West-Vlaams dialect (deel 2B)


West-Vlaams dialect (deel 2B)
Zie eventueel ook:
> Provincie West Vlaanderen dialect deel 1 en 2A
> Diverse algemene informatie aangaande West-Vlaanderen (blog vlaanderen)
Vervolg van: > West-Vlaams dialect deel 1 en deel 2A
I
iedereen is vrij om te doen wat hij wil: elk is libber van z’n kalibber ; ieder doet wat hij wil: elk z’n meuge zei de zeuge en z’at stront ; iemand die op cafe blijft hangen: pekker ; iemand die weent voor een kleinigheid: trunte ; iemand uithoren: ‘t ei ut zin gat vroagen, den oorm ut z’n neuze kootrn ; iets in het schild voeren : een ’t wadde bekokstoven ; iets ontwijken maar nog iets ergers tegenkomen: ne puut ontvluchten voor een padde tegemoet te komen ; ijskoud is het: ’t is issebitte koud ; ijzig koud: bjeeste koud ; in een kolerieke bui: in een vroete lokeire ; ik ben doodop: min bobinne is of, min pille is of ; ik ben duizelig: ‘k draoie gelik nen top ; ik ben niet goed te been: ‘k ben slicht te poote ; ik gloei heel erg: ‘k gloeie gelik ’n kolevier ; ik voel me niet goed: ‘k benne lik oardig ; ik voel me niet goed, slapjes: ‘k ben gin en kluute weird ; ik ga mijn best doen: ‘k goa minne crayong skerpen ; ik heb veel werk: ‘k ben verloan ; ik moet eens naar het toilet: ‘k moete ne kjeer noar bachten, ‘k : moete ne kjeer noar de koer, ‘k moete ne kjeer noar ’t vertrek ; iemand die aardig bloost: nen bleuzoard ; iemand die alles aandurft en ongeoorloofde risico’s neemt: nen baron riskon toe ; iemand die doorzet, hoe moeilijk het ook is: nen deural ; iemand die grappig uit de hoek kan komen: soepkieken ; iemand die heel erg op de zenuwen werkt: nen hertefretter ; iemand die hoogmoedig is: ’n pretentiestik ; iemand die onnauwkeurig schildert: klakpottre ; iemand die veel werkt, ook arme persoon: tjoolder ; iemand die z’n hoedje naar de wind zet: nen tootetrekker ; iemand met grote oren: j’eit oren gelik talloren ; iemand met veel zwier en zwaai: een fakke wind ; iemand met uitzonderlijke grote handen: j’eit anden gelik koolscheppen ; iemand waarop men het niet echt begrepen heeft: klunten, klunten oliebrood ; iets opdringen : een twadde ipsulfern ; iets waarop men apetrots is: ne preusslag ; ik ben benieuwd: kwetzoender, wihstje ; in de gang: ip den allee ; in de massa : In de foele van ’t volk ; in het voorjaar: in volle vaart: in vulle galloo ; een ’t wadde in ’t gotgat gieten ; ten uutkomn ; injectie: pikuure ; integendeel, tegendraads: kontroarie ; iets mooier maken dan het in werkelijkheid is: ne stront ne strek andoen ; iets opdringen: ‘n ’t wadde ipsulfern ;
J
jas: frak ; je ziet er vermoeid uit: ge kunt het sop uut uw ogen scheppen ; jazeker: Jattetoet ; je boos maken: van je tap moaken ; je moet geen lessen willen geven aan ouderen: ge goat nen uoden aap gin tootn leern trekn ; jicht: de kozientjes ;
K
kaarsrecht: pilleboutrechte ; kinesist: masseur ; klap in t gezicht (muilpeer): mullepeehre, mot ; karnemelk: keiremelk ; karnemelkstampers: tetjespap ; kauwgom: sjieklitte ; kippenhok: ’t innebluuk ; klaaspaarden (zachte broodjes): mantepeirden ; kleingeld: kluttergelt, klutters ; klein mannetje: ne kleine wup ; knikker: bollekette ; knikkers, met knikkers spelen: marbels, marbeln ; kom eens terug: kjere kjeer were ; kop koffie: ’n zjatte kaffie ; kreunen van pijn: kriepen ;
kroontjeswipper, flesopener: ullewuppre ; kruiwagen: kortwoagn, puppegoale, bakwoagn ;
L
