; huls van remkabel: gaine ;
Zie eventueel ook:
> West-Vlaams dialect deel 1
West-Vlaams dialect deel 2B, 2C en deel 3
∇