lange figuur: nen talloreterter : lelijke vrouw: lelijk skermik, skermienkel ; lerares: ‘n skoolieffrouwe ; leeg draaierig gevoel hebben: Iele van oofde ; lijkt er op als twee druppels water: ’t is em gesketen en gespogen ; lompe, weinig, traag sprekende man: dreiteloare ; luister eens: hort ne kjeer ier ;
M
mals: smoutzochte ; materiaal: stoffoasje ; mager figuur, man met groot gestalte: ne lange zwierel ; ne mageren harink ; man met veel zwier en zwaai: een woaie ; mauwveger: ‘n zjeemtote ; melktand, melktanden: ne kaktand, de kaktanden ; met lange tanden eten: teeweln ; mesthoop: messink ; met een stevige tred: stapnolf ; meisjes: meisjoengs ; middagmaal: gekooksel, noeneteetn ; mistig: ’t smoort ; misser: flutse ; mooi meisje: ‘n snelle mokke ; mooie vrouw, wat opgetut: prente ; moestuin: lochtink ; mooie (grote) wagen: sjieke slee, sjieke feteure ; morsen: sturtn ; motregen (motregenen): Smuk (Smukk'n), slekkenat ; mug: meezje ; muggenzifter: ne pezewevre ; muts: toupetje ;
N
naar binnen toe: ne weuglienk, een weggetje innewoarts ; najaarsmoeheid: ’t voaln van ’t blad ; nauwlijks vooruitgaan: affeseren lik ardunzoagen ; nerveus rondlopen: rondloopn gelik ’n kieken zonder kop ; neusvocht: snottekeise ; nietsnut met grote mond: kalisheklutser ; nijdig ventje: ne neetebuk ; nieuwjaarswafeltjes: lukken ; nochtans: pertanks ; nonnetje: masseurke ; noeste, harde werker: nen vroete werker ; nutteloos werk verrichten: lege zakken rechte zetten ;
O
onbeduidend, klein mannetje: pernikkel ; ogenblikkelijk: in nen oai en nen droai ; ongedurig: onpessentig ; ongehuwde vrouw: ‘n ouderschejoenge dochtre, ‘n kweene ; ongewenst zwanger: gepakt van de vliegend sigare ; onmiddellijk: sebiets ; onmiddellijk vertrekken zonder op- of onnauwkeurig, slordig werken: moosten en brielen ; onaangename taak : bescheten commissie ; ondertussen : binstdien ; onderwijzer: ne skoolmjeestre ; ongedierte (bij insecten): furnin ; ongeveer zo: ip on nante ; onhandig mens: kluntn ; onhandige inhoudloze man: ne kalessieklutser ; onnozelaar: wietn ; onsympathieke dame: ‘n vies keun ; onsympathieke heer: ne vieze perluit ; onsympathieke, sluwe vrouw: eksevel ; om de twee dagen: overanderedag ; om de twee jaar: overanderejoar ; om de twee maanden: veranderemoand ; omslag van een herenbroek: de parmang ; omkijken: anzetten gelik nen hond van zijne stront ; oog om oog, tand om tand: ketje mie, ketje were ; om iets te bekomen moet je inspanningen doen: de gebroadte kiekens vliegen nie in je mond ; ontsmettingsmiddel: tenterdjot ; ontstoken endeldarm: n’ appandesiet ; onveilig rijden: rein en rotsen ; open hoofdwonde: gabbe ; op de werf: ip den travoo ; opeens ; oolmetekeer ; op goed geluk: Ip ’t goe riskier ; op overschot: ten iptelle ; op stap gaan: drillen, ip den dril zijn ; op pad met de fiets of de auto: onderboane met de veloo of met de feteure ; oud worden brengt wel wat ongemakken met zich me: de joaren komen, nie olene ; oud vehikel: kariot ; oud voertuig: ’n oud karjot ; overal: salopette ; over heel de lijn: van ensentens ;
P
pannenkoek: pallulle ; pantoffels: slissen, savatten ; peperkoek: zoetekoeke, peintepies ; persoon die veel mag eten zonder te verdikken: nen deurejager ; persoon met rond, dik gezicht: paptote, paptoarte ; pet: klakke ; postbode: ’t bootje ; prei: pret ; preisoep: pretsoepe ; pudding: pootienk ;
Zie eventueel ook:
> West-Vlaams dialect deel 1 en 2A
West-Vlaams dialect deel 2C en deel 3
∇






























